Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ0190

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
120080 / HA ZA 12-56
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: 120080 / HA ZA 12-156

Vonnis van 16 januari 2013

in de zaak van

[A],

wonende te [plaats],

eiseres,

procederende met toevoeging,

advocaat: mr. M.E. Scholten te Leeuwarden,

tegen

[B],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procederende met toevoeging,

advocaat: mr. R.A. Schütz te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna "[A]" en "[B]" genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het incidentele verwijzingsvonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 25 mei 2012;

- de conclusie van repliek tevens akte tot wijziging van eis;

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. De wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

2. De vaststaande feiten

In dit geding zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1. [A] is gehuwd geweest met [C] (hierna te noemen: [C]). Bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 28 september 2005 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Ten tijde van de echtscheiding hadden [A] en [C] drie minderjarige kinderen, te weten [D], [E] en [F].

2.2. Bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 21 december 2005 is bepaald dat [C] aan [A] met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de daarvoor bestemde registers, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen (kinderalimentatie) een bedrag van € 200,00 per kind per maand dient te betalen. Tevens is in deze beschikking bepaald dat [C] aan [A] aan partneralimentatie een bedrag van € 400,00 per maand dient te voldoen. [C] heeft geen rechtsmiddelen tegen deze beschikking ingesteld. Evenmin heeft hij om wijziging van de beschikking verzocht.

2.3. [C] is gehuwd met [B], zulks op huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.

2.4. [B] exploiteert in de vorm van een eenmanszaak het restaurant [X] te [plaats]. [C] is als chef-kok werkzaam in dit restaurant. [B] en [C] presenteren zich naar buiten toe gezamenlijk als "het gezicht" van het restaurant. [C] geniet voor de door hem ten behoeve van het restaurant verrichte werkzaamheden een zogenaamde meewerkbeloning. Deze meewerkbeloning beliep in 2010 een bedrag van € 15.000,- op jaarbasis.

2.5. Op verzoek van [A] heeft de deurwaarder op 15 februari 2011 de in executoriale vorm uitgegeven grosse van de sub 2.2. genoemde beschikking aan [C] betekend en aan [C] bevel gedaan om aan achterstallige partner- en kinderalimentatie te voldoen een bedrag van in totaal € 69.760,53. Tevens heeft de deurwaarder voor dit bedrag op verzoek van [A] executoriaal derdenbeslag gelegd onder [B].

2.6. [B] heeft vervolgens een op 24 november 2011 gedateerde schriftelijke verklaring derdenbeslag als bedoeld in artikel 475 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) afgelegd. Hierin heeft [B] - samengevat - verklaard dat er tussen haar en [C] een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan [C] op het tijdstip van het beslag nog iets van [B] had te vorderen, nu heeft te vorderen of nog te vorderen kan krijgen. Voorts heeft [B] verklaard dat aan [C] per jaar een bedrag van € 15.000,- toekomt als meewerkbeloning én dat deze meewerkbeloning niet wordt uitbetaald. [B] heeft als bijlage bij de verklaring een concept aangifte IB en premie volksverzekeringen 2010 van [C] - gedateerd 22 november 2011 - gevoegd, waaruit volgt dat de te betalen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen nihil bedraagt. De verklaring derdenbeslag (met bijlage) is op 23 december 2011 door [B] aan de deurwaarder verstrekt, hetgeen door de deurwaarder bij brief van 27 december 2011 aan [B] is bevestigd.

2.7. Van Wieren Vellinga Baukema Accountants en Belastingadviseurs heeft op verzoek van [B] de jaarrekening 2010 van restaurant [X] opgesteld, bestaande uit de balans per 31 december 2010 en de winst- en verliesrekening over 2010 met toelichting. Bij het resultaat over 2010 staat als meewerkbeloning het eerder genoemde bedrag van

€ 15.000,- vermeld. In de toelichting op de winst- en verliesrekening over 2010 vermeldt de accountant deze meewerkbeloning eveneens, met als toevoeging fiscale partner.

2.8. De deurwaarder heeft [B] bij brief van 17 januari 2012 meegedeeld dat [A] niet kan instemmen met de door [B] afgelegde verklaring derdenbeslag, aangezien het door [B] opgegeven salaris van [C] (volgens [A]) niet als een redelijke vergoeding voor de verrichte werkzaamheden kan worden aangemerkt.

2.9. Voormelde accountant heeft [C] bij brief van 29 maart 2012 onder meer meegedeeld:

"Vanaf het jaar 2008 bent u met uw echtgenote, mevrouw[C]-[B], een meewerkovereenkomst overeengekomen. Deze overeenkomst ziet op de door u verrichte werkzaamheden in restaurant 'Eten en drinken bij [X]' te [plaats], i.c. de onderneming van uw echtgenote.

Deze meewerkbeloning wordt niet feitelijk door uw echtgenote overgemaakt naar een bankrekening. Wel wordt de meewerkbeloning jaarlijks boekhoudkundig verwerkt in de financiële administratie van het restaurant. In het accountantsrapport treft u onder de rubriek 'personeelskosten' deze boeking aan. Het feitelijk niet uitbetalen van deze meewerkbeloning is verder verwerkt als een privé storting door uw echtgenote in haar onderneming.

Gevolg hiervan is dat in eerste instantie een jaarlijkse schuldpositie ontstaat van uw echtgenote naar u. Aangezien u verder geen financiële bijdrage levert aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding wordt er - naar wij destijds van u samen hebben begrepen - vervolgens door u en uw echtgenote een verrekening toegepast, waarmee u elkaar over en weer kwijting verleent voor de schuld met betrekking tot de meewerkbeloning respectievelijk het aandeel in de huishoudelijke uitgaven."

3. Het geschil

3.1. [A] vordert - na wijziging van eis - dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [B] veroordeelt:

I. een schriftelijke en door haar ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen met inachtneming van hetgeen [A] in de dagvaarding heeft gesteld, van hetgeen zij van [C] onder zich heeft en/of aan hem verschuldigd is en/of uit de reeds bestaande rechtsverhouding van [C] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [C] verschuldigd zal worden;

II. nadat die verklaring zal zijn afgelegd en door de rechtbank Leeuwarden zal zijn bepaald hetgeen [B] onder zich heeft en/of aan [C] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [C] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [C] verschuldigd zal worden - tot het tenuitvoerlegging af en overdragen van zodanige gelden en of goederen voor zover deze niet overtreffen het totale bedrag dat [A] ingevolge voormelde beschikking van [C] te vorderen heeft;

III. in geval de rechter de door [B] buitengerechtelijke verklaring ondanks betwist zien door [A] juist mocht achten onder aftrek van of tegen voldoening van de aan de zijde van [B] gemaakte kosten tot het doen der gerechtelijke verklaring en in het geval dat de rechter de buitengerechtelijke verklaring van [B] onjuist en/of onvolledig mocht achten met veroordeling van [B] in de kosten gevallen op de verbetering van haar verklaring, alsmede [B] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. [B] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [A] - onder veroordeling van [A] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het geding.

4. Het standpunt van [A]

4.1. [A] betwist de door [B] afgelegde verklaring derdenbeslag, althans zij acht deze verklaring onvolledig, omdat de benodigde justificatoire bescheiden ontbreken.

4.2. [B] heeft - hoewel zij gehouden was om haar verklaring met zoveel mogelijk feitelijke gegevens te staven - geen enkel stuk overgelegd waaruit kan blijken dat de verklaring die zij heeft afgelegd juist was. Het bijvoegen van een conceptversie van een aangifte IB 2010 is in dat verband onvoldoende, aldus [A]. Evenmin zijn er volgens [A] stukken met betrekking tot de onderneming van [B] gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel, zodat [A] langs die weg ook geen informatie heeft kunnen verkrijgen. Voor [A] waren er na het afleggen van de verklaring derdenbeslag door [B] dan ook onvoldoende aanknopingspunten om (de juistheid van) de meewerkvergoeding van [C], ad € 15.000,-, te kunnen bepalen.

4.3. Het door [B] genoemde bedrag aan meewerkvergoeding kan naar de mening van [A] niet als geloofwaardig worden beschouwd. [C] profileert zich immers als mede-eigenaar van de onderneming en er dient tegenover zijn werkzaamheden een (redelijke) vergoeding voor zijn arbeidsinspanningen te staan, (minimaal) corresponderend met de salarissen voor een chef-kok zoals genoemd in de CAO Horeca. De meewerkvergoeding is louter uit fiscaal oogpunt op een bedrag van € 15.000,- gesteld. De werkzaamheden die [C] op structurele basis doet, worden gewoonlijk tegen betaling verricht. In dit verband verwijst [A] naar het bepaalde in artikel 479a Rv inzake het aannemen van een redelijke vergoeding voor verrichte werkzaamheden/diensten ingeval een schuldeiser voor een vordering verhaal zoekt en er sprake is van een onevenredig lage vergoeding voor verrichte werkzaamheden. Op basis daarvan kan een redelijke vergoeding voor de door [C] verrichte werkzaamheden worden gefingeerd, waarop [A] zich kan verhalen. Voorts is volgens [A] het voeren van een rekening-courant waarschijnlijk en is het aannemelijk dat er privé-onttrekkingen plaatsvinden ten behoeve van het gemeenschappelijke huishouden van [B] en [C] of ten behoeve van een inkomens- of pensioenvoorziening. [B] dient naar de mening van [A] nader inzage te geven in al deze financiële zaken. Bij gebreke van voldoende informatie kan [A] naar eigen zeggen niet anders dan in algemene termen de juistheid van de door [B] afgelegde verklaring betwisten. De gefingeerde redelijke vergoeding dient volgens [A] tenminste te worden gesteld op de opgevoerde meewerkvergoeding, vermeerderd met een deel van de privé-onttrekkingen.

4.4. Ten slotte wijst [A] er op, dat zij door de verrekening van de meewerkvergoeding met de kosten van de gemeenschappelijke huishouding als schuldeiser wordt benadeeld. De gekozen constructie van huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen, fiscale meewerkvergoeding en verrekening met gesloten beurzen moet worden beschouwd als een bewuste poging van om aan de op [C] rustende alimentatieverplichtingen te ontkomen, aldus [A].

5. Het standpunt van [B]

5.1. [B] stelt allereerst dat [A] niet-ontvankelijk is in haar vordering, nu de vordering betwisting verklaring derdenbeslag niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twee maanden na het doen van de verklaring is ingesteld.

5.2. [B] heeft aan haar verplichtingen ten aanzien van het afleggen van de verklaring derdenbeslag voldaan. Zij heeft haar verklaring, zoals de wet voorschrijft, met zoveel mogelijk feitelijke gegevens onderbouwd. De aangifte IB 2010 van [C] was ten tijde van het doen van de verklaring nog slechts in conceptvorm beschikbaar. [B] kon dan ook geen definitieve aangifte bij de verklaring voegen. Voorts is de meewerkvergoeding alsmede de hoogte hiervan in de verklaring derdenbeslag vermeld. [B] wijst er tevens op dat [A] na het doen van de verklaring derdenbeslag niet om nadere stukken heeft gevraagd, terwijl er tussen het doen van de verklaring derdenbeslag en de dag der dagvaarding geruime tijd is verstreken. Er is dan ook geen sprake van een situatie dat [B] zou hebben geweigerd om bepaalde stukken aan [A] te overleggen. Pas wanneer er expliciet om bepaalde nadere stukken wordt gevraagd na het doen van de verklaring derdenbeslag en er wordt geweigerd om die stukken te overleggen, kan degene die de verklaring derdenbeslag heeft afgelegd in rechte worden betrokken door de executant.

5.3. Voorts stelt [B] dat een meewerkbeloning een volstrekt gebruikelijke en legitieme wijze is om gebruik te maken van fiscale beloningsmogelijkheden. Er bestaat geen verplichting voor [B] om de meewerkbeloning feitelijk uit te betalen. De meewerkbeloning staat ook in de door de accountant opgestelde jaarstukken van de onderneming van [B] vermeld. De hoogte van de meewerkbeloning is in goed overleg en met instemming van de accountant bepaald. Het is niet aan [A] om te bepalen welke juridische verhouding [B] en [C] met elkaar overeenkomen. [B] hoeft geen beloning aan [C] te betalen ter hoogte van het inkomen van een chef-kok en zij hoeft de meewerkvergoeding ook niet feitelijk uit te betalen aan [C]. [B] behoeft, anders dan [A] blijkbaar meent, [C] niet in loondienst te nemen om aldus zorg te dragen voor een situatie dat [A] als schuldeiser verhaal kan nemen op [C]. Het stond [B] en [C] eveneens vrij om overeen te komen dat de meewerkvergoeding wordt verrekend met de verplichting van [C] om mee te betalen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Artikel 479a Rv ziet volgens [B] niet op de situatie van gehuwden waarbij een echtgenoot meewerkt in de onderneming zonder salaris en waarbij alleen sprake is van een fiscale meewerkbeloning. In elk geval staat het 2e lid van genoemd wetsartikel in de weg aan het bepalen van een (redelijke) vergoeding waarop [A] zich kan verhalen, aldus [B].

5.4. Omdat [C] geen mede-eigenaar is van de onderneming bestaat er geen rekening-courantverhouding met hem en onttrekt hij ook niets aan de onderneming. [C] kan deze zaken dan ook niet, zoals [A] verlangt, (nader) aantonen. De

- door [B] gedane - onttrekkingen staan in de jaarstukken van de onderneming vermeld.

5.5. Ten slotte stelt [B] dat de punten II. en III. van het petitum van de dagvaarding zodanig onbegrijpelijk althans onduidelijk zijn geformuleerd, dat deze delen van de vordering als onvoldoende bepaalbaar moeten worden afgewezen (obscuur libel).

6. De beoordeling van het geschil

6.1. De rechtbank verwerpt het door [B] opgeworpen ontvankelijkheidsverweer. Daartoe wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 477a lid 2 Rv is de executant bevoegd om, indien de derde-beslagene een verklaring heeft afgelegd, deze verklaring geheel of ten dele te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen door de derde binnen twee maanden na zijn verklaring te dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling van de rechter aan de executant zal blijken toe te komen. Overschrijding van deze termijn doet deze bevoegdheid vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank begint genoemde termijn van twee maanden pas te lopen na ontvangst van de door de derde-beslagene afgelegde verklaring executoriaal derdenbeslag door de executant (artikel 3:37 BW). Weliswaar is in het onderhavige geval de door [B] gedane verklaring derdenbeslag (reeds) op 24 november 2011 (door haar) gedateerd, maar [A] heeft onweersproken gesteld dat de deurwaarder deze verklaring pas op 23 december 2011 van [B] heeft ontvangen. Eerst op dát moment is naar het oordeel van de rechtbank de hiervoor genoemde wettelijke termijn voor het in rechte instellen van een vordering tot betwisting/aanvulling van de verklaring derdenbeslag gaan lopen. De dagvaarding van [A] is op 21 februari 2012 uitgebracht, derhalve (net) binnen de wettelijke termijn van twee maanden.

6.2. De rechtbank overweegt dat de formulering van de door [A] ingestelde vorderingen niet geheel uitblinkt in duidelijkheid. Anders dan [B] meent, is er echter geen sprake van een zgn. "obscuur libel". De rechtbank begrijpt de vorderingen van [A] aldus, dat zij vordert dat [B] alsnog een (gerechtelijke) verklaring executoriaal derdenbeslag aflegt, dat de rechtbank vervolgens op grond van die verklaring bepaalt welk bedrag [B] aan [C] verschuldigd is en dat de rechtbank uiteindelijk bepaalt dat [B] dit bedrag aan [A] dient af te dragen.

6.3. De derde-beslagene dient zijn verklaring op grond van artikel 476a lid 2 en artikel 476b Rv zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden. Echter, dat betekent niet dat de derde-beslagene in een betwistings-/aanvullingsprocedure de bewijslast heeft. Op de beslaglegger rust de bewijslast van de stelling dat de schuldenaar een vordering heeft op de derde-beslagene. Daaruit volgt tevens dat de bewijslast van de stelling dat de door de derde-beslagene afgelegde verklaring onjuist of onvolledig is, op de beslaglegger rust (vgl. HR 13 februari 2009, NJ 2009, 106).

6.4. Niet geoordeeld kan worden dat de door [B] afgelegde verklaring derdenbeslag onjuist of onvolledig is. Genoegzaam is komen vast te staan dat [C] en [B] zijn overeengekomen dat [C] voor de door hem als chef-kok in het restaurant van zijn (huidige) echtgenote [B] verrichte werkzaamheden een meewerkbeloning ter hoogte van € 15.000,- toekomt, met dien verstande dat deze meewerkbeloning feitelijk niet wordt uitbetaald aan [C]. (De beloningsconstructie blijkt overigens eveneens uit de door de accountant opgestelde jaarrekening 2010 van de onderneming van [B].) In de verklaring derdenbeslag heeft [B] deze beloningsconstructie naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk vermeld. Immers, zij erkent daarin - kort gezegd - dat er een rechtsverhouding tussen haar en [C] bestaat uit hoofde waarvan [C] iets te vorderen heeft, zij specificeert dit vervolgens nader door de meewerkbeloning te vermelden en tevens noemt zij de hoogte van de meewerkbeloning (ad € 15.000,-) en dat deze feitelijk niet wordt uitbetaald. Voorts is niet gebleken dat [B] andere (onderliggende) bescheiden kon overleggen dan zij bij haar verklaring heeft gedaan. Daarmee heeft [B] naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate aan haar verplichtingen in het kader van het afleggen van de verklaring derdenbeslag voldaan. Dat [A] meent dat de meewerkbeloning niet als een redelijke beloning kan worden aangemerkt, betekent niet dat de verklaring van [B] ondeugdelijk is. De kwestie van de redelijke beloning voor de door [C] verrichte werkzaamheden kan slechts in het kader van het door [A] (tevens) gedane beroep op artikel 479a Rv aan de orde komen. De rechtbank overweegt voorts dat [A] - op wie ten deze stelplicht en bewijslast rusten - geen begin van onderbouwing heeft gegeven van haar stellingen dat "het voeren van een rekening-courant waarschijnlijk is en is het aannemelijk dat er privé-onttrekkingen plaatsvinden ten behoeve van het gemeenschappelijke huishouden van [B] en [C] of ten behoeve van een inkomens- of pensioenvoorziening." Bovendien heeft [B] deze stellingen uitdrukkelijk betwist. Gelet op een en ander acht de rechtbank [B] niet gehouden om terzake nadere informatie aan te dragen.

6.5. Uit het vorenstaande volgt dat [B] niet gehouden is om de door [A] gevorderde gerechtelijke verklaring af te leggen. De betreffende vordering zal dan ook worden afgewezen.

6.6. De tweede vordering van [A] strekt er in de kern toe dat de rechtbank vaststelt welk bedrag [B] als derde-beslagene aan [C] verschuldigd is. Voor zover deze vordering is gegrond op de gestelde onjuistheid/onvolledigheid van de door [B] afgelegde verklaring derdenbeslag, is deze - zo volgt uit het sub 6.4. en 6.5. vorenoverwogene - niet toewijsbaar.

6.7. De vordering van [A] is evenwel tevens gegrond op artikel 479a lid 1 Rv.

6.7.1. Ingevolge dit wetsartikel wordt, ingeval een schuldeiser voor een vordering verhaal zoekt op een schuldenaar, die om niet of tegen een onevenredig lage vergoeding geregeld werkzaamheden of diensten voor een derde verricht welker aard en omvang zodanig zijn, dat zij gewoonlijk slechts tegen betaling worden verricht, ten behoeve van die schuldeiser aangenomen, dat daarvoor een redelijke vergoeding verschuldigd is. Uit het tweede lid van voormeld wetsartikel volgt dat bij de beoordeling van de vraag of het in het eerste lid bedoelde geval zich voordoet en, zo ja, welke vergoeding als redelijk aangenomen moet worden, alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, in het bijzonder de aard van de verrichte werkzaamheden of diensten, de betrekkingen van verwantschap of van andere aard tussen de schuldenaar en de derde en de financiële draagkracht van deze laatste (zie ook HR 3 mei 1996, NJ 1996, 654).

6.7.2. Blijkens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat geleid heeft tot invoeging van art. 479a bis, thans 479a in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering strekt deze regeling ertoe te voorkomen dat een schuldenaar zich aan verhaal in de vorm van loonbeslag onder een derde onttrekt door voor te wenden dat hij het werk, dat hij ten behoeve van de derde-beslagene verricht en dat naar maatschappelijk gebruik betaald pleegt te worden, om niet verricht of dat de derde - veelal zijn echtgenote - als tegenprestatie volstaat met in zijn onderhoud te voorzien (Kamerstukken II 1954/55, 3838, nr. 3). Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de stelling van [B] dat artikel 479a Rv niet ziet op de situatie waarin de ene echtgenoot meewerkt in de onderneming van de ander moet worden verworpen.

6.7.3. Bij de beantwoording van de vraag of de situatie zoals genoemd in het eerste lid van artikel 479a Rv zich voordoet, acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang. [C] en [B] zijn met elkaar gehuwd en zijn gemeenschappelijk werkzaam ten behoeve van de onderneming van [B]. [C] bekleedt binnen deze onderneming sinds enkele jaren de functie van chef-kok. Een dergelijke functie wordt gewoonlijk slechts tegen betaling van loon verricht. Niet gebleken is dat aard en omvang van de functie van [C] als chef-kok binnen de onderneming zodanig gering zijn, dat er geen loon verschuldigd zou zijn. Aangenomen mag worden dat [C] voltijds werkzaam is als chef-kok. Partijen zijn als vergoeding voor de door [C] verrichte werkzaamheden een vergoeding van € 15.000,- op jaarbasis overeengekomen, met dien verstande dat deze niet wordt uitbetaald, doch wordt verrekend met de voor rekening van [B] komende kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Per saldo ontvangt [C] dus géén vergoeding voor zijn werkzaamheden als chef-kok. Een dergelijke situatie, waarbij er feitelijk geen salaris aan [C] wordt uitbetaald, waardoor er voor een schuldeiser geen mogelijkheid tot verhaal op deze vergoeding is, maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank (bij uitstek) sprake van een situatie als bedoeld in artikel 479a lid 1 Rv. Aan het vorenstaande kan niet afdoen dat het toekennen van een meewerkbeloning aan de meewerkende echtgenoot (onder omstandigheden) fiscaal toelaatbaar is. Die omstandigheid laat het verhaalsrecht van een schuldeiser ex artikel 479a Rv naar het oordeel van de rechtbank onverlet. Aldus dient er een redelijke vergoeding voor de door [C] verrichte werkzaamheden te worden vastgesteld.

6.7.4. De volgende vraag die dan voorligt, is welke vergoeding voor de door [C] in de onderneming van [B] verrichte werkzaamheden als redelijk moet worden aangenomen. Hierbij kan naar het oordeel van de rechtbank niet louter worden gekeken naar de beloning van een chef-kok conform de van toepassing zijnde CAO. [C] is immers geen reguliere werknemer. Er is sprake van een situatie waarin twee echtgenoten (zij het voor rekening van één van hen) gezamenlijk een restaurant runnen en waaruit inkomsten dienen te worden verworven. De te verwerven inkomsten hangen uiteraard samen met de bedrijfsresultaten. Tegen die achtergrond acht de rechtbank bij het bepalen van de redelijke vergoeding mede van belang welke bedrijfsresultaten de onderneming van [B] sinds de indiensttreding van [C] heeft geboekt. Gelet op een en ander zal de rechtbank [B] opdragen om bij akte, zoveel mogelijk aan de hand van onderliggende bescheiden, nadere informatie te verschaffen omtrent:

- de datum van indiensttreding van [C];

- de jaarlijkse bedrijfsresultaten van de onderneming vanaf de indiensttreding van [C] tot heden;

- haar financiële draagkracht vanaf de indiensttreding van [C] tot heden, mede in het licht van de jaarlijkse bedrijfsresultaten.

Partijen worden er hierbij op gewezen dat het executoriaal derdenbeslag zich ten behoeve van de beslaglegger mede uitstrekt tot de in artikel 479a Rv bedoelde vergoeding voor werkzaamheden of diensten die door de schuldenaar zijn verricht vóór het leggen van het beslag (zie HR 27 juni 1997, JOR 1997, 103).

6.7.5. [A] zal hierna bij antwoord-akte kunnen reageren.

6.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7. De beslissing

De rechtbank:

7.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van 13 februari 2013 voor akte uitlating aan de zijde van [B] inzake hetgeen hiervoor sub 6.7.4. is overwogen;

7.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.G. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.?