Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ0218

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
117042 / HA ZA 11-776
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fout tijdens operatie. Geen aansprakelijkheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 448
Burgerlijk Wetboek Boek 7 453
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: 117042 / HA ZA 11-776

Vonnis van 23 januari 2013

in de zaak van

1. [A],

wonende te [woonplaats],

2. de stichting STICHTING UNIVÉ RECHTSHULP,

gevestigd te Assen,

eisers,

advocaat mr. C.E. Jeekel, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PASANA CURE B.V.,

gevestigd te Dokkum, tevens handelend onder de naam DE SIONSBERG,

2. de ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ VOOR INSTELLINGEN IN DE GEZONDHEIDSZORG MEDIRISK B.A.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. M.J.J. de Ridder, kantoorhoudende te Utrecht.

Eisers zullen hierna worden aangeduid als [A] en Univé en gedaagden zullen hierna worden aangeduid als Pasana en Medirisk.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- het proces-verbaal van comparitie en getuigenverhoor gehouden op 13 juni 2012 en de ter gelegenheid van de comparitie overgelegde stukken,

- de akte na comparitie van partijen, tevens houdende akte overleggen producties van [A] en Univé,

- de antwoordakte van Pasana en Medirisk.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Op 20 januari 2005 is [A] door zijn huisarts verwezen naar de afdeling chirurgie van het ziekenhuis De Sionsberg te Dokkum van Pasana met het verzoek een galsteenoperatie bij [A] uit te voeren. [A] is voor rechtsbijstand verzekerd bij Univé. Medirisk is de beroepsaansprakelijkheids¬verzekeraar van het ziekenhuis. Op 11 februari 2005 heeft [A] het poliklinisch spreekuur van chirurg dr. [B] bezocht. Chirurg [B] heeft voorgesteld de galblaas laparoscopisch te verwijderen.

2.2. Op 22 maart 2005 heeft chirurg [B] de operatie uitgevoerd, waarbij hij bij [A] abusievelijk de ductus choledochus heeft gekliefd in plaats van de ductus cysticus. Chirurg [B] heeft tijdens de ingreep bemerkt dat hij de verkeerde structuur had doorgenomen, waarna hij is overgegaan tot een open procedure. Chirurg [C] heeft tijdens die open operatie de ductus choledochus gehecht over een T-drain. Het door chirurg [B] na de operatie opgestelde operatieverslag luidt, voor zover hier van belang:

"De galblaas wordt in klemmetjes gevat en opgespannen, hierna wordt de driehoek van Calot vrij geprepareerd. De ductus cysticus komt aveu, daarachter een dunne structuur die de arteria cystica kan zijn en daarachter weer de leverrand. De ductus cysticus wordt vlak op de galblaas dubbelgeklipt en doorgenomen. Op de arterie bevindt zich nog een klein vaatje wat gaat bloeden en apart wordt geklipt. Nu blijkt de structuur die voor de arterie werd gehouden toch door te lopen naar de lever. Verder vrijmaken van deze structuur leert dat hij toch loopt naar de geklipte cysticus stomp. De structuur is erg dun voor een choledochus maar het moet toch haast wel zijn. Derhalve wordt geconverteerd tot een open procedure. (…) Nu lijkt inderdaad dat de choledochus doorgenomen is net distaal van de afsplitsing van de ductus cysticus. De ductus cysticus zelf is heel kort en gaat direct over in de galblaas. Er is geen lengte verlies opgetreden van de choledochus, deze kan derhalve primair worden hersteld. De dunste T-drain, nr. 4, past met moeite in de choledochus. "

2.3. Op 25 mei 2005 is de tijdens de operatie aangebrachte T-drain verwijderd. Enkele weken na deze verwijdering heeft [A] fysieke klachten gekregen. Er bleken vernauwingen aan de galblaas te zijn als gevolg van aanwezig littekenweefsel dat was veroorzaakt door de beschadiging aan de galweg en het plaatsen van de T-drain.

2.4. [A] heeft daarna nog diverse behandelingen moeten ondergaan vanwege vernauwingen van de ductus choledochus als gevolg van littekenweefsel, waarvoor hij eerst in het Medisch Centrum Leeuwarden en later in het AMC te Amsterdam opgenomen is geweest, waarbij stents zijn aangebracht. De stents zijn uiteindelijk op 29 mei 2006 verwijderd.

2.5. Op voorstel van [A] is besloten een gezamenlijke expertise te laten verrichten door medisch adviseur prof. dr. O.T. Terpstra, chirurg van het LUMC. Aan medisch adviseur Terpstra is de vraag voorgelegd:

"Heeft de betrokken specialist bij de ingreep op 24 maart 2005 (lees 22 maart 2005, toevoeging rechtbank) naar uw oordeel onzorgvuldig gehandeld in die zin dat hij niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam vakgenoot onder dezelfde omstandigheden mag worden verwacht?"

2.6. In zijn definitieve rapport van 27 februari 2008 heeft medisch adviseur Terpstra deze vraag als volgt, voor zover van belang, beantwoord:

"Naar mijn mening heeft de betrokken specialist, de chirurg [B], bij de ingreep (…) gehandeld zoals van een redelijk bekwaam vakgenoot onder dezelfde omstandigheden verwacht had mogen worden. Hoewel de uitkomst van de operatie ongewenst was, met grote gevolgen voor de patiënt, is de deskundige van mening dat er geen sprake is van onzorgvuldig handelen.

Het gaat hierbij om de volgende onderdelen die afzonderlijk worden beschreven:

- techniek van het vrijprepareren van de structuren in de leverhilus:

[B] beschrijft in het operatieverslag dat hij de driehoek van Calot heeft vrijgeprepareerd, waarna hij twee structuren tussen de camera en de leverrand à vue heeft, de vermoedelijke ductus cysticus en de arteria cystica. Deze techniek die bekend staat als de "twee-venster-techniek", c.q. de "Critical View of Safety (CVS)" wordt door de beroepsgroep als standaard aangemerkt en dient om de kans op galwegletsel te minimaliseren. Helaas heeft hij toch de ductus choledochus doorgeknipt waarbij de anatomie van de structuren heeft bijgedragen aan de misinterpretatie; de ductus choledochus was zeer dun (zoals ook bij de reconstructie bleek) en de ductus cysticus was zeer kort. Onder deze omstandigheden kan ieder redelijk bekwaam vakgenoot hetzelfde overkomen, ondanks toepassing van het CVS-principe. Ten overvloede moet worden opgemerkt dat bij de laparoscopische techniek van galblaasverwijdering, zelfs met toepassen van het CVS-principe, nooit met absolute zekerheid is vast te stellen wat de ware anatomie van de structuren in de leverhilus c.q. de driehoek van Calot is. Het blijft bij een interpretatie van de anatomie zoals die wordt aangetroffen waarbij anatomische varianten de operateur op het verkeerde been kunnen zetten. Geheel voorkómen van galwegletsel bij de laparoscopische cholecystectomie is dan ook een illusie. Wel kan toepassen van het CVS-principe deze kans verkleinen. (…)"

2.7. Medisch adviseur Terpstra heeft in zijn definitief rapport de vragen aan de zijde van [A] in reactie op het concept-rapport opgenomen en beantwoord. Het rapport luidt op dat punt:

"1. Is het dan juist dat op basis van waarschijnlijkheid is geknipt toen een dunne structuur achter de ductus choledochus à vue kwam of had men de structuur verder vrij moeten prepareren alvorens in dezen een besluit te nemen?

Zoals op p. 8 reeds is vermeld heeft de operateur de driehoek van Calot vrijgeprepareerd. Hij vermeldde in het operatieverslag dat de dunne structuur achter de ductus cystica de arteria cystica kon zijn. Uiteraard is dit een interpretatie. Dat geldt voor alle structuren die bij laparoscopisch opereren geïdentificeerd worden. Verder vrijprepareren dan strikt noodzakelijk is om clips te plaatsen en de structuur te klieven, wordt ontraden omdat daarmee de kans op letsel juist wordt vergroot. Intraoperatieve beslissingen tijdens laparoscopisch opereren worden vrijwel altijd genomen op basis van waarschijnlijkheid en niet met 100% zekerheid.

2. Had het niet in de rede gelegen om op enig moment in de procedure te converteren naar de klassieke open procedure in plaats van te knippen?

De operateur besloot te clippen (en structuren te klieven) op het moment dat de driehoek was vrijgeprepareerd en zowel de ductus cysticus als de arteria cystica waren geïdentificeerd. In die situatie is er geen reden voor conversie. Die ontstond wel toen er twijfel rees over de aard van de tweede structuur.

3. Wanneer onvoldoende overzicht over de anatomie verkregen wordt en CVS niet bereikt is, moet worden geconverteerd.

Deze aanbeveling uit de richtlijn "Onderzoek en behandeling van galstenen" van de NVvH is niet van toepassing op de onderhavige casus aangezien de CVS wel was bereikt naar het oordeel van de operateur (zie hierboven)."

2.8. [A] heeft medisch adviseur mr. drs. J.F.G. Wolthuis, arts, gevraagd zijn dossier te bestuderen om te bezien of sprake is van omissies in het rapport van medisch adviseur Terpstra en/of er inhoudelijke redenen zijn op basis waarvan toch medisch onzorgvuldig handelen bij de operatie van 22 maart 2005 aangenomen moet worden.

Medisch adviseur Wolthuis is bij brief van 10 juni 2009 tot de volgende conclusie gekomen, voor zover hier van belang:

"Ik heb dus ernstige twijfels tav de vraag of de driehoek van Calot wel daadwerkelijk voldoende is vrijgelegd alvorens de vermoede ductus cysticus (welke later immers de ductus choledochus bleek te zijn) is doorgenomen."

2.9. De brief van medisch adviseur Wolthuis van 10 juni 2009 luidt verder, voor zover relevant:

"In die zin heb ik dan ook geen twijfels bij het gebruik van de kwalificatie/term in het operatieverslag waarin wordt vermeld dat achter de ductus cysticus een dunne structuur wordt gezien die de arteria cystica kan zijn en daarachter weer de leverrand.

M.i. is het inderdaad een kwestie van "semantiek" zoals de deskundige in zijn nadere antwoord aangeeft en maakt het niet veel uit of het gaat om "kan" dan wel "waarschijnlijk", de chirurg zelf was er inderdaad zelf blijkbaar van overtuigd dat hij de juiste structuur doornam.

Echter, feit is en blijft wel dat hij in werkelijkheid niet de juiste structuur doornam en dit feit op zich roept ernstige twijfels op ten aanzien van de vraag of de chirurg zich er inderdaad wel voldoende van had vergewist dat het inderdaad ging om de arterie en niet om de ductus choledochus (…).

Het enkele feit dat de ductus choledochus is doornomen en niet de ductus cysticus of de (bedoelde) arterie roept bij mij direct de vraag op of de driehoek van Callot wel daadwerkelijk (voldoende) is vrij gelegd tijdens de operatie."

2.10. Medisch adviseur Terpstra heeft bij brief van 29 augustus 2009 aan (Nostimos, een eerdere belangenbehartiger van) [A] laten weten, voor zover hier van belang:

"Duidelijk werd in het operatieverslag vermeld dat de driehoek van Callot werd vrijgeprepareerd. Daarbij kwam de ductus cysticus à vue waarachter zich een dunne structuur bevond die de arteria cystica kon zijn en daarachter de leverrand. Dit is de gebruikelijke beschrijving van de CVS-techniek c.q. het vrijprepareren van de driehoek van Callot. (…) De gebruikelijke anatomische situatie is zoals in het operatieverslag door de chirurg [B] werd beschreven; eerst de ductus cysticus, daarachter een dunnere structuur, de arteria cystica. Ik heb dan ook geen reden te betwijfelen of de bewuste driehoek inderdaad is vrijgeprepareerd."

2.11. Bij brief van 17 juni 2010 heeft medisch adviseur Terpstra aan Medirisk laten weten, voor zover hier van belang:

"(…) wil ik benadrukken dat ik de stelling dat de operateur eerder tot conversie had moeten overgaan gezien de twijfel die hij had over de aard van de structuur van de vermeende arteria cystica, zoals uit het operatieverslag blijkt ("een dunne structuur die de arteria cystica kan zijn") niet onderschrijf. Zoals bekend wordt een operatieverslag altijd achteraf gedicteerd. Op dat moment wist de operateur dat hij deze structuur verkeerd had geïnterpreteerd. had hij de vergissing niet opgemerkt durante operationem, dan zou hij ongetwijfeld in het verslag de woorden "kan zijn" vervangen hebben door "is"."

2.12. Medisch adviseur Terpstra heeft in bedoelde brief de hem gestelde vraag "Hoe kunt u verklaren dat, ondanks vrijleggen van de driehoek van Calot en de galblaashals, toch de ductus choledochus is doorgenomen?" als volgt beantwoord:

"Ik heb hier geen verklaring voor. Wel is duidelijk dat ondanks het toepassen van de Critical View of Safety (CVS)-techniek de kans op choledochusletsel, weliswaar klein, niet geheel nihil is. Ook collega Bleichrodt beaamt dit in zijn rapportage."

2.13. Bij brief van 12 juli 2010 heeft medisch adviseur Bleichrodt de door [A] gestelde vraag: "Is uit het operatieverslag op te maken of op het moment van doornemen van de choledochus de driehoek van Calot wel volledig dan wel volledig genoeg was vrijgeprepareerd?" als volgt beantwoord, voor zover hier van belang:

"Het antwoord moet ontkennend zijn, want anders was er geen letsel ontstaan. De vraag is of wat dat betreft verwijtbaar is gehandeld. (…) Het maken van een vergissing is menselijk en ook het verwarren van twee structuren is een ingecalculeerd risico. Maar de operateur schrijft dat hij twijfels heeft over de arteria cystica."

2.14. Bij brief van 4 juli 2012 heeft medisch adviseur Bleichrodt desgevraagd aan [A] laten weten, voor zover hier van belang:

"Er moeten bij een cholecystectomie altijd twee belangrijke structuren worden vrijgeprepareerd: de a. cystica (de slagader) en de d. cysticus (de galgang naar de galblaas). Beide structuren kennen talloze anatomische varianten. Het is dus oppassen geblazen. Elke twijfel over de anatomie moet aanleiding zijn om meer zekerheid te verkrijgen, hetzij door de structuren verder te indentificeren aan de hand van structuur en beloop en/of met behulp van Röntgenfoto's.

Zoals ik u al schreef heb ik geen enkele twijfel over de zorgvuldigheid van de operateur, die ongetwijfeld heeft gedacht dat hij de goede structuren kliefde. Maar in het operatieverslag staat duidelijk vermeld dat de tweede structuur de a. cystica kan zijn. Daaruit spreekt twijfel. Of die formulering is gekozen door het beloop van de operatie of omdat er echt twijfel bestond kan ik niet beoordelen. Wel staat heel duidelijk in het operatieverslag dat iets later bleek dat de tweede structuur richting de leverhilus liep. Het beloop van de tweede structuur die voor de slagader werd aangezien, maar later de galweg bleek te zijn, is dus niet goed in kaart gebracht voordat de vermeende d. cysticus is geklieft. Mijn interpretatie is dat de anatomie duidelijk had kunnen zijn voordat de structuren gekliefd werden."

3. Het geschil

3.1. [A] en Univé vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. verklaart voor recht dat Pasana aansprakelijk is voor de door [A] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de medische ingreep van 22 maart 2005, welke schade nader zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;

2. Pasana en Medirisk hoofdelijk veroordeelt, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [A] binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis van een voorschot welke wordt vastgesteld op € 10.000,00 op de nader vast te stellen materiële en immateriële schade, dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algemene voldoening;

3. Pasana en Medirisk hoofdelijk veroordeelt, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten, die zonder betekening bedragen € 131,00 en met betekening bedragen € 199,00.

3.2. Pasana en Medirisk voeren verweer met conclusie tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [A] en Univé in de kosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [A] en Univé leggen aan hun vordering ten eerste ten grondslag dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de nadelige gevolgen van de ingreep doordat chirurg [B], door abusievelijk de ductus choledochus te klieven in plaats van de ductus cysticus, toerekenbaar tekort is geschoten in zijn zorgplicht ex art. 7:453 BW. Deze stelling wordt door Pasana en Medirisk gemotiveerd betwist.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat niet elke beoordelingsfout van een hulpverlener een tekortkoming in de zin van art. 7:453 BW oplevert. Van een tekortkoming is alleen sprake wanneer de hulpverlener fouten heeft gemaakt die hij als redelijk bekwaam hulpverlener in de omstandigheden van het geval niet had mogen maken. Ter beantwoording ligt dan ook de vraag voor of chirurg [B] bij de operatie van [A] de zorg heeft betracht die de redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

4.3. [A] en Univé stellen dat chirurg [B] tijdens de operatie in twee opzichten verwijtbaar heeft gehandeld. Zij maken chirurg [B] ten eerste het verwijt dat hij de driehoek van Calot niet goed heeft vrijgeprepareerd waardoor hij de anatomie niet goed heeft doorgrond. [A] en Univé verwijten chirurg [B] ten tweede dat hij de ductus cysticus heeft gekliefd (wat de ductus choledochus bleek te zijn), terwijl hij twijfel had (moeten hebben) over de anatomie en elke twijfel over de aangetroffen anatomie aanleiding moet zijn om eerst meer zekerheid te verkrijgen alvorens te klieven. [A] en Univé baseren hun stellingen op de bevindingen van medisch adviseur Bleichrodt.

Pasana en Medirisk betwisten dat chirurg [B] de driehoek van Calot niet goed heeft vrijgeprepareerd en dat hij twijfel had (moeten hebben) over de anatomie.

4.4. De rechtbank stelt vast dat medisch adviseur Bleichrodt zijn stelling dat chirurg [B] de driehoek van Calot niet goed heeft vrijgeprepareerd, heeft ingenomen met kennis van na de operatie. In zijn brief van 12 juli 2010 (zie 2.13.) stelt medisch adviseur Bleichrodt immers dat chirurg [B] de driehoek van Calot niet goed heeft vrijgeprepareerd omdat anders het letsel niet zou zijn ontstaan. Uit de bevindingen van medisch adviseur Bleichrodt blijkt onvoldoende waarom die kennis achteraf in dit geval volstaat om te oordelen dat chirurg [B] ten tijde van de operatie heeft gehandeld in strijd met hetgeen destijds van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mocht worden verwacht. De rechtbank oordeelt dat van belang omdat het bij het vrijprepareren van de driehoek van Calot (onder meer) aankomt op het herkennen van de arteria cystica en de ductus cysticus. Medisch adviseur Bleichrodt heeft beschreven (zie 2.14.) dat het vrijprepareren van de driehoek van Calot onder meer betekent dat de arteria cystica en de ductus cysticus beide herkend moeten zijn en dat beide structuren talloze anatomische varianten kennen. Uit het rapport van medisch adviseur Terpstra (zie 2.7.) blijkt dat dit herkennen van bedoelde structuren bij laparoscopisch opereren een kwestie van interpretatie is en dat intraoperatieve beslissingen tijdens laparoscopisch opereren vrijwel altijd worden genomen op basis van waarschijnlijkheid.

Chirurg [B] heeft ter zitting verklaard dat hij een anatomisch beeld kreeg dat hij verwachtte, maar dat hij daardoor op het verkeerde been werd gezet. Dit wordt bevestigd door medisch adviseur Terpstra die in zijn rapport van 27 februari 2008 heeft vastgesteld (zie 2.6.) dat de anatomie van de structuren van [A] heeft bijgedragen aan de misinterpretatie van chirurg [B]: de ductus choledochus was zeer dun (zoals ook bij de reconstructie bleek) en de ductus cysticus was zeer kort. Medisch adviseur Terpstra komt in zijn rapport tot de conclusie dat de misinterpretatie zoals die zich heeft voorgedaan onder deze omstandigheden ieder redelijk vakbekwaam vakgenoot had kunnen overkomen. De medisch adviseur voegt daar nog aan toe dat verder vrijprepareren dan strikt noodzakelijk is om clips te plaatsen en de structuur te klieven wordt ontraden omdat daarmee de kans op letsel juist wordt vergroot. Anders dan [A] en Univé, leest de rechtbank in de stukken van medisch adviseur Bleichrodt ook niet dat hij stelt dat de enkele misinterpretatie in de gegeven omstandigheden verwijtbaar is. De verwijtbaarheid ligt volgens medisch adviseur Bleichrodt daarin dat chirurg [B] tijdens de operatie twijfels had over de anatomie (zie 2.13 en 2.14). Dat chirurg [B] verwijtbaar heeft gehandeld omdat hij tijdens de operatie twijfel had moeten hebben over de anatomie alvorens hij de ductus cysticus kliefde, wat de ductus choledochus bleek te zijn, is in deze procedure dan ook niet komen vast te staan, althans hebben [A] en Univé daarvoor onvoldoende feiten gesteld. Dit wordt anders indien komt vast te staan dat chirurg [B] tijdens de operatie daadwerkelijk twijfel had over de anatomie en desondanks de ductus cysticus kliefde, wat de ductus choledochus bleek te zijn. Dit raakt het tweede verwijt dat [A] en Univé aan chirurg [B] maken.

4.5. [A] en Univé baseren hun stelling dat chirurg [B] ten tijde van de operatie twijfelde over de anatomie op de bewoordingen van het operatieverslag (zie 2.2.) en wel op de in het verslag opgenomen regel, zakelijk weergegeven, dat de tweede structuur (de dunne structuur) de arteria cystica kan zijn.

4.6. De rechtbank volgt [A] en Univé niet in hun stelling dat in casu een louter taalkundige interpretatie van het operatieverslag leidend is voor wat zich tijdens de operatie heeft afgespeeld. De twee door [A] en Univé ingeschakelde medisch adviseurs Wolthuis en Bleichrodt hebben namelijk de stelling van chirurg [B] dat hij tijdens de operatie niet twijfelde over de anatomie, niet in twijfel getrokken. Medisch adviseur Bleichrodt heeft in zijn brief van 4 juli 2012 (zie 2.14.) geschreven dat hij geen enkele twijfel heeft over de zorgvuldigheid van de operateur, die ongetwijfeld heeft gedacht dat hij de goede structuren kliefde. Medisch adviseur Wolthuis had al eerder bij brief van 10 juni 2009 (zie 2.9) geschreven dat de chirurg zelf er blijkbaar van overtuigd was dat hij de juiste structuur doornam. Chirurg [B] heeft, als getuige ter zitting gehoord, verklaard dat hij, voordat hij ging knippen, ervan overtuigd was dat het om de ductus cysticus ging.

Daar komt bij dat chirurg [B] naar het oordeel van de rechtbank een afdoende verklaring heeft gegeven voor de wijze waarop het operatieverslag op dat punt is geredigeerd, te weten dat hij het operatieverslag na de operatie heeft opgemaakt, toen hem bekend was dat hij de structuur verkeerd had geïnterpreteerd. Dat het opmaken van een operatieverslag achteraf een gebruikelijke gang van zaken is, blijkt uit de brief van medisch adviseur Terpstra van 17 juni 2010 (zie 2.11).

4.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [A] en Univé geen feiten hebben gesteld waarop kan worden gebaseerd dat chirurg [B] tekort geschoten zou zijn in de nakoming van zijn zorgplicht ex art. 7:453. Op die rechtsgrond kan de vordering van [A] en Univé dan ook niet worden toegewezen.

4.8. [A] en Univé leggen aan hun vordering ten tweede ten grondslag dat chirurg [B] toerekenbaar tekort is geschoten in de op hem rustende verplichting om zijn patiënt voor de medische behandeling op duidelijk wijze in te lichten over de risico's van de voorgestelde behandeling. Pasana en Medirisk betwisten onder meer dat er causaal verband is tussen de (beweerde, want betwiste) schending van de informatieplicht en de schade van [A].

4.9. Artikel 7:448 BW legt op de hulpverlener de plicht om de patiënt op duidelijke wijze in te lichten over de voorgestelde behandeling. Artikel 7:450 BW bepaalt – kort weergegeven – dat voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst de toestemming van de patiënt vereist is. Een patiënt kan in beginsel slechts toestemming voor een behandeling geven indien hij daarover adequaat is geïnformeerd (de zogenaamde “informed consent”). Bij het verstrekken van informatie dient de hulpverlener zich te laten leiden door hetgeen de patiënt redelijkerwijs dient te weten ten aanzien van de aard en het doel van de behandeling, de te verwachten gevolgen en de risico’s daarvan, over eventuele alternatieven en over de vooruitzichten. Gebreken in die voorlichting door de hulpverlener brengen echter niet zonder meer mee dat de hulpverlener vervolgens jegens de patiënt aansprakelijk is voor eventuele schade die voortvloeit uit de behandeling. De informatieplicht van de hulpverlener strekt er – voor zover in dit verband van belang – toe de patiënt in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken voor het al dan niet ondergaan van de behandeling. Dat een patiënt niet voor een operatie zou hebben gekozen indien de hulpverlener niet zou zijn tekortgeschoten bij het informeren van de patiënt, kan niet zonder meer worden aangenomen. Het is aan de patiënt om te stellen, en, zo nodig, te bewijzen dat hij, indien hij op een voldoende duidelijke wijze was geïnformeerd over het aan de behandeling verbonden risico, als redelijke patiënt in de gegeven omstandigheden niet zou hebben gekozen voor deze behandeling, of dat hij om redenen van persoonlijke aard niet voor deze behandeling zou hebben gekozen.

4.10. [A] en Univé hebben niet aan die stelplicht voldaan. Pasana en Medirisk hebben bij conclusie van antwoord aangevoerd dat het een medisch geïndiceerde ingreep betreft, waarvoor een goede indicatie aanwezig was, wat ook de huisarts vond, dat de kans op verwezenlijking van risico's zoals die zijn opgetreden zeer klein is en dat de risico's doorgaans nauwelijks ingrijpend zijn, terwijl de uitgevoerde laparoscopische techniek de behandeling van eerste keus is. Chirurg [B] heeft, als getuige ter zitting gehoord, in dat kader nog verklaard dat hij vanaf de jaren 90 zo'n 500 vergelijkbare operaties heeft verricht terwijl hij tevens heeft verklaard dat er in al die jaren zich bij nog één andere operatie complicaties hebben voorgedaan. [A] en Univé hebben dat alles niet betwist, zodat van de juistheid van de stellingen van Pasana en Medirisk moet worden uitgegaan. Gelet daarop oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat [A] van de operatie zou hebben afgezien indien hij van (de mogelijkheid van) de onderhavige complicatie op de hoogte zou zijn geweest. Er is dan ook geen causaal verband tussen de beweerde schending van de informatieplicht met betrekking tot de mogelijkheid van het zich voordoen van de onderhavige complicaties en de schade van [A].

4.11. Nu [A] en Univé geen andere rechtsgronden voor hun vordering hebben aangevoerd, wordt de vordering van [A] en Univé afgewezen. [A] en Univé worden als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van Pasana en Medirisk worden vastgesteld op € 1.916,00 zijnde € 560,00 aan griffierecht en € 1.356,00 (3 punten x tarief II) aan tegemoetkoming in het salaris van de advocaat.

4.12. De overige stellingen van partijen, onder meer die ter zake van de vraag of het door medisch adviseur Terpstra uitgebrachte rapport als bindend advies moet worden aangemerkt, behoeven gelet op het vorenstaande geen bespreking.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [A] en Univé in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Pasana en Medirisk vastgesteld op € 1.916,00;

5.3. verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma, mr. Th.G. Lautenbach en mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2013.?