Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:8265

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
AWB LEE 13/1883
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen intrekking van een WWB-uitkering. Schending mededelingsplicht i.v.m. woonplaats. Rb is van oordeel dat verweerder geacht moet worden op de hoogte te zijn gewest van de woonsituatie van eisers. Beroep is gegrond. Zelf voorzien door de bezwaarschriften ook gegrond te verklaren en de primaire besluiten te herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB LEE 13/1883

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2013 in de zaak tussen

[naam eiser sub 1] en G. [naam eiseres sub 2],

wonende te Tzummarum,

eisers,

gemachtigde: mr. D. van der Wal,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde: A.J. Krol.

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2012 (het primaire besluit A) heeft verweerder de uitkering van eisers krachtens de Wet Werk en Bijstand (WWB) over de periode van 25 februari 2012 tot en met 31 oktober 2012 ingetrokken. Tegen dit besluit is namens eisers een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 30 november 2012 (het primaire besluit B) heeft verweerder de ten onrechte betaalde bijstand over de periode van 25 februari 2012 tot en met 31 oktober 2012 van eisers teruggevorderd. Ook tegen dit besluit is namens eisers een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 27 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaarschriften deels gegrond verklaard en voor het overige ongegrond. Verweerder heeft bepaald dat eisers over de periode van 20 november 2012 tot 5 maart 2013 bijstand naar de norm voor een echtpaar wordt toegekend. Dat laatste wordt eisers bij separaat besluit van 11 juni 2013 nogmaals meegedeeld.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2013. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten tot schorsing van het onderzoek ter zitting, teneinde op een nadere zitting S.[naam medewerkster] (hierna:[naam medewerkster]), een medewerkster van verweerder, te horen. Daarbij is bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De zaak is opnieuw behandeld op de zitting van 14 oktober 2013, voor welke zitting[naam medewerkster] is opgeroepen om als getuige te verschijnen.[naam medewerkster] heeft echter om haar moverende redenen besloten niet aan die oproep te voldoen. Op de nadere zitting van 14 oktober 2013 waren aanwezig eisers, hun gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1.

De rechtbank stelt vast dat het besluit van 11 juni 2013 een cijfermatige uitleg is van het bestreden besluit waarin eisers over de periode van 20 november 2012 tot 5 maart 2013 een WWB-uitkering is toegekend. De rechtbank zal, om proceseconomische redenen, het besluit van 11 juni 2013 daarom als onderdeel van het bestreden besluit beschouwen.

2.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Bij besluit van 27 maart 2012 is aan eisers met ingang van 25 februari 2012 een WWB-uitkering toegekend berekend naar de norm voor gehuwden. Verweerder heeft in het najaar van 2012 een onderzoek ingesteld naar het hoofdverblijf van eisers, omdat bij hem het vermoeden bestond dat eisers hun hoofdverblijf niet hadden in verweerders gemeente. Op basis van de bevindingen uit dat onderzoek, heeft verweerder bij het primaire besluit A de uitkering van eisers over de periode van 25 februari 2012 tot en met 31 oktober 2012 ingetrokken. Bij het primaire besluit B heeft verweerder de ten onrechte aan eisers betaalde bijstand over deze periode, te weten een bedrag van € 10.399,70, van hen teruggevorderd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaarschriften gegrond verklaard en eisers vanaf 20 november 2012 tot 5 maart 2013 alsnog bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend. Voor het overige heeft verweerder de primaire besluiten in stand gelaten.

3.

In artikel 8:60, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de rechtbank getuigen kan oproepen. In het tweede lid van artikel 8:60 van de Awb is bepaald dat de opgeroepen getuige verplicht is aan de oproeping gevolg te geven. Het niet voldoen aan deze verplichting levert een strafbaar feit op (artikel 192 van het Wetboek van Strafrecht). De rechtbank is ontstemd over het feit dat[naam medewerkster], zonder opgave van redenen, heeft besloten niet aan de oproeping gehoor te geven. Het niet verschijnen heeft tot gevolg dat de rechtbank daaraan, waar nodig, de gevolgen zal verbinden die haar geraden voorkomen.

4.

In artikel 17, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. In artikel 40, eerste lid, van de WWB staat vermeld dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

5.1

De rechtbank stelt vast dat eisers niet betwisten dat zij vanaf februari 2012 hun hoofdverblijf niet hebben in de gemeente Leeuwarden, maar in de gemeente Franekeradeel. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of eisers verweerder op dit punt correct hebben geïnformeerd. Eisers zijn van mening dat zij verweerder juiste informatie hebben verstrekt, maar dat verweerder op basis van de verstrekte informatie bij de intake ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers hun hoofdverblijf hadden in de gemeente Leeuwarden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op basis van de door eisers verstrekte informatie geen aanleiding bestond om te veronderstellen dat eisers niet in de gemeente Leeuwarden hun hoofdverblijf zouden hebben. Als uit het intakegesprek zou zijn gebleken dat eisers het grootste deel van hun tijd in de gemeente Franekeradeel verbleven, dan zou dat door de intakemedewerker zijn gesignaleerd. Eisers zouden dan zijn doorverwezen naar de gemeente Franekeradeel. Nu dat niet is gebeurd, gaat verweerder ervan uit dat eisers verweerder op dit punt niet juist hebben geïnformeerd.

5.2

Eisers hebben aangevoerd dat het intakegesprek heeft plaatsgevonden op het gemeentekantoor en dat[naam medewerkster] bij dat gesprek de vertegenwoordiger van de gemeente was. Volgens eisers heeft[naam medewerkster] de bankafschriften die zij tijdens het gesprek hebben overgelegd nauwkeurig bestudeerd. Daaruit had[naam medewerkster] moeten blijken dat de pintransacties van eisers voornamelijk in de buurt van Tzummarum (gemeente Franekeradeel) plaatsvonden. Eisers hebben aangevoerd dat zij tijdens het gesprek hebben aangegeven dat ze een stacaravan hebben in Tzummarum en dat ze op zoek zijn naar werk in de omgeving van Tzummarum. Op de vraag van[naam medewerkster] waar zij staan ingeschreven in de GBA en waar zij hun post ontvangen, hebben zij geantwoord dat dit in Leeuwarden was. Eisers is niet gevraagd hoeveel dagen zij in Leeuwarden dan wel Tzummarum verbleven en er is ook geen huisbezoek afgelegd. Eisers zijn dan ook van mening dat ze verweerder, in de persoon van[naam medewerkster], juist hebben geïnformeerd, maar dat[naam medewerkster] op basis van de verstrekte gegevens onjuiste conclusies heeft getrokken.

5.3

Op 8 maart 2013 heeft eiseres G. [naam eiseres sub 2] (hierna: [naam eiseres sub 2]) telefonisch contact opgenomen met[naam medewerkster]. [naam eiseres sub 2] heeft het gesprek dat volgde opgenomen en vervolgens op schrift gesteld. Verweerder betwist de authenciteit van de schriftelijke weergave van het telefoongesprek niet. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat wat er in de weergave staat ook daadwerkelijk zo is gezegd. In de weergave staat vermeld dat[naam medewerkster] op de vraag van [naam eiseres sub 2] of zij bij het intakegesprek aanwezig was, heeft geantwoord: "Ja klopt, ik heb de aanvraag gedaan, dat zijn twee aparte dingen, maar ik heb inderdaad de aanvraag gedaan en het was allemaal wel bekend en u heeft het bij de intake ook waarschijnlijk op het werkplein volgens mij ook allemaal genoemd." Voorts heeft[naam medewerkster] gezegd:" Dus dat is inderdaad eh het was wel bekend en nu is het ja, een lastige situatie omdat je een beetje met zo'n regel zit waarvan je denkt ja, wat is het nou als je er vier dagen niet bent en met drie dagen is het dan wel goed...". Bij brief van 9 april 2013 heeft verweerder een verklaring van[naam medewerkster] overgelegd waarin zij verklaart dat zij zich niet kan heugen eisers gesproken te hebben bij de intake. Zij heeft ook niet met zekerheid kunnen verklaren of de bankafschriften van eisers zijn bestudeerd. Aangezien er niets over staat vermeld in het intakerapport, is zij van mening dat er kennelijk op basis van de bankafschriften niet het vermoeden is gerezen dat eisers hun hoofdverblijf hadden in Tzummarum. Tot slot heeft zij verklaard dat eisers naar haar weten niet expliciet hebben gezegd altijd in Tzummarum te verblijven en dat zij alleen in Leeuwarden kwamen om de post op te halen en het huis schoon te maken. Als zij eisers gesproken zou hebben en ze dit expliciet tegen haar zouden hebben gezegd, dan zou zij dat in haar rapportage hebben opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat, in tegenstelling tot wat[naam medewerkster] heeft verklaard, het verhaal dat [naam eiseres sub 2] ter zitting heeft verteld op haar geloofwaardig overkomt. Daarbij is[naam medewerkster] niet ter zitting verschenen om haar kant van het verhaal te vertellen. Ook de schriftelijke weergave van het telefoongesprek, waarvan de authenticiteit door verweerder niet wordt betwist, doet vermoeden dat wat [naam eiseres sub 2] ter zitting van de rechtbank heeft verklaard juist is. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van[naam medewerkster] die verweerder bij brief van 9 april 2013 naar de rechtbank heeft verzonden ook innerlijk tegenstrijdig. Immers in de verklaring geeft zij aan eisers niet gesproken te hebben bij de intake en daarnaast zegt ze dat eisers naar haar weten niet expliciet hebben gezegd altijd in Tzummarum te verblijven. Dat laatste veronderstelt dat[naam medewerkster] eisers wel gesproken moet hebben. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat wat eisers hebben verklaard juist is. Dat wil zeggen dat verweerder geacht wordt op de hoogte te zijn geweest van de woonsituatie van eisers en hij op basis van de verstrekte gegevens, achteraf ten onrechte, heeft geconcludeerd dat eisers hun hoofdverblijf hadden in de gemeente Leeuwarden. Deze beroepsgrond treft derhalve doel.

6.

Eisers zijn voorts van mening dat verweerder ten onrechte de uitkering heeft beëindigd per 5 maart 2013. Onder verwijzing naar het telefoongesprek met[naam medewerkster], waarin[naam medewerkster] gezegd zou hebben dat de uitkering eindigt op het moment dat zij de sleutels van hun woning inleveren, zijn eisers van mening dat de uitkering dient door te lopen tot en met 5 april 2013: de datum waarop zij de sleutels van de woning bij de woningbouwvereniging hebben ingeleverd.

De rechtbank constateert dat[naam medewerkster] in het telefoongesprek van 8 maart 2013 op een vraag van [naam eiseres sub 2] naar de einddatum van de uitkering, heeft geantwoord dat de uitkering wordt stopgezet op het moment dat eisers de sleutels van hun woning in Leeuwarden inleveren. [naam eiseres sub 2] heeft[naam medewerkster] tijdens dat gesprek verteld dat zij al geruime tijd bezig zijn met de verhuizing naar Tzummarum en dat zij dus al geruime tijd hun hoofdverblijf niet meer hebben in Leeuwarden. Desondanks heeft[naam medewerkster] op de vraag van [naam eiseres sub 2] of het zeker is dat ze tot de datum van inlevering van de sleutel een uitkering van de gemeente Leeuwarden zouden ontvangen gezegd:" Ja, dat is zeker hoor ja hoor ja." De rechtbank is van oordeel dat[naam medewerkster] een bevoegd persoon is die deze mededeling kon doen en dat eisers erop mochten vertrouwen dat deze mededeling juist was. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder dan ook aan deze mededeling gehouden. Gelet hierop is de rechtbank, voor wat betreft de einddatum van de uitkering, van oordeel dat deze vastgesteld dient te worden op 5 april 2013: de datum waarop eisers de sleutels van hun woning in Leeuwarden hebben ingeleverd. Nu verweerder de uitkering heeft beëindigd per 5 maart 2013, treft ook deze beroepsgrond doel.

7.

De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank verklaart de inleidende bezwaarschriften alsnog gegrond, herroept de primaire besluiten van 23 en 30 november 2012 en bepaalt dat eisers over de periode van 25 februari 2012 tot en met 5 april 2013 een WWB-uitkering wordt toegekend berekend naar de norm voor gehuwden, voor zover de overige wettelijke bepalingen zich daar niet tegen verzetten.

8.

Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eisers € 1.180 terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; verschijnen op een nadere zitting een half punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 472).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart de inleidende bezwaarschriften alsnog gegrond, herroept de primaire besluiten en bepaalt dat verweerder eisers over de periode van 25 februari 2012 tot en met 5 april 2013 een WWB-uitkering toekent, berekend naar de norm voor gehuwden, voor zover de overige wettelijke bepalingen zich daar niet tegen verzetten;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 44 aan eisers vergoedt;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eisers tot een bedrag

van € 1.180.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.

J.A. van Loo P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift aangetekend verzonden op:

fn 25