Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:8311

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-06-2013
Datum publicatie
03-03-2014
Zaaknummer
C-17-126554 - FJ RK 13-418
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vervallenverklaring aanwijzing ex 1:259 BW

besluit in de zin van Awb, 3:46 Awb, 3:47 Awb

uitvoering ondertoezichtstelling

1:258 BW

zorgvuldige totstandkoming

deugdelijke motivering in aanwijzing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

clusternummer: 9460

zaak-/rekestnummer: C/17/126554 / FJ RK 13-418

beschikking van de kinderrechter d.d. 21 juni 2013

vervallenverklaring aanwijzing ex art 1:259 BW

inzake

het verzoekschrift van [de moeder], de moeder

met betrekking tot

de ondertoezichtstaande minderjarige:

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats].

De kinderrechter merkt naast de minderjarige als belanghebbenden aan:

moeder: [de moeder], gezag,

vader: [de vader], gezag,

de uitvoerster van de ondertoezichtstelling: de Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland (hierna te noemen: de stichting).

1 Procesgang

1.1.

Bij beschikking van de kinderrechter van 20 februari 2013 is de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige uitgesproken, ingaande 20 februari 2013 tot 20 februari 2014.

1.2.

De stichting heeft op 3 april 2013 een schriftelijk aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

1.3.

Moeder heeft de kinderrechter tijdig verzocht de schriftelijke aanwijzing van de stichting vervallen te verklaren.

1.4.

Op 24 mei 2013 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Daarbij zijn gehoord:

namens de stichting: mevrouw M. Cohen,

moeder, bijgestaan door mr. H.M. Bakker,

vader.

2 Motivering

2.1.

[de minderjarige] is als ongeboren baby op 20 februari 2013 onder toezicht gesteld. Het verzoek tot uithuisplaatsing is bij beschikking van dezelfde datum afgewezen. [de minderjarige] is op [geboortedatum] geboren. Vader heeft [de minderjarige] erkend.

2.2.

De stichting heeft op 3 april 2013 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan moeder, inhoudende dat ouders alle hulpverlening die de stichting indiceert, dienen te accepteren. Ouders dienen samen te werken met de gezinsvoogd. Ook dienen ouders de akkoordverklaring te ondertekenen.

In de aanwijzing is onder het kopje "Besluit" vermeld dat wanneer ouders de akkoordverklaring niet tekenen, de samenwerking met de gezinsvoogd stopzetten, de geïndiceerde hulpverlening niet accepteren, de stichting de veiligheid van [de minderjarige] niet kan waarborgen. Er zal dan een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing aangevraagd worden.

In de aanwijzing is ook beschreven dat ouders zich aan het volgende moeten houden:

- de opa's en oma's van beide kanten mogen niet in de woning komen en mogen geen contact met [de minderjarige] hebben;

- ouders moeten de akkoordverklaring tekenen voor 5 april a.s. 8.30 uur;

- er mogen geen ex groepsgenoten van Hoeve Boschoord in de woning komen of contact hebben met [de minderjarige];

- ouders dienen mee te werken aan de hulpverlening zoals Bureau Jeugdzorg die indiceert.

2.3.1.

De kinderrechter is thans verzocht om deze aanwijzing vervallen te verklaren. Moeder heeft ten aanzien van de akkoordverklaring aangevoerd dat de voormalig gezinsvoogd in een telefoongesprek op 11 april 2013 heeft aangegeven dat zonder informatie van derden de ondertoezichtstelling niet uitgevoerd kan worden. De gezinsvoogd heeft volgens ouders aangegeven dat als de akkoordverklaring niet door hen zou worden getekend, een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing aangevraagd zou worden. Onder die druk heeft moeder alsnog de akkoordverklaring getekend. Moeder betwist echter dat zonder die informatie de ondertoezichtstelling niet uitgevoerd kan worden. Er is voldoende informatie over ouders beschikbaar in het recente raadsrapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad). De door de stichting gewenste informatie ziet vooral op het belaste verleden van ouders. Nu die gegevens al bekend zijn, ontbreekt de noodzaak voor het geven van een schriftelijke aanwijzing op dit punt.

2.3.2.

Ten aanzien van het mogelijk stopzetten van de samenwerking met de gezinsvoogd is aangevoerd dat zowel moeder als vader geenszins van plan zijn om dit te doen. Integendeel, zij zijn bereid om hun medewerking te verlenen aan geïndiceerde hulpverlening. Ouders werken al samen met Panta Rhei, de GGD, de huisarts, de reclassering, de wijkverpleegkundige, de wijkagent en het consultatiebureau. Ook op dit punt ontbreekt daarom de noodzaak tot het geven van een schriftelijke aanwijzing.

2.3.3.

Het ontbreken van de noodzaak tot het geven van een schriftelijke aanwijzing geldt eveneens voor het mogelijke contact met ex-groepsgenoten van Hoeve Boschoord. Ouders hebben al jaren geen contact met ex-groepsgenoten. Ten aanzien van het contact met opa's en oma's stelt moeder dat zij vermoedt dat dit te maken heeft met het belaste verleden ouders, maar dat in de schriftelijke aanwijzing niet terug te lezen is waarom er met opa's en oma's geen contact mag zijn.

2.3.4.

Moeder komt tot de conclusie dat de schriftelijke aanwijzing niet volgens de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen. De schriftelijke aanwijzing is niet deugdelijk gemotiveerd en dient vervallen te worden verklaard, aldus moeder.

2.4.1.

Namens de stichting is het volgende aangevoerd. Bij ouders is sprake van een groot aantal risicofactoren die invloed kunnen hebben op de opvoedingssituatie van [de minderjarige], zoals het strafblad van vader op het gebied van kindermisbruik, het feit dat ouders zelf als kind zijn misbruikt maar dit zelf ontkennen en het feit dat ouders, nog afgezien van het misbruik, een belast verleden hebben. De informatie die de stichting met behulp van de akkoordverklaring op wil vragen bij instanties als de reclassering, Hoeve Boschoord, voogdijinstellingen en de GGZ is doorslaggevend voor de vraag of [de minderjarige] thuis kan blijven wonen. De informatie is naar de mening van de stichting noodzakelijk voor het kunnen uitvoeren van de ondertoezichtstelling. De stichting wil bijvoorbeeld weten wat de problematiek van ouders is, welke hulpverlening hiervoor nodig is en of ouders in staat zijn om met die problematiek [de minderjarige] op te voeden. De informatie uit het raadsrapport is voor de stichting te summier.

2.4.2.

De voormalig gezinsvoogd heeft al met ouders gesproken over de zorgen rond de opa's en oma's. Vader is door opa (vz) misbruikt. Het is de stichting onduidelijk of opa (vz) nu nog over de vloer komt. De stichting is zich er van bewust dat de schriftelijke aanwijzing alleen ziet op moeder. Het is naar de mening van de stichting aan moeder om [de minderjarige] tegen opa (vz) te beschermen. Dit geldt eveneens voor de ex-groepsgenoten van Hoeve Boschoord.

2.4.3.

Ten aanzien van het indiceren van hulpverlening heeft de stichting ter zitting aangegeven dat dit ziet op hulpverlening voor ouders. De hulpverlening die nu al aanwezig is, is in de ogen van de stichting onvoldoende. Daarbij acht de stichting het zeer zorgelijk dat de hulpverlening van Stichting WIJ eenzijdig en zonder nader overleg door ouders is stopgezet. Pantha Rei is nu als hulpverlenende instantie betrokken. De gezinsvoogd benadrukt dat dit noch besproken is met Stichting WIJ noch met de gezinsvoogd. Inmiddels heeft de stichting de informatie over ouders gekregen. De stichting heeft ter zitting gesteld dat zelfs al zou nadere invulling kunnen worden gegeven aan hulpverlening, de veiligheid van [de minderjarige] hoe dan ook niet gewaarborgd kan worden in de thuissituatie. De stichting heeft daarom recent een nieuw verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing ingediend, dat binnenkort ter zitting zal dienen.

2.5.

De kinderrechter overweegt als volgt.

2.5.1.

Een schriftelijke aanwijzing van de stichting moet blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 1:258 BW worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter op grond van artikel 3:2 Awb te beoordelen of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen. Ingevolge artikel 3:46 en 3:47, eerste lid, Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering en dient die motivering te worden vermeld bij de bekendmaking van het besluit.

2.5.2.

Een aanwijzing behoort pas dan te worden gegeven als door middel van overleg en overreding de gewenste medewerking van de ouder niet verkregen wordt. Het geven van een aanwijzing is een vrij ingrijpende beslissing waaraan voor de ouder met gezag ingrijpende consequenties kunnen worden verbonden indien de aanwijzing niet wordt nageleefd.

2.5.3.

Blijkens de stukken en hetgeen ter zitting is besproken was het weigeren van ouders om de akkoordverklaring te tekenen de dragende en directe aanleiding geweest om de schriftelijke aanwijzing te geven. Dit is ook expliciet met ouders besproken. In de schriftelijke aanwijzing zijn nog een aantal andere voorwaarden opgenomen.

2.5.4.

De kinderrechter stelt voorop dat de stichting in het kader van de uitvoering van een ondertoezichtstelling op grond van het bepaalde in artikel 1:258 Burgerlijke Wetboek (BW) aanwijzingen kan geven aan de met gezag belaste ouder betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De gezinsvoogd kan bijvoorbeeld een ouder verplichten hulpverlening voor de minderjarige toe te staan, dan wel een minderjarige verplichten hulpverlening aan te gaan. De stichting heeft ter zitting verduidelijkt dat de informatie over het verleden van ouders noodzakelijk is om nadere invulling te kunnen geven aan de hulpverlening die ouders zelf vanwege hun problematiek nodig hebben. Naar het oordeel van de kinderrechter ziet dit indirect op de opvoeding van de minderjarige, en vindt derhalve geen grond in het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling. Dat [de minderjarige] te jong is om voor zichzelf hulpverlening in vorenbedoelde zin opgelegd te krijgen, maakt dat niet anders. Nog daargelaten dat alleen moeder belast is met het gezag over de minderjarige, kan de aanwijzing dat beide ouders de akkoordverklaring dienen te ondertekenen zodat de stichting persoonlijke informatie over het verleden van ouders kan opvragen, om met die informatie hulpverlening voor ouders zelf te kunnen indiceren, in het verlengde van het vorenstaande ook niet in stand blijven.

2.5.5.

Ten aanzien van de overige voorwaarden die in de schriftelijke aanwijzing zijn opgenomen, overweegt de kinderrechter als volgt. Op de eerste plaats blijkt uit de schriftelijke aanwijzing niet eenduidig aan welke voorwaarden ouders zich dienen te houden. Zo wordt puntsgewijs gesteld waaraan ouders zich dienen te houden, maar komen deze voorwaarden niet één op één terug onder het kopje "Besluit" (zie punt 2.2.), waarin opdrachten worden gegeven met als consequentie dat bij niet nakoming daarvan om uithuisplaatsing zal worden verzocht. Voor moeder (en vader) moet helder zijn waaraan zij zich aan dienen te houden. De schriftelijke aanwijzing voldoet daarmee niet aan de voorwaarden die daaraan ingevolge de Awb aan verbonden dienen te worden. De kinderrechter is voorts niet gebleken dat over alle punten met ouders van tevoren is gesproken. Voor zover er al sprake is geweest van overleg en overreding, zoals genoemd in 2.5.2., geeft de aanwijzing daarvan, behalve voor zover dat ziet op het ondertekenen van de akkoordverklaring, geen blijk. Ouders stellen -en door de stichting is dit niet weersproken- dat de ex-groepsgenoten van Hoeve Boschoord al jaren niet langskomen bij ouders en ouders bereid blijken te zijn om opa (vz) niet langer toe te laten tot hun woning. Ten aanzien van de voorwaarde dat ouders de samenwerking met de gezinsvoogd niet dienen stop te zetten, overweegt de kinderrechter dat ook op dit punt geen duidelijkheid is verkregen. Het is de kinderrechter ook niet gebleken dat de stichting met moeder heeft overlegd over het voornemen en de redenen om een schriftelijke aanwijzing te geven met de in de aanwijzing vermelde onderwerpen, anders dan de voorwaarde dat de akkoordverklaring ondertekend dient te worden.

2.5.6.

Op grond van al het voorgaande komt de kinderrechter tot het oordeel dat de stichting, na afweging van alle betrokken belangen, niet op goede gronden tot de onderhavige schriftelijke aanwijzing is gekomen en dat het verzoek van moeder om de aanwijzing vervallen te verklaren dient te worden toegewezen.

3 Beslissing

De kinderrechter:

wijst toe het verzoek van de ouders om ten aanzien van de minderjarige

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats] de aanwijzing van de Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland d.d. 3 april 2013 vervallen te verklaren.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Barkhuijsen-Venselaar, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 631)