Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:8156

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
Awb 13/3169
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Last onder dwangsom om alle vormen van detailhandel die geen volumineus karakter hebben (in de vorm van tuinartikelen) en niet rechtstreeks voortvloeien uit de activiteit verkoop van tuinartikelen te beeindigen en beeindigd te houden in de winkel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB LEE 13/3169

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2013 in de zaak tussen

Blokker Holding B.V., te Laren,

Blokker B.V., te Amsterdam, verzoekers

(gemachtigde: mr. A.R. Klijn),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen,

verweerder

(gemachtigden: E. Venema).

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2013 heeft verweerder verzoekers onder oplegging van een dwangsom gelast om voor 1 november 2013 alle vormen van detailhandel die geen volumineus karakter hebben (in de vorm van tuinartikelen) en niet rechtstreeks voortvloeien uit de activiteit verkoop van tuinartikelen te beëindigen en beëindigd te houden in de Blokker Tuin winkel aan de Jousterweg 20C te Heerenveen.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. Namens verzoekers is M. Jansen verschenen, bijgestaan door genoemde gemachtigde en mr. R.P. Fennis. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Voor zover verweerder heeft betoogd dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben bij hun verzoek om voorlopige voorziening volgt de voorzieningenrechter hem niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan verzoekers niet kan worden tegengeworpen dat zij eerst op 20 november 2013 een verzoek om voorlopige voorziening hebben ingediend. Verzoekers waren immers in de veronderstelling dat de mogelijkheid aanwezig was om in overleg tot een oplossing te komen. Direct na de afwijzende reactie van verweerder op

20 november 2013 op basis waarvan duidelijk werd dat het overleg niet tot een oplossing zou leiden, hebben verzoekers hun verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Gelet op het feit dat verzoekers al sinds 1 november 2013 financieel nadeel lijden doordat zij aan de last hebben voldaan en ter zitting is gebleken dat een beslissing op bezwaar eerst op

23 januari 2013 te verwachten is, hebben verzoekers naar het oordeel van de voorzieningen-rechter een zodanig spoedeisend belang dat zij in hun verzoek ontvangen kunnen worden.

3.1.

De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Verzoekers exploiteren aan de Jousterweg 20C te Heerenveen een Blokker Tuin winkel. Bij brief van 6 februari 2013 heeft verweerder verzoekers op de hoogte gesteld van het voornemen een last onder dwangsom op te leggen wegens gebruik in strijd met het bestemmingsplan en derhalve met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verzoekers hebben op 19 februari 2013 een zienswijze ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekers gelast om vóór 1 november 2013 alle vormen van detailhandel die geen volumineus karakter hebben (in de vorm van tuinmeubelen) en niet rechtstreeks voortvloeien uit de activiteit verkoop van tuinartikelen te beëindigen en beëindigd te houden in de Blokker Tuin winkel. De dwangsom is vastgesteld op

€ 5.000,- per geconstateerde overtreding per week (of een deel van de week) tot een maximum van € 150.000,-. Verzoekers hebben op 21 oktober 2013 een bezwaarschrift ingediend. Tussen partijen heeft vervolgens tot 20 november 2013 overleg plaatsgevonden om tot een oplossing te komen.

3.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat ten aanzien van een fors aantal aspecten onduidelijkheid bestaat -en ook na de zitting is blijven bestaan- over de wijze van interpretatie. Het gaat dan met name om de begripsbepalingen in het bestemmingsplan, de toelichting op het bestemmingsplan, de geldende beleidskaders en hetgeen met het besluit van 20 september 2010 is vergund. Voorts is ter zitting onduidelijkheid ontstaan, doordat verweerder een ander standpunt lijkt in te nemen dan in het bestreden besluit is ingenomen. Dit besluit betreft de last om alle vormen van detailhandel die geen volumineus karakter hebben (“in uw geval in de vorm van tuinmeubelen”) en niet rechtstreeks voortvloeien uit de activiteit verkoop van tuinartikelen op het perceel Jousterweg 20C te Heerenveen te beëindigen en beëindigd te houden. Ter zitting heeft verweerder evenwel aangegeven dat de detailhandel in volumineuze goederen ook is toegestaan als het woninginrichting betreft. Ook bestaat discussie over de vraag onder welke categorie bepaalde artikelen geschaard mogen dan wel moeten worden. In dat kader valt te denken aan aanverwante artikelen, branchevreemde artikelen, ondergeschikt en 'rechtstreeks voortvloeiend uit'. Daar vloeit vervolgens de vraag uit voort welke categorieën al dan niet zijn toegestaan en indien toegestaan, tot welke omvang (%) of oppervlakte.

3.3.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de onderhavige procedure zich niet leent voor de toetsing van de opgelegde last onder dwangsom. Hiervoor is een diepergaand onderzoek vereist waarvoor de bezwaarprocedure dan wel een eventuele bodemprocedure meer geëigend is. Daarbij neemt de voorzieningenrechter nadrukkelijk in aanmerking dat naar aanleiding van vragen van de bezwaarschriftencommissie een initiatief tot verder overleg tussen partijen is ontstaan. De voorzieningenrechter beperkt zich daarom tot een afweging van de betrokken belangen.

3.4.

Verweerder heeft vooralsnog onvoldoende duidelijkheid gegeven omtrent alle gerezen vraagpunten, zoals genoemd onder r.o. 3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daardoor op voorhand niet kan worden uitgesloten dat het bezwaar van verzoekers gegrond dient te worden verklaard. Verzoekers hebben ter zitting naar voren gebracht dat zij sinds 1 november 2013 financieel nadeel ondervinden van het bestreden besluit. Verzoekers hebben er daarom belang bij in afwachting van de beslissing op het bezwaar het assortiment in de vestiging aan de Jousterweg 20C te Heerenveen weer uit te kunnen breiden. Nu verweerder hiertegenover slechts zijn vrees stelt dat schorsing van het bestreden besluit onwenselijke effecten (bijvoorbeeld precedentwerking) zal hebben die in strijd zijn met het ruimtelijke ordeningsbeleid van de gemeente Heerenveen, ziet de voorzieningenrechter, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

4.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

5.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het betaalde griffierecht vergoedt.

6.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit van 17 september 2013 tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,00 aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Nolles, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

fn 30