Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:8084

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
C/18/139973/FA RK 13-666
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam. Wel zwaarwichtig belang in de zin van 1:4 lid 4 BW, maar inwilliging is ogv 1:4 lid 2 BW wegens ongepastheid niet mogelijk. Geen strijdigheid met art. 8 EVRM. Belangenafweging. Het zwaarwichtig belang van verzoeker weegt niet op tegen het belang van de Staat bij weigering van de gewenste "voornaam".

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1, leden 1,2 en, geldigheid: 2013-12-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0004

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Meervoudige Kamer

Locatie Groningen

zaaknr.: C/18/139973/FA RK 13-666

beschikking d.d. 17 december 2013

in de zaak van:

[…]

[…]

v e r z o e k e r,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. U. van Ophoven.

PROCESVERLOOP

De man heeft op 20 maart 2013 een verzoekschrift ingediend. Daarbij heeft hij verzocht om zijn voornaam te wijzigen, primair in "Dienaar van God" en subsidiair in

"Dienaar-van-God".

Op 29 mei 2013 is ter griffie een brief d.d. 28 mei 2013 van het Openbaar Ministerie, Arrondissementsparket Noord-Nederland (verder te noemen het OM) ontvangen.

Daarin wordt geadviseerd om het verzochte af te wijzen.

Ter griffie is op 19 juni 2013 een brief d.d. 18 juni 2013 van mr. Van Ophoven ontvangen.

Op 21 juni 2013 is ter griffie een brief van de man d.d. 15 juni 2013 ontvangen.

Ter griffie is op 12 september 2013 een brief van dezelfde datum van het OM ontvangen. Daarin wordt medegedeeld dat het OM niet aanwezig zal zijn bij de op 1 oktober 2013 geplande behandeling ter zitting.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 1 oktober 2013. Daarbij zijn de man en zijn advocaat verschenen en gehoord. De man heeft ter zitting zijn subsidiaire verzoek ingetrokken.

RECHTSOVERWEGINGEN

vaststaande feiten

De man is [geboren in Nederland.]. In zijn geboorteakte is de voornaam[B] opgenomen.

standpunt van de man

De vader van de man heeft de geboorteaangifte verricht. De naam die op de geboorteakte van de man staat vermeld is enigszins anders dan de Arabische naam die de man van zijn vader heeft gekregen. Laatstgenoemde naam is een Arabische naam die, letterlijk vertaald in het Nederlands, "dienaar van God" betekent. De man is door zijn vader altijd met het Arabische equivalent van "dienaar van God" aangesproken. Hij is door zijn vader nooit [B] genoemd.

De man en zijn vader spraken altijd in het Arabisch met elkaar. Ook met zijn moeder sprak hij voornamelijk in het Arabisch. De man, zijn vier broers en beide zusters spraken onderling in het Nederlands. De man heeft zijn hele leven in Nederland gewoond. Hij spreekt de Nederlandse taal en vindt deze taal ook de belangrijkste. Het Arabisch is voor de man de tweede taal, die overigens ook heel belangrijk voor hem is.

Beide ouders van de man zijn afkomstig uit Marokko. Zij zijn gescheiden toen de man de leeftijd van tien nog niet had bereikt. Daarna heeft de man nog slechts een paar keer contact met zijn vader gehad. Op enig moment heeft zijn vader Nederland verlaten en is hij in Marokko gaan wonen. Vanuit Marokko heeft de vader goederen en geld naar de kinderen gestuurd, maar van onderling contact is geen sprake meer geweest.

De man is erg gehecht geweest aan zijn vader. Deze was overtuigd moslim. Ook de man is islamitisch opgevoed en is de islamitische geloofsovertuiging toegedaan. De man is daarom erg gehecht aan de Arabische naam die zijn vader hem gaf. Deze naam is niet goed in Nederlandse klanken om te zetten. Omdat de man zich ook erg verbonden voelt met de Nederlandse cultuur, wil hij graag dat zijn voornaam wordt gewijzigd in "Dienaar van God". In die voornaam komt niet alleen de religieuze betekenis tot uiting, maar ook een taalkundige betekenis binnen het Nederlandse taalgebied. De man oefent geen religieuze functie uit. Tot nu toe heeft hij zich altijd voorgesteld als [de heer C].

De man heeft een zwaarwichtig belang bij zijn verzoek, hetgeen ook blijkt uit de verklaring van 15 maart 2013 van de geconsulteerde psychiater/psychotherapeut C.J.F. Kemperman. Deze heeft onder meer geconstateerd dat de beste oplossing ter vermindering van lijdensdruk bij de man in deze situatie een verandering van naam zou zijn.

De gewenste voornaam komt verder niet overeen met een bestaande geslachtsnaam. De man verwacht niet dat deze voornaam problemen in de samenleving zal veroorzaken. Van een ongepaste voornaam in de zin van artikel 1:4 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geen sprake.

beoordeling

Volgens artikel 1:4 lid 4 BW kan de rechter wijziging van voornamen gelasten op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijk vertegenwoordiger. Voor een dergelijke wijziging dient een voldoende zwaarwichtig belang te bestaan. De vraag wanneer er sprake is van een voldoende zwaarwichtig belang, wordt niet in de wet en de wetsgeschiedenis beantwoord, maar kan worden afgeleid uit de jurisprudentie.

Ingevolge artikel 1:4 lid 2 BW weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand voornamen in de geboorteakte op te nemen die ongepast zijn of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn.

Afgezien van de vraag of de door de man gewenste benaming als voornaam kan worden aangemerkt - deze benaming bestaat immers uit meerdere zelfstandige naamwoorden die een religieuze hoedanigheid aanduiden en betreft niet een door bijvoorbeeld vernoeming of verbastering ontstane voornaam - oordeelt de rechtbank als volgt.

Op grond van de door de man aangedragen feiten en omstandigheden en in aanmerking genomen het rapport van C.J.F. Kemperman, psychiater en psychotherapeut, van 15 maart 2013, is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij, vanuit zijn optiek bezien, een voldoende zwaarwichtig belang heeft in de zin van artikel

1:4 lid 4 BW bij inwilliging van zijn verzoek. De man ervaart lijdensdruk als gevolg van het feit dat hij telkens met een voor hem verkeerde voornaam wordt aangesproken (door Kemperman aangeduid als ‘dysnomofobie’).

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de door de man gewenste ‘voornaam’ geoorloofd is, gelet op de maatstaven van artikel 1:4 lid 2 BW, aan welke bepaling ook de rechtbank dient te toetsen. Voldoende is gebleken dat "Dienaar van God" niet als een bestaande geslachtsnaam kan worden aangemerkt, zodat enkel dient te worden bezien of de ‘voornaam’ ongepast is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Met alle respect voor de religieuze gevoelens van de man, dient de ‘voornaam’ “Dienaar van God” naar objectieve maatstaven als een te eigenaardige, ongeaccepteerde en ongebruikelijke ‘voornaam’ te worden aangemerkt om in het maatschappelijk verkeer gedragen te kunnen worden. De ‘voornaam’ kan verder, gezien de religieuze lading aanstoot geven en maatschappelijke weerstand oproepen, in die zin dat bij toewijzing van het verzoek van de man de man niet kan worden geacht zonder onevenredige problemen aan het maatschappelijk en economisch verkeer deel te kunnen nemen. Daarnaast komt ook de openbare orde in het gedrang. Inwilliging van het verzoek van de man is op grond van artikel 1:4 lid 2 BW wegens ongepastheid dan ook niet mogelijk.

De man heeft voorts een beroep gedaan op artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank overweegt daarover het volgende. Voornamen zijn een middel om personen binnen hun familie en in het maatschappelijk verkeer te identificeren. Het recht om een bepaalde voornaam te dragen valt dan ook onder het recht op respect voor privé- en/of familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM (Guillot v. Frankrijk, rov. 21, Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) 24 oktober 1996, NJ 1997, 324). Of op de Staat op grond van artikel 8 EVRM een positieve verplichting rust om een verzoek van een betrokkene tot voornaamswijziging in te willigen, is volgens het EHRM afhankelijk van de uitkomst van een "fair balance" tussen enerzijds de belangen van de betrokkene en anderzijds de belangen van de Staat, waarbij niet uit het oog kan worden verloren dat de Staat een zekere mate van beoordelingsvrijheid (“wide margin of appreciation”) toekomt (o.a. Evans v. het Verenigd Koninkrijk, EHRM [GC] 10 april 2007, no. 6339/05, rov. 75 en Johansson v. Finland, EHRM 6 september 2007, no. 10163/02 rov. 29). Factoren die van belang zijn bij de belangenafweging in de hiervoor bedoelde zin zijn onder meer of sprake is van een belachelijke dan wel eigenaardige voornaam en de mate van ongemak/overlast ("the degree of inconvenience") die de betrokkene als gevolg van het niet kunnen dragen van de door hem gewenste voornaam ondervindt. Ook alle andere relevante feiten en omstandigheden dienen te worden meegewogen, waaronder de vraag of het voor de betrokkene feitelijk toch mogelijk is de gewenste voornaam te voeren.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft de man gezien de lijdensdruk die en het ongemak dat hij ervaart vanwege het aangesproken worden met een zijns inziens verkeerde voornaam, een zwaarwegend belang bij inwilliging van zijn verzoek. Enige relativering van dit belang is wel op zijn plaats nu de wens om de ‘voornaam’ “Dienaar van God” te dragen de man - naar eigen zeggen - hem slechts een beperkt deel van zijn leven heeft beziggehouden, te weten vanaf eind 2012, begin 2013 en niets er aan in de weg lijkt te staan dat de man de door zijn vader aan hem gegeven Arabische naam, die licht afwijkend is van de naam die op het geboorte-uittreksel van de man voorkomt, feitelijk blijft gebruiken.

Niettegenstaande voornoemd zwaarwegend belang van de man is de rechtbank van oordeel dat dit belang niet opweegt tegen het belang van de Staat bij weigering van de gewenste ‘voornaam’. De rechtbank verwijst in dit verband om herhaling te voorkomen naar hetgeen hiervoor in het kader van de vraag of sprake is van een ongepaste ‘voornaam’ is overwogen. De rechtbank concludeert dan ook dat afwijzing van het verzoek van de man tot wijziging van zijn voornaam in “Dienaar van God” geen strijd oplevert met artikel 8 EVRM.

Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van de man afgewezen.

BESLISSING

wijst het verzoek van de man tot wijziging van zijn voornaam af.

Gegeven door mrs. S. Stenfert Kroese (voorzitter), D.A. Flinterman en D.W.J. Vinkes en uitgesproken door eerstgenoemde ter openbare terechtzitting van dinsdag 17 december 2013, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.

gdk

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.