Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BY9082

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-01-2013
Datum publicatie
22-01-2013
Zaaknummer
17/980002-11 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belastingambtenaar heeft zich met medewerking van een tweetal anderen bedragen aan omzetbelasting toegeëigend. Met de verworven geldbedragen zijn vervolgens sierraden en munten gekocht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 14a
Wetboek van Strafrecht 14b
Wetboek van Strafrecht 14c
Wetboek van Strafrecht 22b
Wetboek van Strafrecht 22c
Wetboek van Strafrecht 22d
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 48
Wetboek van Strafrecht 55
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Parketnummer: 17/980002-11

datum uitspraak: 21 januari 2013

op tegenspraak

Raadsman: mr. T.P. Schut, advocaat te Amsterdam

VONNIS van de rechtbank Noord-Nederland, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, zitting houdende te vestiging Leeuwarden, in de zaak tegen:

[verdachte 3],

geboren op [datum] 1961 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats en adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 oktober 2011, 16 januari 2012, 4 juni 2012 en 7 januari 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

[verdachte 1], op of omstreeks 22 juli 2010 en/of 23 juli 2010 en/of 26 juli 2010, althans in de periode van 1 tot en met 30 juli 2010, te Apeldoorn en/of Leeuwarden en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen,

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de belastingdienst

heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en) (tot een totaal van ongeveer EUR 432.183), in elk geval enig goed, hierin bestaande dat

verdachte (telkens) tezamen met één of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

vier, althans één of meer(dere), opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid opgemaakte formulier(en) 'Wijziging rekeningnummer ondernemers',

ten name van:

- [betrokkene 1]; en/of

- [betrokkene 2]; en/of

- [betrokkene 3]; en/of

- [betrokkene 4],

heeft ingeleverd/ingezonden bij/naar, althans doen toekomen aan (de) Inspecteur(s) der belastingen of de belastingdienst,

waardoor de belastingdienst werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven,

zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 28 februari 2011, te Badhoevedorp en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft zij, verdachte,

[verdachte 1] en/of [verdachte 2] in het bezit gesteld van en/of gebruik laten maken van een of meer op haar naam gestelde bankrekening(en) (en het/de daarbij behorende

rekeningnummer(s) en/of bankpas(sen) met pincode en/of random reader(s) en/of e.dentifier(s));

artikel 48 aanhef en onder 2 Wetboek van Strafrecht

artikel 326 Wetboek van Strafrecht

en

[verdachte 1], op of omstreeks 22 juli 2010, te Apeldoorn en/of Leeuwarden en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen,

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de belastingdienst

heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed,

hierin bestaande dat verdachte tezamen met één of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

één, opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid opgemaakte formulier 'Wijziging rekeningnummer ondernemers',

ten name van:

- [betrokkene 5]

heeft ingeleverd/ingezonden bij/naar, althans doen toekomen aan (de) Inspecteur(s) der belastingen of de belastingdienst,

waardoor de belastingdienst werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven,

zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 28 februari 2011, te Badhoevedorp en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft zij, verdachte,

[verdachte 1] en/of [verdachte 2] in het bezit gesteld van en/of gebruik laten maken van een of meer op haar naam gestelde bankrekening(en) (en het/de daarbij behorende rekeningnummer(s) en/of bankpas(sen) met pincode en/of random reader(s) en/of e.dentifier(s));

artikel 45, lid 1 Wetboek van Strafrecht

artikel 48 aanhef en onder 2 Wetboek van Strafrecht

artikel 326 Wetboek van Strafrecht

2.

[verdachte 1] en/of [verdachte 2], op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 8 augustus 2010 tot en met heden, te Leeuwarden en/of Badhoevedorp en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) toen en

daar krachtens die gewoonte,

(telkens) van één of meer geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden

munt(en), althans enig(e) voorwerp(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren op dat/die geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) en/of verborgen en/of verhuld wie dat/die geldbedrag(en) en/of

gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

dat/die geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden

munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven,

zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 28 februari 2011, e Badhoevedorp en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,

immers heeft zij, verdachte,

[verdachte 1] en/of [verdachte 2] in het bezit gesteld van en/of gebruik laten maken van een of meer op haar naam gestelde bankrekening(en) (en het/de daarbij behorende rekeningnummer(s) en/of bankpas(sen) met pincode en/of random reader(s) en/of e.dentifier(s));

artikel 48 aanhef en onder 2 Wetboek van Strafrecht

artikel 420bis, lid 1 en onder a en b Wetboek van Strafrecht

artikel 420ter Wetboek van Strafrecht

3.

Zij, op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 28 februari 2011, te Leeuwarden en/of Badhoevedorp en/of elders in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie,

waarvan behalve zij, verdachte,

- [verdachte 1]; en/of

- [verdachte 2]; en/of

- (een) ander(en),

al dan niet in wisselende samenstelling, deel uitmaakte(n),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrij(f)(ven), te weten:

- het plegen van valsheid in geschrift (als bedoeld in artikel 225, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht); en/of

- het plegen van oplichting (als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht); en/of

- het plegen van witwassen (als bedoeld in artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht);

althans enig misdrijf;

artikel 140, lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Overwegingen ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank stelt vast dat onder feit 1, 2e deel aan de verdachte is ten laste gelegd dat [verdachte 1] "ter uitvoering" van een door hem voorgenomen misdrijf diverse feitelijke handelingen heeft verricht "waardoor de Belastingdienst werd bewogen tot afgifte [van een geldbedrag]". Dit is innerlijk tegenstrijdig, nu het eerste deel van de tenlastelegging lijkt te zijn toegesneden op een poging, terwijl "werd bewogen tot afgifte" impliceert dat het delict is voltooid. Overigens ontbreekt in de tenlastelegging nog de voor de kwalificatie noodzakelijke zinsnede "terwijl de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid", hetgeen er des te meer op wijst dat de steller van de tenlastelegging twee varianten door elkaar heeft gehaald.

Het voorgaande betekent dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1, 2e deel nietig is.

Standpunt van de verdediging

Ter zitting heeft de raadsman van verdachte - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen ten aanzien van alle feiten nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de feit 1, 1e deel en 2:

De verdachte [verdachte 3] heeft tegenover de FIOD verklaard dat zij in het voorjaar van 2010 via internet benaderd is door een haar verder onbekend persoon, naar aanleiding van een door haar geplaatste advertentie op Marktplaats, waarin zij een oproep had gedaan voor een geldlening. Op verzoek van deze persoon, die zich voorstelde als [naam], heeft zij een aantal bankrekeningen geopend en de bijbehorende bescheiden (bankpassen, reader voor internetbankieren) aan een man - naar later is gebleken: de verdachte [verdachte 2] - meegegeven. Voor deze handelingen heeft zij een vergoeding van in totaal € 2.750,-- gekregen.

De verdachte heeft aangegeven dat zij twee rekeningen geopend heeft, één bij de ING en één bij de SNS Bank, terwijl uit het onderzoek van de FIOD is gebleken dat er drie rekeningen op haar naam staan. Nu de verdachte uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij geen identiteitspapieren heeft afgestaan, terwijl deze wel nodig zijn voor het openen van een bankrekening, gaat de rechtbank er vanuit dat alle drie de rekeningen toch door de verdachte zijn geopend. Overigens merkt de rechtbank op dat ook indien aangenomen zou moeten worden dat anderen misbruik hebben gemaakt van haar identiteit om de derde rekening te openen, dit in haar risicosfeer valt, nu zij dit door haar hierboven beschreven handelen in de hand heeft gewerkt.

Vast staat dat de door de verdachte [verdachte 3] geopende bankrekeningen gebruikt zijn voor een omvangrijke fraude met gelden van de Belastingdienst. In die zin is zij bij deze fraude behulpzaam geweest. Op grond van de stukken kan wel worden aangenomen dat de verdachte niet op de hoogte was van de exacte bedoelingen van diegenen aan wie zij haar rekeningen ter beschikking heeft gesteld. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden - een onbekende opdrachtgever, het afstaan van alle zeggenschap over meerdere rekeningen, aanzienlijke vergoedingen voor weinig werk - bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door haar geopende rekeningen zouden worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, waaronder de oplichting en het witwassen zoals die onder feit 1 en 2 zijn omschreven. Met betrekking tot dat laatste merkt de rechtbank overigens op dat het in dit geval alleen kan gaan om de gelden die op de door de verdachte geopende bankrekeningen zijn gestort; dat hiermee vervolgens door de andere verdachten munten of sieraden zijn aangeschat kan haar in redelijkheid niet verweten worden en valt buiten het bereik van de medeplichtigheid.

De rechtbank acht de feiten 1, 1e deel en 2 in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3:

Van deelneming aan een criminele organisatie is sprake wanneer de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat er sprake is van een zodanige organisatie en dat deze organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (aldus het arrest van de Hoge Raad van 18 november 1997 (NJ 1998, 225). Hoewel de verdachte ermee bekend was dat er in ieder geval twee personen betrokken waren bij de gang van zaken rond het verkrijgen van haar bankrekeningen - de opdrachtgever die zich [naam] noemde en de verdachte [verdachte 2] die de betreffende bescheiden kwam ophalen (en die zij heeft zien bellen met de opdrachtgever) - kan op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet gezegd worden dat de verdachte wist (en niet slechts redelijkerwijs kon vermoeden) dat deze personen deel uitmaakten van een gestructureerd samenwerkingsverband dat tot doel had om misdrijven te plegen.

De rechtbank zal de verdachte daarom van het onder feit 3 tenlastegelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. 1e deel

[verdachte 1], in de periode van 1 tot en met 30 juli 2010, te Apeldoorn en/of Leeuwarden, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de belastingdienst heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen (tot een totaal van ongeveer EUR 432.183),

hierin bestaande dat [verdachte 1] telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - vier, opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met

de waarheid opgemaakte formulieren 'Wijziging rekeningnummer ondernemers',

ten name van:

- [betrokkene 1], en

- [betrokkene 2], en

- [betrokkene 3], en

- [betrokkene 4],

heeft doen toekomen aan de Inspecteur(s) der belastingen of de belastingdienst, waardoor de belastingdienst werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,

tot het plegen van welke misdrijven, zij, verdachte, in de periode van 1 april 2010 tot en met 28 februari 2011, te Badhoevedorp en/of elders in Nederland, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, immers heeft zij, verdachte, [verdachte 1] en/of [verdachte 2] in het bezit gesteld van en/of gebruik laten maken van een of meer op haar naam gestelde bankrekeningen en de daarbij behorende rekeningnummers en bankpassen met pincode en

random reader(s) en/of e.dentifier(s).

2.

[verdachte 1] en [verdachte 2], op tijdstippen in de periode van 8 augustus 2010 tot en met 28 februari 2011, te Leeuwarden en elders in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt, immers hebben [verdachte 1] en [verdachte 2] toen en daar toen en daar krachtens die gewoonte, telkens van geldbedragen de werkelijke aard en de herkomst en de vervreemding en de verplaatsing verborgen en verhuld wie die geldbedragen , voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl [verdachte 1] en [verdachte 2] wisten, dat die geldbedragen, - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

tot het plegen van welke misdrijf, zij, verdachte, in de periode van 1 april 2010 tot en met 28 februari 2011, te Badhoevedorp en/of elders in Nederland, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, immers heeft zij, verdachte, [verdachte 1] en/of [verdachte 2] in het bezit gesteld van en/of gebruik laten maken van een of meer op haar naam gestelde bankrekeningen en de daarbij behorende rekeningnummers en bankpassen met pincode en

random reader(s) en/of e.dentifier(s).

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Door een kennelijke vergissing staat in het onder 1 tenlastegelegde "hierin bestaande dat verdachte" in plaats van "hierin bestaande dat [verdachte 1]" en in het onder 2 tenlastegelegde "immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s)" in plaats van "immers hebben [verdachte 1] en [verdachte 2]" en "terwijl hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s))" in plaats van "terwijl [verdachte 1] en [verdachte 2]". De rechtbank gaat telkens van het laatste uit. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank heeft daarnaast de overig in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten te beschouwen als ccndaadse samenloop op:

Onder 1, 1e deel:

Medeplichtigheid aan medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

Onder 2:

Medeplichtigheid aan medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten alsmede de vordering van de officier van justitie.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan wat uiteindelijk een omvangrijke fraude met belastinggelden is geworden. Zij heeft, tegen betaling, voor een ander op haar naam een aantal bankrekeningen geopend, die vervolgens gebruikt zijn om de via fraude verkregen geldbedragen op te storten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte op deze wijze voor haar opdrachtgever een wezenlijke bijdrage geleverd aan de later gepleegde misdrijven.

Betrokkenheid bij een fraude van deze omvang dient in beginsel te worden bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal echter rekening houden met de beperkte rol die de verdachte in het geheel heeft gespeeld en met het aanzienlijke tijdsverloop sinds de strafbare feiten zijn gepleegd. Voor zover de rechtbank heeft kunnen nagaan is de verdachte nadien ook niet meer met politie of justitie in aanraking gekomen.

De raadsman heeft ter zitting, in reactie op de eis van de officier van justitie, aangegeven dat de verdachte arbeidsongeschikt is en derhalve verzocht om bij een eventueel op te leggen werkstraf daarmee rekening te houden. Nu de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen om haar beperkingen nader toe te lichten en er door de verdediging evenmin (medische) gegevens ter onderbouwing zijn overgelegd, kan de rechtbank zich echter geen oordeel vormen over de vraag of in hoeverre deze omstandigheid gevolgen moet hebben voor de hoogte van de op te leggen straf. Mede in aanmerking genomen het gegeven dat de reclassering bij de uitvoering van de werkstraf rekening kan en zal houden met eventuele beperkingen, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie, die haar ook overigens in het licht van de ernst van de feiten passend en geboden voorkomt.

Verbeurdverklaring

De officier van justitie heeft met inachtneming van artikel 34, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht gevorderd dat de door de verdachte voor haar diensten ontvangen gelden worden geschat op € 2.750,-- en de verbeurdverklaring van voornoemd geldbedrag gevorderd.

Het door de officier van justitie bedoelde artikel stelt regels omtrent de verbeurdverklaring van niet inbeslaggenomen voorwerpen. Voorwaarde is derhalve dat het (fysieke) bestaan van het voorwerp wel is aangetoond. In dit geval gaat het echter om het totaalbedrag van een aantal vergoedingen die de verdachte blijkens de stukken jaren geleden heeft ontvangen, maar die ongetwijfeld reeds lang zullen zijn uitgegeven en die in elk geval niet als stoffelijk voorwerp bij de verdachte (of elders) zijn aangetroffen. Voor het afnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals de officier van justitie wellicht voor ogen heeft gehad bij zijn vordering, bestaat de aparte procedure van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. In ieder geval ziet de bepaling van artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht naar het oordeel van de rechtbank niet op de situatie die hier aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen

14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 47 lid 1 aanhef en onder 1, 48 aanhef en onder 2, 55 lid 1 en 326 het Wetboek van Strafrecht

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding voor wat betreft het onder 1, 2e deel tenlastegelegde nietig;

- verklaart het onder 1, 1e deel en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het onder 3 en meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt de verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 180 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag die de veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.H.A. Fransen, voorzitter, L.W. Janssen en

J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 januari 2013.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.