Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BY8200

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
137947/KG ZA 12-368
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Strafrechtelijke ontruiming van kraakpand.

Uit het arrest van 28 oktober 2011 van de HR (LJN BQ9880) vloeit voort dat de voorzieningenrechter in de onderhavige procedure naast de wederrechtelijkheid tevens heeft te toetsen of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang van het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker, in het concrete geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Die belangenafweging kan alleen plaatsvinden als de kraker feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt zal hebben te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.

In het geval een eigenaar echter geen enkel belang heeft bij de ontruiming en deze alleen maar zal leiden tot langdurige leegstand, zonder enig uitzicht op verandering in die situatie, kan de belangenafweging mogelijk in het voordeel van de kraker uitvallen. Voor de Staat geldt dat slechts in uitzonderlijke gevallen zal kunnen worden geoordeeld dat aan handhaving van een in het strafrecht vastgelegde norm voldoende belang voor de Staat zal ontbreken.

In casu valt de belangenafweging uit ten nadele van de kraker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie: Groningen

zaaknummer / rolnummer: 137947 / KG ZA 12-368

Vonnis in kort geding van 11 januari 2013

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M.F. van Hulst,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te ‘s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.H. Hirsch Ballin.

Partijen zullen hierna [A] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. De Wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Friesland en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

1.2. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de mondelinge behandeling waar partijen en hun advocaten zijn verschenen,

- de pleitnota van mr. Hirsch Ballin.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De woningbouwvereniging Lefier StadGroningen is eigenaresse van het pand aan de Van Schendelstraat 18 te Groningen, dat tot 1 december 2011 verhuurd is geweest aan de Vereniging voor Gereformeerd Voortgezet Onderwijs in Noord-Nederland. Sedertdien stond het pand leeg.

2.2. Nadat de verhuur van het pand was beëindigd, is Lefier in onderhandeling getreden met [B] om het pand en enige naast- en nabij gelegen panden aan de Helperwestsingel te Groningen aan [B] te verkopen.

2.3. In de loop van augustus 2012 is Lefier ter ore gekomen dat het pand zonder haar toestemming door derden in gebruik was genomen. Daarvan heeft [C], werkzaam bij Lefier, op 24 augustus 2012 aangifte gedaan.

2.4. Op 4 december 2012 heeft de Officier van Justitie een brief gestuurd naar de perso(o)n(en) die wonen of vertoeven in het pand Van Schendelstraat 18 te Groningen, met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

‘(…)

Hierbij wil ik u aankondigen dat ik al degenen die thans wonen of vertoeven in dit pand aanmerk als verdachten terzake overtreding van de artikelen 138, 138a en/of 139 van het wetboek van strafrecht. In ben voornemens om dit pand te ontruimen. Deze ontruiming zal plaatsvinden binnen acht weken na de dagtekening van deze aankondiging, te weten uiterlijk op 29 januari 2013.

Als u een oordeel van de rechter over deze voorgenomen ontruiming wenst te verkrijgen kunt u een kort geding aanhangig maken. Ik zal de eerste zeven dagen van de termijn van acht weken na heden daarom niet over gaan tot ontruiming. Gedurende die zeven dagen heeft u de gelegenheid een kort geding te starten.

(…).’

3. Het geschil

3.1. [A] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

de Staat, en via haar de Officier van Justitie te Groningen, te verbieden op strafrechtelijke gronden tot feitelijke ontruiming van de woning aan de Van Schendelstraat 18 te (9721 GW) Groningen over te gaan of te doen gaan, waaronder begrepen het verlenen van medewerking aan overhandigen van de woning aan derden dan wel het niet optreden tegen huisvredebreuk jegens [A] gedurende haar afwezigheid, bijvoorbeeld gedurende de tijd dat [A] na aanhouding voor verhoor op een politiebureau verblijft, dit alles althans en subsidiair totdat eventueel in hoogste instantie door de strafrechter bewezen is verklaard dat het verblijf van [A] wederrechtelijk is;

met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

3.2. De Staat heeft verweer gevoerd.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter overweegt dat met ingang van 1 oktober 2010 de Wet van 24 juli 2010 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Leegstandwet, en enige andere wetten in verband met het verder terugdringen van kraken en leegstand (Wet kraken en leegstand) in werking is getreden. Op grond van deze wetten zijn aan het Wetboek van Strafrecht (Sr) respectievelijk het Wetboek van Strafvordering (Sv), voor zover hier van belang, de volgende bepalingen toegevoegd:

Artikel 138a Sr

Hij die in een woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk binnendringt of wederrechtelijk aldaar vertoeft, wordt, als schuldig aan kraken, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. (…)

Artikel 551a Sv

In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht kan iedere opsporingsambtenaar de desbetreffende plaats betreden. Zij zijn bevoegd alle personen die daar wederrechtelijk vertoeven, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of doen verwijderen.

4.2. Op 28 oktober 2011 heeft de Hoge Raad in een uitspraak met betrekking tot de bovengenoemde wetsbepalingen (LJN: BQ9880) overwogen dat de totstandkomingsgeschiedenis ervan duidelijk maakt dat de wetgever heeft beoogd de voorheen bestaande praktijk van strafrechtelijke ontruimingen op grond van verdenking van artikel 138 of artikel 429sexies Sr te kunnen continueren door ontruimingen op strafvorderlijke titel van een wettelijke basis te voorzien. De Hoge Raad heeft daarbij geoordeeld dat voor de uitoefening van de aldus aan politie en OM verleende ontruimingsbevoegdheid van artikel 551a Sv een (al dan niet onherroepelijke) veroordeling door de strafrechter niet noodzakelijk is.

4.3. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat uit rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens moet worden afgeleid dat het gedwongen verlies van iemands huis de meest vergaande vorm van inmenging in de uitoefening van het huisrecht is en dat een ieder die het risico loopt op een dergelijke ernstige inmenging, in beginsel de mogelijkheid moet hebben de proportionaliteit van de maatregelen te laten toetsen door de rechter voordat de ontruiming wordt geëffectueerd. Dit is in overeenstemming met artikel 13 EVRM, dat een effectief rechtsmiddel vereist waarmee een niet-omkeerbare inbreuk op bepaalde mensenrechten kan worden voorkomen. Ontruiming kan daarom naar het oordeel van de Hoge Raad slechts plaatsvinden nadat de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van de ontruiming een uitspraak heeft kunnen doen, doch het OM hoeft daarbij niet de uitkomst van een eventueel tegen die uitspraak ingesteld hoger beroep af te wachten.

4.4. Met ingang van 1 december 2010 heeft het OM een voorlopige beleidsregel Kraken vastgesteld. Voor zover relevant luidt het beleid als volgt:

Uitgangspunt

Het kraakverbod, dat vanaf 1 oktober 2010 van kracht is, zal door politie en Openbaar Ministerie onverkort worden gehandhaafd. Krakers weten dat zij zich schuldig maken aan een strafbaar feit (overtreding van artikel 138, 138a of 139 Sr) en dat zij derhalve rekening dienen te houden met ontruiming van het door hen gekraakte pand. Kraker hebben de mogelijkheid om tegen een voorgenomen ontruiming een kort geding aan te spannen. Rekening houdend met het arrest van het Gerechtshof Den Haag, is besloten dat ontruimingen op basis van artikel 551a Sv in beginsel aan de bewoners van een kraakpand worden aangekondigd en dat in beginsel zal worden gewacht met ontruimen totdat de voorzieningenrechter zich over een voorgenomen ontruiming heeft uigelaten, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, die hierna nader worden beschreven.

Aankondiging en kort geding

Een ontruiming wordt door of namens het Openbaar Ministerie schriftelijk bij de bewoners van het te ontruimen pand aangekondigd, tenzij sprake is van de hieronder genoemde uitzonderingsgevallen. In de aankondiging wordt vermeld dat de ontruiming zal plaatsvinden binnen acht weken na de aankondiging (…), maar niet binnen de eerste zeven dagen van die termijn, teneinde de krakers in de gelegenheid te stellen binnen die zeven dagen een kort geding aanhangig te maken door middel van het uitbrengen van een dagvaarding tegen de Staat met daarin een datum en tijd van behandeling.(…)

4.5. In zijn arrest van 28 oktober 2011 heeft de Hoge Raad overwogen dat het bovengenoemde beleid van het OM voldoende rechtsbescherming biedt in het licht van de vereisten van artikel 8 lid 2 EVRM en artikel 13 EVRM. De voorzieningenrechter neemt over deze conclusie van de Hoge Raad en overweegt dat de Staat in overeenstemming met het geformuleerde beleid heeft gehandeld, door [A] bij schrijven van 4 december 2012 zeven dagen de gelegenheid te geven om een kort geding aanhangig te maken. Vervolgens heeft [A] het onderhavige geding tijdig aangespannen.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de voorzieningenrechter in de onderhavige procedure naast de wederrechtelijkheid tevens heeft te toetsen of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang van het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker, in het concrete geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Die belangenafweging kan alleen plaatsvinden als de kraker feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt zal hebben te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.

In het geval een eigenaar echter geen enkel belang heeft bij de ontruiming en deze alleen maar zal leiden tot langdurige leegstand, zonder enig uitzicht op verandering in die situatie, kan de belangenafweging mogelijk in het voordeel van de kraker uitvallen. Voor de Staat geldt dat slechts in uitzonderlijke gevallen zal kunnen worden geoordeeld dat aan handhaving van een in het strafrecht vastgelegde norm voldoende belang voor de Staat zal ontbreken.

4.7. Niet betwist is dat het verblijf van [A] in het in geding zijnde pand wederrechtelijk is; onweersproken is immers dat zij zonder recht of titel aldaar verblijft. De voorzieningenrechter komt daarom toe aan de vraag of de beoogde ontruiming van het pand door het OM de proportionaliteitstoets kan doorstaan.

4.8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [A] onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot de conclusie leiden dat er sprake is van bijzondere omstandigheden bij de eigenaar, in die zin dat na ontruiming sprake zal zijn van een langdurige leegstand zonder enig uitzicht op verandering in die situatie. Integendeel, voldoende aannemelijk is dat Lefier de intentie heeft en concrete uitvoering geeft aan haar

plannen om het pand te verkopen. Zulks blijkt onder meer uit de overgelegde brief van [B] van 26 oktober 2012.

Met betrekking tot het huisrecht van [A] zijn geen andere omstandigheden aannemelijk geworden dan die de wetgever bij de afweging in abstracto al in aanmerking heeft genomen.

In het bijzonder heeft [A] haar individuele belang niet nader toegelicht. [A] heeft er weliswaar – terecht – op gewezen dat de omgevingsfactoren en persoonlijke omstandigheden moeten worden betrokken bij de individuele belangenafweging, doch zij heeft nagelaten deze elementen nader toe te lichten en – met verifieerbare bescheiden – te onderbouwen, zodat de voorzieningenrechter aan deze stelling van [A] dan ook verder geen overwegende betekenis kan toekennen.

4.9. Op grond van het voorgaande en in het licht van het belang van de Staat om ten behoeve van de openbare orde de wet te handhaven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aangekondigde ontruiming de proportionaliteitstoets doorstaat. De vordering van

[A] zal daarom worden afgewezen.

4.10. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht EUR 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op EUR 1.391,00;

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B.M. Keurentjes en in het openbaar uitgesproken op

11 januari 2013.?