Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:8306

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
03-03-2014
Zaaknummer
C-17-126953 - FA RK 13-779
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

partneralimentatie , 1: 401 lid 1 BW, gewijzigde omstandigheden, verdiencapaciteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rekestnummer: C/17/126953 / FA RK 13-779

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 18 december 2013

inzake

[de man],

wonende te [woonplaats A],

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. J. Oosterhof, kantoorhoudende te Heerenveen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats B],

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. J. Pieters, kantoorhoudende te Sneek.

Procesverloop

De man heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoekschrift, ertoe strekkende dat het tussen partijen gesloten convenant "beëindiging geregistreerd partnerschap" van 18 juni 2007, wordt gewijzigd ten aanzien van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.

De vrouw heeft binnen de daarvoor gestelde termijn een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- een tweetal brieven met bijlagen van de vrouw van 11 september 2013;

- een faxbericht van de vrouw van 16 september 2013;

- een brief met bijlagen van de man van 30 september 2013;

- een ter zitting door de man overgelegde brief van 16 januari 2007 van advocatenkantoor Groenewegen, Brink & Vlessing.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van deze enkelvoudige kamer op 8 oktober 2013.

Partijen en hun advocaten zijn ter zitting verschenen.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van:

- een brief met bijlagen van de vrouw van 30 oktober 2013;

- een brief met bijlagen van de man van 5 november 2013.

Motivering

1 De feiten:

Tussen partijen gelden in deze procedure de navolgende feiten als vaststaand.

1.1.

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Partijen hebben hun huwelijk omgezet in een geregistreerd partnerschap. Het geregistreerd partnerschap is beëindigd door inschrijving van de daartoe bedoelde verklaring in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente Y] op 18 juni 2007. Partijen hebben een convenant gesloten waarin de gevolgen van de beëindiging zijn omschreven. Partijen zijn overeengekomen dat de man verplicht is met ingang van 1 juli 2007 maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw een bijdrage te voldoen in de kosten van haar levensonderhoud van € 750,--. Gedurende de periode 1 juli 2007 tot 1 juli 2012 gold een beperkt niet wijzigingsbeding, zoals omschreven in artikel 1 lid onder a en b van het convenant.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan:

De man

2.1.

De man heeft wijziging verzocht van het bepaalde in het convenant met betrekking tot de partneralimentatie. De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden.

Onder artikel 1 lid 3 van het convenant is opgenomen dat wijziging kan worden verzocht nadat een termijn van vijf jaren is verstreken. De man stelt verder dat hij, conform het bepaalde in het convenant, heeft getracht in onderling overleg met de vrouw, met de hulp van notaris Rientjes, tot nieuwe afspraken te komen, maar dat partijen daar niet in zijn geslaagd.

De man voert aan dat de behoefte van de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen is bepaald op een bedrag van € 1.185,-- netto per maand.

In zijn brief van 5 november 2013 heeft de man een nadere berekening van de behoefte van de vrouw gemaakt waaruit volgt dat zij een aanvullende behoefte heeft van € 634,-- netto per maand. De man stelt dat de vrouw zelf in haar (aanvullende) behoefte moet kunnen voorzien.

De vrouw heeft volgens de man een maandelijks inkomen uit dienstbetrekking van € 216,--, een WW-uitkering van € 200,--, schenkingen van haar moeder van € 250,--, een fiscaal voordeel van € 177,-- en zij zou uit hoofde van kostgeld € 350,-- kunnen ontvangen van de meerderjarige bij haar inwonende kinderen. Haar netto inkomen bedraagt hiermee in totaal

€ 1.193,-- per maand. De vrouw heeft, aldus de man, voldoende verdiencapaciteit om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De wijziging van de partneralimentatie zou in moeten gaan op 1 juli 2012, nu de man sedert juni 2012 met de vrouw in gesprek is.

De man stelt verder dat indien de vrouw nog wel behoefte heeft aan een door de man aan haar te betalen bijdrage, de duur van die bijdrage dient te worden gelimiteerd tot in totaal 7 jaar, zodat hij gehouden is een bedrage te leveren tot uiterlijk 1 juli 2014.

De vrouw

2.2.

De vrouw betwist de stelling van de man dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vrouw betwist dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De vrouw weerspreekt verder dat de bij haar wonende meerderjarige kinderen aan haar kostgeld betalen, dan wel dat zij dit zouden kunnen.

De vrouw betoogt dat zij veel solliciteert, maar dat zij er niet in slaagt om een vaste werkkring te verkrijgen. De vrouw verdient ongeveer € 650,-- per jaar als oppasmoeder bij de [werkgever A], zo voert zij aan. De vrouw heeft voorts inkomsten bij [werkgever B] (Uitzendbureau).

De vrouw stelt dat zij nog steeds niet kan voorzien in haar eigen levensonderhoud en dat zij nog steeds behoefte heeft aan een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage. Zij ontvangt geen schenkingen meer van haar moeder.

De beoordeling

2.3.

De rechtbank is ten aanzien van de behoefte van de vrouw van oordeel dat de berekening van de behoefte van de vrouw, zoals door de man is opgenomen in de brief van

5 november 2013, dient te worden gevolgd, nu deze berekening de rechtbank niet onjuist voorkomt. De rechtbank stelt, conform de berekening van de man, de aanvullende behoefte in 2006 dan ook op € 634,-- netto per maand.

Door de vrouw is ter zitting gesteld dat zij een WW-uitkering ontvangt van € 543,-- netto per maand. De vrouw heeft verder inkomsten als oppasmoeder van afgerond € 55,-- per maand. De vrouw heeft verder inkomsten via een uitzendbureau van in 2012 € 9.818,-- bruto per jaar, zoals blijkt uit haar belastingaangifte IB over 2012. Tot en met mei 2013 bedragen de inkomsten uit uitzendwerk € 2.520,93 bruto, zoals blijkt uit de door haar overgelegde salarisstrook van week 22 van 2013. In 2012 bedroeg het netto IB inkomen van de vrouw circa € 15.000,-- , zoals blijkt uit haar aangifte IB 2012. Dit is € 1.250,-- netto per maand. De vrouw heeft voorts de stelling van de man niet betwist dat zij in het verleden van haar moeder maandelijks schenkingen heeft ontvangen. Zij stelt evenwel dat haar moeder met deze schenkingen is gestopt, maar zij onderbouwt dit niet, door bijvoorbeeld een verklaring van haar moeder.

De vrouw heeft de rechtbank slechts beperkt inzage gegeven in haar sollicitatie activiteiten. de rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat de vrouw er alles aan doet om een vaste werkkring te vinden.

De rechtbank is alles overziende van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht om in haar (aanvullende) behoefte te voorzien. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, als bedoeld in artikel 401 lid 1 Burgerlijk Wetboek, die er uit bestaat dat de vrouw anders dan ten tijde van het uiteengaan van partijen nu wel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek van de man om de door hem aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage op nihil dient te worden gesteld dient te worden toegewezen.

De rechtbank zal de wijziging doen ingaan met ingang van datum vaan deze beschikking, nu een wijziging met terugwerkende kracht in strijd met de rechtszekerheid van de vrouw is en het niet wenselijk is dat de vrouw wordt geconfronteerd met een plicht tot terugbetaling van de teveel ontvangen alimentatie.

Beslissing

De rechtbank:

wijzigt de overeenkomst tussen partijen d.d. 18 juni 2007 aldus, dat zij thans als volgt beslist:

stelt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 18 december 2013 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. F. Kleefmann, lid van de kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 18 december 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 19)

Van deze beschikking kan binnen 3 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen. Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!

De griffier.