Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:8153

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
18/830008-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling meermalen gepleegd en vernieling. Strafmaat.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht, geldigheid: 2014-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830008-13

Op tegenspraak

Raadsman: mr. M.M. Rietveldt

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

20 december 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren te Groningen op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

28 oktober 2013 en 6 december 2013.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 januari 2013, te Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet meermalen (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd en/of een

of meer ander(e) lichaamsde(e)l(en) van die [slachtoffer 1]heeft geschopt en/of getrapt

en/of gestompt en/of geslagen en/of gebeten en/of

(vervolgens/daarbij) een of meer pluk(ken) ha(a)r(en) uit het hoofd van die

[slachtoffer 1]heeft getrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 2 januari 2013, te Groningen,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]),

meermalen (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd en/of een of meer

ander(e) lichaamsde(e)l(en) heeft geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of

geslagen en/of gebeten en/of

(vervolgens/daarbij) een of meer pluk(ken) ha(a)r(en) uit het hoofd van die

[slachtoffer 1]heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 2 januari 2013, te Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om aan (een) perso(o)n(en)

genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]en/of [slachtoffer 1],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet (een) hoeveelhe(i)d(en) vuurwerk,

althans (een) voor onploffing geschikte en/of brandbare stof(fen),

in een woning/pand (waarin die [slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 3]en/of [slachtoffer 1]zich

bevond(en)) heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 2 januari 2013, te Groningen,

[slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 3]en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (een) hoeveelhe(i)d(en) vuurwerk,

althans (een voor ontploffing geschikte en/of brandbare stof(fen), in een

woning/pand (waarin die [slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 3]en/of [slachtoffer 1]zich bevond(en)

gegooid;

3.

hij op of omstreeks 2 januari 2013, in de gemeente Groningen,

opzettelijk en wederrechtelijk een woning, gelegen aan de [adres 2]te

Groningen, en/of een voorraam van die woning en/of de huisraad in die woning,

in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 3]en/of

Lefier, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het feit dat verdachte aangeefster heeft geschopt en getrapt en dat hij haar uit haar hoofd heeft getrokken. Desondanks kan een poging zware mishandeling worden bewezen. Door iemand meermalen in het gezicht te stompen is de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de feiten heeft gepleegd onder invloed van zijn post-traumatische stressstoornis. Hierdoor is het opzet aan het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde komen te ontvallen.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het enkele slaan met vuisten levert geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Ook van het onder 2 primair moet verdachte worden vrijgesproken.

Het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 3 januari 2013, opgenomen op pagina 44 e.v. van dossier nr. PL01KF 2013001607 d.d. 26 april 2013, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven:

Gisteren, 2 januari 2013, kwam ik bij de woning van [verdachte] aan de [adres 1]te Groningen. Toen ik de woning van [verdachte] in kwam zag ik dat hij heel boos was. Hij stond in de keuken en hij had woeste blik in zijn ogen.

Uit het niets werd [verdachte] woest, ik voelde dat hij mij hard aan mijn haren trok. Ik viel hierdoor met mijn rug op de grond. Ik voelde enorme pijn op mijn hoofd, later voelde ik dat er plukken haar uit mijn hoofd waren getrokken. Toen ik op de grond lag ging [verdachte] boven op mij zitten, aan beide zijden van mijn lichaam had hij een been. Ik voelde dat [verdachte] mij ongeveer vier keer met beide gebalde vuisten om en om in mijn gezicht sloeg. Ik voelde op dat moment geen pijn, wel dat mijn neus hevig begon te bloeden.

Ik zag dat [verdachte] ging staan en dat hij links naast mij stond. Ik zag dat hij uithaalde met zijn been, ik weet niet meer welk been. Ik voelde vervolgens dat hij tot twee keer toe met kracht tegen mijn linker kaak aanschopte, mijn hoofd vloog alle kanten op. Ik ben vervolgens kort buiten bewustzijn geweest. Toen ik bij kennis kwam voelde ik dat [verdachte] weer op dezelfde manier bovenop mij zat als eerder. Ik voelde dat hij in mijn hals probeerde te bijten. Ik heb op alle manieren afgeweerd, ik heb met mijn beide handen geprobeerd [verdachte] overal te krabben. Ik voelde dat het [verdachte] wel lukte om in mijn beide oren te bijten, dat doet nu nog steeds enorm pijn.

Mijn gezicht is helemaal opgezwollen, mijn beide ogen zijn dik en rood/blauw van kleur. Mijn linker kaak waar [verdachte] tegenaan heeft geschopt is opgezwollen en blauw/rood van kleur. Mijn neus is gebroken. Mijn beide oren en duim doen enorm pijn omdat [verdachte] erin gebeten heeft.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 januari 2013, opgenomen op pagina 52 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 2 januari 2013, kregen wij, verbalisanten, een melding om te gaan naar de [adres 1]. Buiten stond het slachtoffer [slachtoffer 1]. Wij, verbalisanten, zagen en hoorden dat ze geëmotioneerd was. Tevens zagen wij, verbalisanten, dat het hoofd van het slachtoffer opgezwollen en rood was en tevens zagen wij sporen van bloed in het gezicht van het slachtoffer.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 januari 2013, opgenomen op pagina 61 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3], zakelijk weergegeven:

Op woensdag 2 januari 2013 omstreeks 13:45 uur was ik thuis aan de [adres 2]te Groningen. Op een gegeven moment ging de bel van mijn voordeur

Ik deed toen de deur open en zag de buurvrouw voor de deur staan. Ik weet dat deze buurvrouw een relatie heeft met mijn buurman genaamd [verdachte]. Ik zag ook gelijk dat de vrouw die voor mijn deur stond allemaal bloed aan haar gezicht had en een theedoek om haar hoofd had. Ik zag ook dat haar gezicht helemaal blauw was. De vrouw voor mijn woning zei: "Help buurvrouw, help alsjeblieft help".

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 3 januari 2013, opgenomen op pagina 29 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Toen ik opstond zag ik dat haar gezicht onder het bloed zat.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 7 januari 2013, opgenomen op pagina 38 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter commissaris van de hierboven vermelde rechtbank, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 1]zei op een gegeven moment dat ze weg zou gaan en er knapte iets bij mij. Ik heb haar toen vervolgens meermalen met mijn vuist in haar gezicht geslagen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 4 januari 2013, opgenomen op pagina 71 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2]zakelijk weergegeven:

Op woensdag 2 januari 2013 omstreeks 14:20 uur was ik in mijn woning aan de [adres 2]te Groningen.

Terwij1 ik boven stond hoorde ik ineens een hele harde klap alsof het een mortiergranaat was, gevolgd door glasgerinkel. Ik zag [verdachte] voor het raam staan. Ik zag vervolgens dat [verdachte] door het kapotte raam iets naar binnen gooide. Ik zag dat dit tegen mijn voet aankwam.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 januari 2013, opgenomen op pagina 61 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3], zakelijk weergegeven:

Op woensdag 2 januari 2013 omstreeks 13:45 uur was ik thuis aan de [adres 2]te Groningen. [verdachte] was helemaal doorgedraaid. Ik hoorde ineens meerdere harde knallen. Mijn vriend [slachtoffer 2]was in de woning toen [verdachte] de bommen in de woning gooide.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 9 januari 2013, opgenomen op pagina 68 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de getuigenverklaring van [getuige], zakelijk weergegeven:

Op woensdag 2 januari 2013 was ik thuis in mijn woning aan de [adres 2]. Ik wist dat [verdachte] in bezit was van zogenaamde Cobra’s. Hij had namelijk de dag van tevoren nog aan mij verteld dat hij er één te dicht bij zijn huis had laten ontploffen en dat daarbij een ruit kapot was gegaan. Ik heb gezien dat [verdachte] meerdere keren naar zijn woning is gelopen, vuurwerk heeft gehaald en dit naar binnen heeft gegooid op nummer [adres 2]. lk schat dat er ongeveer 8 knallen zijn geweest. Ik heb gezien dat [verdachte] ze steeds per twee naar binnen gooide.

Een proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 25 maart 2013, als bijlage opgenomen in voormeld dossier, inhoudende een sporenonderzoek ingesteld door de Politie Noord-Nederland, Divisie Recherche Ondersteuning, Unit Forensisch-technische Expertise d.d. op 2 januari 2013 in de woning, [adres 2] te Groningen, zakelijk weergegeven:

Bevindingen:

Gelet op de vuurwerkresten, de vuurwerkaanslag en de beschadigingen in en rond de woning, [adres 2], is op de navolgende plaats een stuk vuurwerk "GHOST III" tot ontploffing gebracht:

- Binnen in de woonkamer van de woning [adres 2].

Gelet op de schade in de woning, [adres 2] en het feit dat de benadeelde

[slachtoffer 2]in de woonkamer aanwezig was ten tijde van de explosies is gemeen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten geweest.

Een schriftelijk stuk d.d. 15 februari 2013, als bijlage opgenomen in voormeld dossier, inhoudende een explosieven-onderzoek uitgevoerd door het NFI naar aanleiding van het aangetroffen vuurwerk op 2 januari 2013 in de woning aan de [adres 2] te Groningen, zakelijk weergegeven:

Gevaarzetting

Gezien de hoeveelheid en de samenstelling van de aangetroffen lading, en de beschreven uitwerking in paragraaf 6.1 ontstaat gevaar voor lichamelijk letsel, zoals brandwonden, gehoorschade en doorboring van de huid.

Afhankelijk van de plaats van treffen bij (vrijwel) direct contact van de explosieve constructie met het lichaam tijdens de explosie ontstaat gevaar voor ernstig lichamelijk letsel. In uitzonderlijke gevallen, bij direct contact met hoofd en nek, kan dit letsel fataal zijn.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 7 januari 2013, opgenomen op pagina 38 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris van de hierboven vermelde rechtbank, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik vuurwerk in de richting van de woning heb gegooid. Ik heb wel gezien dat dit binnen terecht kwam.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 januari 2013, opgenomen op pagina 61 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3], zakelijk weergegeven:

Op woensdag 2 januari 2013 omstreeks 13:45 uur was ik thuis aan de [adres 2] te Groningen. [verdachte] was helemaal doorgedraaid. Ik hoorde ineens meerdere harde knallen. Ik hoorde ook allemaal glasgerinkel na de tweede knal. Ik zag dat het voorraam van mijn woning helemaal kapot was. De woning was één grote bende.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 januari 2013, opgenomen op pagina 52 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 2 januari 2013, omstreeks 14.00 uur, hoorden wij verbalisanten, van de centralist van de meldkamer, dat er vuurwerk in de woning gegooid zou worden. Dit zou zijn bij het perceel aan de [adres 2] te Groningen.

Tevens zagen wij, verbalisanten, dat er een tweetal ramen kapot was. Tevens zagen wij, verbalisanten, dat er zowel uit de twee kapotte ramen, als uit de voordeur een dichte donkergrijs kleurige rook de woning uit kwam.

Wij, verbalisanten, zagen een ravage in de woning, vermoedelijk veroorzaakt door het vuurwerk dat door de verdachte naar binnen was gegooid.

Een proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 25 maart 2013, als bijlage opgenomen in voormeld dossier, inhoudende een sporenonderzoek ingesteld door de Politie Noord-Nederland, Divisie Recherche Ondersteuning, Unit Forensisch-technische Expertise d.d. op 2 januari 2013 in de woning, [adres 2] te Groningen, zakelijk weergegeven:

De ruiten van de ramen naast de toegangsdeur waren vernield. Op de muur, van de bijkeuken, rechts voor voormeld raam zat een grijskleurige aanslag, afkomstig van mogelijk vuurwerk dat tot ontploffing was gebracht. In de woonkamer op de met laminaat bedekte vloer zat een grijze aanslag. Deze aanslag zat ook op de achterzijde van voormelde tweezitsbank. In de bekleding van deze bank zat ook een gat, mogelijk veroorzaakt door een ontploffing. In de laminatenvloer zat een nagenoeg ronde beschadiging, met een diameter van ongeveer 5 centimeter. Alle meubilair in de woonkamer was bedekt en een kleurloze aanslag. In de keuken op de vloer voor de kast en in de richting van de woonkamer lagen diverse goederen, mogelijk afkomstig vanaf of uit deze buffetkast.

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

Verdachte heeft - naar het oordeel van de rechtbank - opzet gehad op het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Verdachte heeft op 2 januari 2013 zijn toenmalige vriendin mishandeld. Daarna is hij naar buiten gelopen en heeft hij vuurwerk in de woning van de buren, bij wie zijn toenmalige vriendin haar toevlucht had gezocht, gegooid. Dit (gericht) gedrag duidt op (tenminste) enig inzicht van verdachte in de draagwijdte van zijn handelingen en de mogelijk te verwachten gevolgen daarvan. Dat verdachte daarbij mogelijk handelde onder invloed van een posttraumatische stressstoornis, staat daar niet aan in de weg.

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde

De officier van justitie en de raadsman hebben aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het feit dat verdachte aangeefster heeft geschopt en getrapt en dat hij plukken haar uit haar hoofd heeft getrokken.

Op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat er ook voor deze handelingen van verdachte voldoende wettig en overtuigend bewijs is.

De raadsman heeft voorts nog aangevoerd dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging zware mishandeling niet kan worden bewezen.

De rechtbank oordeelt als volgt. Voorwaardelijk opzet is aanwezig als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg (in casu zwaar lichamelijk letsel) zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte tegen het hoofd van aangeefster heeft geschopt.

De algemene ervaring leert dat de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is wanneer er wordt geschopt tegen het hoofd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 2 januari 2013, te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en gestompt en geslagen en gebeten en vervolgens/daarbij plukken haar uit het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 2 januari 2013, te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een hoeveelheid vuurwerk, in een woning (waarin die [slachtoffer 2]zich bevond) heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 2 januari 2013, in de gemeente Groningen, opzettelijk en wederrechtelijk een woning, gelegen aan de [adres 2] te Groningen, een voorraam van die woning en huisraad in die woning, toebehorende aan [slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 3]en Lefier, heeft vernield en/of beschadigd.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1: poging zware mishandeling

2: poging zware mishandeling

3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 8 april 2013, opgemaakt door F. Luteijn, klinisch psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en dat hij op grond daarvan verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Naar aanleiding van bovengenoemd rapport oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het rapport blijkt dat de psycholoog ten behoeve van zijn onderzoek voor wat betreft de aanleiding van het onder 1 ten laste gelegde is uitgegaan van de lezing van verdachte. Deze lezing houdt

-kort gezegd- in dat verdachte bovenop aangeefster viel en dat zij allebei naar een op de grond gevallen telefoon reikten. Daarop mishandelde verdachte aangeefster.

De psycholoog verbindt aan deze door verdachte geschetste situatie de conclusie dat bepaalde aspecten van deze situatie wellicht leken op een incident in 2009 waarbij verdachte door een collega werd belaagd met een mes. Die agressie-uitbarsting was dermate hevig dat verdachte zich er gedeelten niet meer van herinnert. Bij dit alles lijkt de PTSS van invloed te zijn geweest en is de agressieontlading ontstaan als reactie en ter voorkoming van de angst ten gevolge van de PTSS.

De rechtbank gaat echter voor wat betreft de aanleiding van de door verdachte gepleegde strafbare feiten uit van de lezing van aangeefster. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster het meest betrouwbaar, nu verdachte gedurende het strafproces verschillende verklaringen heeft afgelegd. Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat verdachte boos was toen aangeefster zijn woning binnenkwam. Verdachte werd vervolgens, toen aangeefster zei dat zij naar huis ging, vanuit het niets woest en mishandelde haar daarop.

Hoewel de rechtbank niet uitgesloten acht dat verdachte lijdt aan PTSS, is er naar het oordeel van de rechtbank in de laatst omschreven situatie geen sprake van causaal verband tussen het ten laste gelegde en de stoornis van verdachte.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde gaat de rechtbank uit van de door getuige [slachtoffer 2]omschreven situatie. De rechtbank acht de verklaring van getuige [slachtoffer 2]het meest betrouwbaar, nu verdachte gedurende het strafproces verschillende verklaringen heeft afgelegd. Uit de verklaring van getuige [slachtoffer 2]blijkt dat het eerste agressiemoment van de kant van verdachte kwam. Die verklaring wordt overigens gesteund door de verklaring van getuige [slachtoffer 3]. Gelet op die situatie is er ook hier geen sprake van causaal verband tussen het onder 2 ten laste gelegde en de stoornis van verdachte.

De rechtbank kan zich, gelet op de onderbouwing daarvan, dan ook niet met de conclusie van de psycholoog verenigen, in zoverre deze tot causaal verband tussen stoornis en tenlastelegging concludeert.

De rechtbank concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, lettend op hetgeen de psycholoog heeft geconstateerd over de (afwezigheid van) persoonlijkheid(sstoornissen) van verdachte, dat het bewezenverklaarde volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten opzichte van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 136 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf van 200 uur gevorderd.

Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten. Aan de andere kant heeft de officier van justitie rekening gehouden met de over verdachte opgemaakte psychologische rapportage, waaruit blijkt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De officier van justitie heeft tot slot aangevoerd dat hij het niet passend vindt om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te vorderen, nu de voorlopige hechtenis van verdachte eerder al door de rechtbank is geschorst.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het werk van verdachte zal doorkruisen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de periode die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf kunnen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die de reclassering heeft geadviseerd. Daarnaast kan aan verdachte een werkstraf worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op één dag twee keer schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Op 2 januari 2013 heeft verdachte zonder aanleiding aangeefster, zijn toenmalige vriendin, mishandeld. Hij heeft haar meerdere malen gestompt en geslagen en heeft haar zelfs tegen haar hoofd geschopt. Na de mishandeling is aangeefster naar de buren gevlucht. Verdachte is daarop naar de woning van de buren gegaan. Terwijl de buurman zich in de woonkamer bevond, en ook mevrouw [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in de woning waren, heeft verdachte meerdere malen zwaar vuurwerk (in dit vertrek van) de woning ingegooid. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om ernstige feiten die bij de slachtoffers veel angst hebben veroorzaakt. Dat dit zo is blijkt onder andere uit de (schriftelijke) slachtofferverklaringen van aangeefsters en de toelichting op de vordering van aangever [slachtoffer 2].

Doordat verdachte vuurwerk in de woning heeft gegooid, heeft hij een ruit en diverse goederen in de woning vernield en/of beschadigd. Hij heeft hiermee veel schade en overlast veroorzaakt voor zijn buren.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om een andere en hogere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. Dit doet de rechtbank omdat de gevorderde straf naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht doet aan de ernst van de gepleegde en door de rechtbank bewezen verklaarde feiten die afwijken van hetgeen de officier van justitie bewezen acht. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend is.

Bij het bepalen van de hoogte van deze straf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Ook heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte inmiddels vrijwillig hulp heeft gezocht voor zijn problemen.

De reclassering heeft in het over verdachte opgemaakte rapport geadviseerd dat verdachte een ambulante behandeling bij de AFPN zal volgen. Ter zitting heeft verdachte verklaard hiervoor gemotiveerd te zijn. In de rapportage wordt daarnaast een meldplicht bij de reclassering geadviseerd.

Gelet op de persoonlijke problematiek van verdachte, waarvan blijkt uit de over verdachte opgemaakte psychologische rapportage, acht de rechtbank een ambulante behandeling aangewezen. De rechtbank zal daarom een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Aan dat deel kunnen de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd. Tot slot zal de rechtbank een proeftijd van drie jaar verbinden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vordering van de benadeelde partij (feit 1)

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 1], wonende te Groningen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering, te weten een bedrag van in totaal € 860,= aan materiële schade, en van de gronden waarop de vordering berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, ondanks dat niet alle posten zijn onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk, nu een beoordeling van de vordering - gelet op de betwisting daarvan door de verdediging - een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

Vordering van de benadeelde partij (feit 2)

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 2], wonende te Groningen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering, te weten een bedrag van in totaal € 4.065,=, bestaande uit € 1.200,= aan immateriële schade en

€ 2.865,= aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de posten ‘reparatie kast’ en ‘reparatie bank’ toewijsbaar zijn. Ten aanzien van de immateriële schade is toewijzing van een bedrag van

€ 500,= passend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de post ‘immateriële schade’ kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,=. De rest van de posten is niet voor toewijzing vatbaar, nu deze onvoldoende onderbouwd zijn.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de post ‘immateriële schade’ kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,=. De rechtbank wijst de post voor het overige deel af.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering

niet-ontvankelijk, nu een beoordeling van het overige deel van de vordering - gelet op de betwisting daarvan door de verdediging - een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Vordering van de benadeelde partij (feit 3)

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 3], wonende te Groningen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering, te weten een bedrag van in totaal € 1.329,= aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering voor toewijzing vatbaar is, nu aannemelijk is dat de schade het gevolg is geweest van het bewezenverklaarde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering voor een bedrag van € 91,92 toewijsbaar is. Het overige deel van de vordering is niet voor toewijzing vatbaar, nu dat deel onvoldoende onderbouwd is.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van

€ 91,92.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering

niet-ontvankelijk, nu een beoordeling van het overige deel van de vordering - gelet op de betwisting daarvan door de verdediging - een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Vordering van de benadeelde partij (feit 3)

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd Lefier Stad Groningen, gevestigd te Groningen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering, te weten een bedrag van in totaal € 4.245,70 aan materiële schade.

Beoordeling

De officier van justitie en de raadsman hebben aangevoerd dat de benadeelde partij

niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Nu niet blijkt dat [werknemer Lefier]is gemachtigd voor Lefier Stad Groningen op te treden, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een deel van 2 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat:

  • -

    de veroordeelde zich voor het einde van de op drie jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

  • -

    de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    de veroordeelde geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.  

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich binnen 14 dagen volgend op het vonnis melden bij reclassering Nederland te Groningen, aan de Leonard Springerlaan 21. Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als deze organisatie dit nodig acht;

- dat veroordeelde zich laat behandelen bij de AFPN in Groningen.

Geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 1)

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te Groningen in de vordering

niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 2][slachtoffer 2], wonende te Groningen gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 500,=, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2013.

Wijst het overige deel van de immateriële schade af.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 500,=, vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2]te Groningen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,=, vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 3)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] wonende te Groningen gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 91,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2013.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 91,92, vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3]te Groningen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 91,92, vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 3)

Verklaart de benadeelde partij Lefier Stad Groningen, gevestigd te Groningen in de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. M.J.B. Holsink, voorzitter, F. de Jong en

P.H.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.E. van Rhijn, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 december 2013.