Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:8072

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
18.930020-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 10a Opiumwet. Verdachte wordt verweten een (grote) hoeveelheid GBL voorhanden te hebben gehad ter voorbereiding van de productie van GHB.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10a, geldigheid: 2013-12-24
Opiumwet 2, geldigheid: 2013-12-24
Wetboek van Strafrecht 225, geldigheid: 2013-12-24
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2013-12-24
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2013-12-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

[jw.sys.1.datum_vonnis_strafzitting]Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.930020-13

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 24 december 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats]

thans verblijvende in[detentieadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 16 april, 2 juli, 24 september en 10 december 2013.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer.

De tenlastelegging

De verdachte is bij gewijzigde dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 9 mei 2012 tot en met 17 januari 2013 te [plaats delict]

[plaats delict], althans op een of meer

plaatsen in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied

van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende

GHB, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor

te bereiden en/of te bevorderen,

(telkens) een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die

feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om

daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen te verschaffen en/of

(telkens) zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te

verschaffen en/of

(telkens) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of

zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die

bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) een stof, te weten

(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) Gamma-ButyroLactone (GBL), welke stof benodigd

is, althans kan worden gebruikt, bij/voor de bereiding, verwerking en/of

vervaardiging van GHB

gefinancierd, besteld, geïmporteerd, vervoerd, overgeladen, opgeslagen,

verpakt, geëtiketteerd, afgeleverd, verstrekt, verkocht, geëxporteerd, ter

beschikking gesteld en/of voorhanden gehad en/of

doen/laten financieren, bestellen, importeren, vervoeren, overladen, opslaan,

verpakken, etiketteren, afleveren, verstrekken, exporteren, verkopen, ter

beschikking stellen en/of voorhanden hebben en/of

een/of meer internetsite(s) geëxploiteerd en/of een of meer onderneming(en)

(onder de namen [naam bedrijf verdachte]

[naam bedrijf verdachte]) gedreven met als doel de aanprijzing

en de verkoop van GBL;

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 4 september 2012 te [plaats delict]tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 21 liter, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende GHB, zijnde GHB een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

3.

hij in of omstreeks de jaren 2010, 2011 en/of 2012 te [plaats delict]

[plaats delict], althans op een of meer plaatsen in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) (een) (douane)verklaring(en) en/of (een) (douane)aangifte(s)

behorende bij (een) postpakket(ten)

-zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen- valselijk heeft opgemaakt of heeft doen opmaken of vervalst of heeft

doen vervalsen,

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk

valselijk en in strijd met de waarheid

bij (een) zending(en) aan [naam afnemer], Zwitserland, van

-(Annahmedatum) 9 februari 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als

afzender [naam afzender] en/of als inhoud van het pakket

'andere zeep' (andere Seife) vermeld en/of doen vermelden en/of

-(Annahmedatum) 26 mei 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als afzender

[naam afzender] en/of als inhoud van het pakket

'monster' (Muster) vermeld en/of doen vermelden en/of

-(Annahmedatum) 2 juni 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als afzender

[naam afzender] en/of als inhoud van het pakket

'monster' (Muster) vermeld en/of doen vermelden

(pv pagina's 2280, 2284, 2288) en/of

bij (een) zending(en) aan [naam afnemer], Zwiterland, van

-(Annahmedatum) 8 juni 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als afzender

[naam afzender] en/of als inhoud van het pakket

'monster voor testdoeleinden' (Muster zu Testzwecken) vermeld en/of doen

vermelden en/of

-(Annahmedatum) 25 augustus 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als

afzender[naam afzender] en/of als inhoud van het

pakker 'monster' (Muster) vermeld en/of doen vermelden

(pv pagina's 2324, 2328) en/of

bij een zendingen aan [naam afnemer], Zwitserland, van

(Annahmedatum) 17 juli 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als afzender

[naam afzender] en/of als inhoud van het pakket

'andere reinigingsmiddelen' (andere Reinigungsmittel) vermeld en/of doen

Vermelden

(pv pagina 2312) en/of

bij (een) zending(en) aan [naam afnemer], Zwitserland, van 13

september 2011 en/of 25 oktober 2011 (telkens) als afzender [naam afzender]

[naam afzender] vermeld en/of doen vermelden

(pv pagina's 2302, 2306) en/of

op de douaneverklaring van TNT Post met dagtekenstempel 2 januari 2012 als

afzender [naam afzender] en/of dat de zending een

geschenk bevat en/of een waarde heeft van 12 euro en/of dat het pakket Flood

Parket Cleaner inhoudt vermeld en/of doen vermelden en/of -door deze

verklaring te (doen) dag- en/of ondertekenen- verklaard en/of doen verklaren

dat de vermelde gegevens op deze douaneverklaring juist zijn ingevuld

(pv pagina 0491) en/of

op de douaneverklaring van TNT Post met dagtekenstempel 2 juli 2012 als

afzender[naam afzender] en/of dat de

zending een geschenk bevat en/of een waarde heeft van 16 euro en/of dat het

pakket Flood Parket Stripper inhoudt vermeld en/of doen vermelden en/of -door

deze verklaring te (doen) dag- en/of ondertekenen- verklaard en/of doen

verklaren dat de vermelde gegevens op deze douaneverklaring juist zijn ingevuld

(pv pagina 0495) en/of

op de douaneverklaring van TNT Post met dagtekenstempel 13 april 2012 als

afzender [naam afzender] en/of

dat de zending een geschenk bevat en/of een waarde heeft van 18 euro en/of dat

het pakket Flood Parket Cleaner inhoudt vermeld en/of doen vermelden en/of

-door deze verklaring te (doen) dag- en/of ondertekenen- verklaard en/of doen

verklaren dat de vermelde gegevens op deze douaneverklaring juist zijn ingevuld

(pv pagina 0502) en/of

op de douaneverklaring van TNT Post met dagtekenstempel 27 april 2012 als

afzender [naam afzender] en/of dat de

zending een geschenk bevat en/of een waarde heeft van 12 euro en/of dat het

pakket Flood Parket Stripper inhoudt vermeld en/of doen vermelden en/of -door

deze verklaring te (doen) dag- en/of ondertekenen- verklaard en/of doen

verklaren dat de vermelde gegevens op deze douaneverklaring juist zijn ingevuld

(pv pagina 0513),

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) en/of een of meer

onderneming(en)van verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) in

werkelijkheid de afzender(s) van het/de pakket(ten) waren en/of het/de

pakket(ten) (telkens) in werkelijkheid GBL bevatte(n) en/of (telkens) in

werkelijkheid een grotere waarde had(den) en/of (telkens) in werkelijkheid de

op de douaneverklaring(en) vermelde gegevens niet juist waren ingevuld,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 januari 2013 te

[plaats delict], althans op een of meer

plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, van (een)

voorwerp(en), te weten een Ford Mustang

en/of een Audi Quattro RS4, althans een of meer personenauto('s) en/of een of

meer ander(e) voorwerp(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld

wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp (en) was/waren of wie

bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) dit/deze voorwerp(en)

voorhanden gehad, overgedragen of omgezet of van dit/deze voorwerp(en) gebruik

gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 4 september 2012 te [plaats delict] een of

meer wapens van categorie III, te weten een (semi-automatisch) pistool van het

merk Colt, kaliber 9 mm en/of een revolver van het merk Humbert, kaliber 11,6

mm, en/of munitie van categorie III, te weten 34, althans een aantal,

kogelpatronen kaliber 9 mm en/of 17, althans een aantal, kogelpatronen kaliber

11,6 mm, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie [naam] acht hetgeen onder 1, onder 2, onder 3, onder 4 en onder 5 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, een geldboete van € 30.000,- en verbeurdverklaring van het in beslag genomen geldbedrag van € 1.100.000,- alsmede de twee in beslag genomen auto’s. De in beslag genomen wapens en munitie (feit 5) dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Met betrekking tot het overige beslag heeft de officier van justitie aangegeven dat dient te worden gehandeld zoals aangegeven op de bijlage bij het requisitoir.

De officier van justitie heeft voorts een ontnemingsvordering aangekondigd.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft de raadsman aangevoerd dat het openbaar ministerie op 5 september 2013 aan een groot aantal GBL-aanbieders een mail heeft verzonden inhoudende: “Om strafrechtelijke vervolging te voorkomen, raden wij u dringend aan te stoppen met de verkoop van GBL”. Verdachte heeft dat aanbod nooit gehad en heeft geen afweging heeft kunnen maken, waardoor hij in een slechtere positie is komen te verkeren dan andere GBL-aanbieders. Dit dient, aldus de raadsman, te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten, subsidiair in elk geval ten aanzien van feit 1.

De rechtbank volgt dit standpunt niet.

De eerste aanhouding van verdachte dateert van 4 september 2012, een jaar voorafgaand aan de mail van het openbaar ministerie van 5 september 2013. De tweede aanhouding van verdachte op 17 januari 2013 vond ook geruime tijd voor betreffende mail plaats. Sinds de tweede aanhouding bevindt verdachte zich in voorlopige hechtenis. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vervolging van verdachte reeds een aanvang genomen ruim voor de door het openbaar ministerie verzonden mail, zodat hij aan betreffende mail geen rechten kan ontlenen. Bovendien was verdachte door de inbeslagname van een grote hoeveelheid GBL (op 4 september 2012) voldoende op de hoogte van het standpunt van het openbaar ministerie inzake de handel in GBL en daarmee voldoende gewaarschuwd. Dit verweer wordt derhalve verworpen.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 4 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. De rechtbank acht met name niet wettig en overtuigend bewezen dat de gelden waarmee de auto’s zijn aangeschaft -middellijk of onmiddellijk- van misdrijf afkomstig zijn, gelet op de datum van aanschaf van de auto’s (respectievelijk 2009 en 2011) en de bewezenverklaring en overwegingen met bettrekking tot de onder 3 tenlastegelegde valsheid in geschrift.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Op 23 augustus 2012 is naar aanleiding van een ‘melding verdachte transactie’ bij het meldpunt van de FIOD in het kader van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Wvmc), een onderzoek gestart onder de codenaam ‘Awarra’ naar een zending van 20.000 kilogram GBL (gamma-butyrolacton), die ter inklaring bij de firma [naam] in Rotterdam stond en bestemd was voor de firma [naam bedrijf verdachte]. Verdachte [naam] is sinds 2007 directeur/eigenaar van [naam bedrijf verdachte] en hij verkoopt sinds 2007 GBL in grote hoeveelheden.

Op 27 augustus 2012 is aan de afnemer te kennen gegeven dat zijn vracht klaarstond, maar dat eerst de inklaringskosten nog voldaan moesten worden. Deze kosten zijn voldaan op 30 augustus 2012. Op 4 september 2012 heeft het transport plaatsgevonden naar de afnemer[naam bedrijf verdachte] De lading met een brutogewicht van 21.000 kilogram GBL, verpakt in 100 vaten, is onder de transporteur [naam] bij de loslocatie in [plaats delict] in beslag genomen. Na de in beslagname van de lading zijn op de [plaats delict] en op de [plaats delict] meerdere verdachten aangehouden in verband met dit onderzoek en werden doorzoekingen verricht. Bij deze doorzoekingen op 4 september 2012 zijn onder verdachte [naam] onder andere twee vuurwapens, munitie en nog eens ruim 20.000 liter GBL uit de voorraad in beslag genomen.

Verdachte is op 4 september 2012 aangehouden in verband met de vermoedelijke overtreding van artikel 10a van de Opiumwet. Verdachte is door de officier van justitie op 7 september 2012, hangende het onderzoek, in vrijheid gesteld1.

Op 7 november 2012 kwam bij de belastingdienst/FIOD een melding binnen van de Federale gerechtelijke politie DJP/Drugs/Productie te België, inhoudende dat bij [naam] (België) een bestelling was binnengekomen van de Nederlandse firma [naam bedrijf verdachte]. De bestelling had betrekking op de levering van 5400 kilogram GBL, hetgeen moest worden afgeleverd op het adres [plaats delict]. Deze partij GBL is in beslag genomen2.

Op 17 januari 2013 vonden opnieuw doorzoekingen plaats in de panden aan de [plaats delict] en [plaats delict] alsmede aan de [plaats delict]. Er werden (in totaal) 15 lege 200 liter vaten aangetroffen, alsmede verpakkingsmaterialen en ongeveer 300 verzendvelletjes van UPS3.

Vervolgens werd verdachte op 17 januari 2013 voor de tweede keer aangehouden ter zake van de vermoedelijke overtreding van artikel 10a van de Opiumwet, gepleegd ná 4 september 2012.

Op 5 juni 2013 ontving het onderzoeksteam de mededeling dat de douane te Schiphol tijdens een generieke controle 10 drums met elk 200 kilo GBL had aangetroffen. De zending was binnengekomen op 12 oktober 2012 vanuit China en was bestemd voor [naam]. Een medewerker van de douane heeft destijds per email contact gezocht met [naam] in verband met de afhandeling van de zending. Op 7 november 2012 kreeg de douanemedewerker per email een reactie op zijn contactverzoek van een persoon genaamd [voornaam verdachte] en verzonden via [naam bedrijf verdachte]. Deze partij GBL is door de politie op 6 juni 2013 in beslag genomen4.

De op 4 september 2012 in beslag genomen grote hoeveelheid van 20.000 liter GBL leverde ten aanzien van de eigenaar van [naam bedrijf verdachte], zijnde [verdachte], een verdenking van artikel 10a van de Opiumwet op, te weten het uitvoeren van voorbereidingshandelingen voor het produceren van verdovende middelen, te weten GHB.

Van GBL is bekend dat dit als grondstof voor de productie van 4-hydroxybutaanzuur (beter bekend als GHB) wordt gebruikt. GHB is een verdovend middel dat sinds 09 mei 2012 is opgenomen in lijst I van de Opiumwet. GBL valt thans niet onder het toepassingsbereik van de Opiumwet en het uitsluitend voorhanden hebben en verkopen van deze stof is dan ook niet strafbaar. Verdachte wordt echter verweten GBL voorhanden te hebben gehad ter voorbereiding van de productie van GHB, een feit dat derhalve (sinds 09 mei 2012) wel strafbaar is gesteld. In dat geval is vereist dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de stof bestemd was voor de bereiding van GHB.

Feit 1

Bewijsmotivering met betrekking tot feit 1

De raadsman heeft zich met betrekking tot de verkoop van GBL aan buitenlandse afnemers op het standpunt gesteld dat de Nederlandse strafwet niet van toepassing is, indien een buitenlandse koper de door verdachte geleverde GBL zou gebruiken om GHB te maken en te verkopen. Omdat de Nederlandse wet niet van toepassing is op niet-Nederlanders die in het buitenland GHB van GBL maken, kan het bestanddeel “een feit” als bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10a Opiumwet niet bewezen worden. Verdachte dient daarom voor wat betreft de levering van GBL aan het buitenland te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt onjuist.

Artikel 10a Opiumwet richt zich op de bestrijding van de (internationale) handel in drugs met een onaanvaardbaar risico en op degene die daarbij betrokken zijn en beoogt het mogelijk te maken in een vroeg stadium van de organisatie van die handel in te grijpen.5

Met drugs met een onaanvaardbaar risico worden de drugs voorkomend op lijst I van de Opiumwet -zoals GHB- bedoeld.

De in artikel 10a Opiumwet strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen vormen een zelfstandig strafbaar feit. De strafbaarheid van de voorbereidingshandelingen hangt daarom niet af van het al dan niet volgen van het strafbare feit dat werd voorbereid, noch is vereist dat van de voorbereidingshandelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf -als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 Opiumwet- deze dienen. Het resultaat van de voorbereidingshandelingen is dus niet relevant.6

De rechtbank is van oordeel, gelet op de aard en strekking van artikel 10a Opiumwet, zoals hiervoor is weergegeven, dat de wetgever heeft beoogd om ook voorbereidingshandelingen ten aanzien van een feit als bedoeld in artikel 10, lid 4, Opiumwet strafbaar te stellen, indien dit feit buiten Nederland door een niet-Nederlander wordt gepleegd.

Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat verdachte de GBL heeft verkocht als schoonmaakmiddel (onder meer als velgenreiniger) en dat hij geen ernstige reden had te vermoeden dat zijn afnemers de stof zouden gebruiken voor de bereiding van GBH. Verdachte stelt dat hij zich na 09 mei 2012 richtte op verkoop aan het buitenland, en dat hij geen GBL meer heeft verkocht aan Nederlanders, omdat in Nederland het risico te groot was dat afnemers er GHB van zouden maken. Verdachte stelt dat in het buitenland van GBL geen GHB wordt gemaakt omdat daarvoor 100% zuivere Natriumhydroxide (NaOH), te weten caustic soda of gootsteenontstopper in korrelvorm, nodig is en dit in het buitenland niet te verkrijgen is. Ter onderbouwing van het standpunt dat in Duitsland geen GHB wordt gemaakt van GBL is ter terechtzitting door de verdediging een artikel van de website [naam website] overgelegd.

Verdachte heeft, om te voorkomen dat zijn afnemers de door hem verkochte GBL zouden aanwenden ter bereiding van GHB, een eindgebruikersverklaring opgesteld en op zijn website gewaarschuwd dat misbruik wordt gestraft.

Nu van voorbereiden of bevorderen van GHB productie geen sprake is en de verkoop van GBL of het voorhanden hebben van GBL voor inname in pure vorm niet strafbaar is pleit de verdediging ook op dit punt voor vrijspraak.

Ter beantwoording van de vraag of in weerwil van het standpunt van verdachte de hiervoor

bedoelde voorbereidingshandelingen kunnen worden vastgesteld, overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte na 09 mei 2012 aan Nederlandse en aan buitenlandse klanten GBL heeft geleverd. Dat verdachte op grote schaal GBL aan buitenlandse afnemers heeft geleverd blijkt uit zijn eigen verklaringen7, uit de verklaringen van de getuigen [getuige] en [getuige]8, alsmede uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant]9.

De verklaring van verdachte dat hij na 09 mei 2012 niet meer in Nederland heeft geleverd wordt gelogenstraft door hetgeen uit de in beslag genomen administratie en opgevraagde bankgegevens van verdachte en zijn bedrijf is gebleken, te weten dat ook na 09 mei 2012 en na 4 september 2012 nog GBL is geleverd aan afnemers in Nederland10.

Vast staat voorts dat verdachte uit eigen ervaring bekend is met de productie van GHB uit GBL en dat hij uit eigen ervaring bekend is met het (inwendig) gebruik van zowel GHB als GBL11. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij weet dat in Nederland van GBL GHB wordt gemaakt.

De rechtbank overweegt voorts het volgende.

Verbalisant [naam verbalisant], materiedeskundige van het expertisecentrum synthetische drugs & precursoren van het KLPD, heeft een proces-verbaal opgemaakt over onder meer de legale en illegale toepassing van GBL. In dit proces-verbaal wordt gerelateerd dat in de reguliere en specialistische schoonmaakbranche geen gebruik wordt gemaakt van schoonmaakmiddelen die (99,99% zuivere) GBL bevatten. Bij enkele schoonmaakmiddelenproducenten wordt wel GBL gebruikt maar zit het als 10, 20, 50 of 60% GBL concentratie in enkele recepturen van deze producenten. Verder blijkt geen van de in het onderzoek betrokken professionele velgenreinigers voor de autobranche GBL te bevatten als ingrediënt. De prijzen van velgenreinigers die voor consumenten te koop zijn in de detailhandel variëren van € 11,00 tot € 25,00 per liter. De inkoopprijs van GBL varieert (bij afname van meer dan 1000 kilo) tussen € 2,50 en € 7,50 per liter12.

In de door verdachte op zijn website(s) geplaatste advertentie(s) wordt benadrukt dat de door hem aangeboden GBL een zuiverheid heeft van 99,99%13. Verdachte heeft verklaard dat hij de GBL verkoopt voor bedragen tussen de € 50,00 en € 99,00 per liter14.

Op verzoek van de verdediging is aanvullend onderzoek gedaan naar onder meer de verkrijgbaarheid van 100% zuivere NaOH in het buitenland, naar de vraag of 100% zuivere NaOH noodzakelijk is voor de bereiding van GHB en naar het klantenbestand van [verdachte]

Verbalisant [naam verbalisant], materiedeskundige op het gebied van synthetische drugs, heeft een proces-verbaal opgemaakt inhoudende, onder meer, dat voor het maken van GHB geen 100% zuivere caustic soda (NaOH) nodig is en dat NaOH in het buitenland vrij verkrijgbaar is. NaOH kent meerdere verschijningsvormen zoals korrels, pastilles, parels, schilfers, vlokken of kristallen, of in een oplossing met water. De werkzame stof is van alle verschijningsvormen NaOH. Voor de omzetting van GBL naar GHB maakt het niet uit welke vorm wordt gebruikt15.

Ten overstaan van verbalisanten [naam verbalisant] en [naam verbalisant] heeft verdachte, in verband met het onderzoek naar het percentage zakelijke klanten, verklaard dat alleen de databases van de websites van [naam website] en [naam website] nog te benaderen zijn, waarna hij van deze beide sites de gebruikersnamen en wachtwoorden heeft verstrekt16. Door verbalisant [naam verbalisant] is onderzoek gedaan naar de data van de websites van [naam website] en [naam website]. Hieruit bleek dat respectievelijk 9,78% en 8,66% van de klanten vermoedelijk zakelijke klanten betroffen. Uit een nader onderzoek van deze zakelijke klanten bleek dat van beide klantenbestanden vermoedelijk 60% van de bestellingen niet zijn gedaan uit hoofde van de vermelde onderneming en dat door verscheidene klanten frequent werd afgenomen17.

Het verweer van de verdediging dat afnemers in het buitenland geen GHB konden maken van GBL kan derhalve niet slagen. De stelling van de verdediging dat in het buitenland GBL voornamelijk werd verkocht als schoonmaakmiddel aan zakelijke klanten is derhalve niet juist.

Met betrekking tot het door de verdediging overgelegde stuk van de website [naam website], waaruit zou blijken dat GHB op de Duitse markt zo goed als niet voorkomt, overweegt de rechtbank dat zij voornoemde website heeft bekeken (zoals voorgesteld door de raadsman) en dat deze website eerder een aanwijzing is voor het tegendeel. Ook de stelling van de verdediging dat uit verschillende (in de pleitnota genoemde) bronnen blijkt dat in Nederland, in navolging van Engeland en Duitsland, een verschuiving plaatsvindt van GHB gebruik naar GBL gebruik, leidt niet tot een ander oordeel, nu de verschuiving naar GBL gebruik nog niet zo substantieel is dat GHB geen enkele rol meer speelt in de markt.

Met betrekking tot hetgeen is aangevoerd over de eindgebruikersverklaring overweegt de rechtbank dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat niet gecontroleerd werd op het gebruik. Voornoemde verklaring kan derhalve niet anders worden gezien als een ‘papieren tijger’ enkel bedoeld om verdachtes handelen een legale schijn te geven, terwijl het voorts eens te meer aangeeft dat verdachte zich terdege bewust was van het gebruik van GBL als grondstof voor GHB.

De rechtbank is op grond van voorstaande feiten en omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang en verband, van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte (en zijn medeverdachten) moet(en) hebben geweten dan wel ernstige reden had(den) te vermoeden dat (een groot deel van) zijn (Nederlandse en buitenlandse) klanten de door hem geleverde GBL aanwendde voor de bereiding van GHB. De voornamelijk particuliere klantenkring, de frequentie waarmee een deel van de klanten afnam, het belang dat werd toegekend aan de zuiverheid van de GBL, de hoogte van de verkoopprijs in verhouding tot de inkoopprijs, verdachtes bekendheid met de productie van GHB, zijn eigen gebruik van GHB en GBL, verdachtes eerdere veroordeling in Duitsland wegens handel in GBL, alsmede verdachtes verklaring dat afnemers een eindgebruikersverklaring moesten invullen, zijn omstandigheden die geen andere conclusie kunnen dragen.

De rechtbank acht, mede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de handel in GBL voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet heeft gepleegd.

Feit 2

Bewijsmotivering met betrekking tot feit 2

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Hieronder volgt de zakelijk weergegeven opsomming van de inhoud en van de vindplaats van deze bewijsmiddelen, waarbij (in de voetnoten) verwezen wordt naar de paginanummering in het originele dossier.

Op 4 september 2012 vond een doorzoeking plaats in de loods gevestigd aan [plaats delict].

Uit de bijlage bij het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname18 blijkt dat tijdens de doorzoeking onder meer in beslag is genomen: 1 jerrycan 25 liter gevuld met gele vloeistof (IBN-code: WE14.02.26.001). Door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zijn monsters van deze vloeistof onderzocht. Uit de rapportage van het NFI d.d. 7 december 2012 blijkt dat het monster lichtgele vloeistof met IBN-code: WE14.02.26 (sin AADH8685NL) GBL en GHB bevat19. Het NFI licht voornoemde conclusie als volgt toe, kort en zakelijk weergegeven:

Het materiaal AADH8685NL bevat voornamelijk GBL, daarnaast werd GHB aangetoond. GHB en GBL kunnen onder bepaalde omstandigheden in elkaar overgaan. De vloeistof was zwak zuur, bij deze zuurgraad wordt er een evenwicht gevormd tussen GHB en GBL. Het is niet na te gaan of de oorspronkelijk inhoud uit puur GHB of GBL of een mengsel hiervan bestond.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard, kort en zakelijk weergegeven, dat hij zowel GHB als GBL heeft gebruikt, dat hij weet dat GBL onder bepaalde omstandigheden (afhankelijk van zuurstof en luchtvochtigheid) spontaan transformeert naar GHB, dat dit een traag proces is dat enige jaren (5 tot 10 jaren) nodig heeft, dat er meerdere jerrycans in de loods stonden waarin resten GBL uit de lekbakken werden verzameld om op enig moment te worden vernietigd en dat sommige van deze jerrycans al vanaf de beginjaren (2007) in gebruik waren. Voorts heeft verdachte verklaard dat GHB in vergelijking met GBL dikker (stroperiger) is en een gelige kleur krijgt.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zeker geen 21 liter GHB in huis heeft gehad, maar dat moet worden aangenomen dat de oorspronkelijke GBL deels is omgezet in GHB en dat verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op deze omzetting.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte, gelet op zijn kennis van en ervaring met GBL en GHB, bewust het risico heeft aanvaard dat (een deel van) de GBL zich zou omzetten naar GHB. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB voorhanden heeft gehad.

Het verweer van de verdediging wordt daarmee verworpen.

Feit 3

Bewijsmotivering met betrekking tot feit 3

De officier van Justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat de tenlastelegging aldus moet worden begrepen, dat verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode valsheid in geschrifte heeft gepleegd en dat ter illustratie daarvan de in de tenlastelegging genoemde concrete voorbeelden zijn opgesomd. De tenlastelegging beperkt zich derhalve in haar visie niet tot de genoemde voorbeelden maar moet worden gezien als verdachtes algehele werkwijze.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Gelet op de wijze van ten laste leggen is de rechtbank, met de raadsman, van mening dat de tenlastelegging niet ziet op een langere periode, maar op de werkwijze ten aanzien van de twaalf genoemde concrete gevallen. De hierna vermelde bewezenverklaring ziet derhalve enkel op de in de tenlastegelegde genoemde specifieke zendingen.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Hieronder volgt de zakelijk weergegeven opsomming van de inhoud en van de vindplaats van deze bewijsmiddelen, waarbij (in de voetnoten) verwezen wordt naar de paginanummering in het originele dossier.

De als bijlagen bij het proces-verbaal in het dossier opgenomen (douane)verklaringen en (douane)aangiftes20.

Het relaas proces-verbaal betreffende de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant] met betrekking tot de valsheid in geschrift, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat verdachte verzendbonnen gebruikt van koeriersbedrijven TNT Post en UPS om verzendingen (GBL) te voltooien. Daartoe bedient hij zich van onjuiste namen en adressen en gebruikt hij een onjuiste productnaam. De verzendbonnen zijn door het onderzoeksteam onder verdachte in beslag genomen. De betalingen voor deze verzendingen zijn via de bankrekeningen van verdachte betaald en uit verklaringen is gebleken dat hij deze pakketten (deels) zelf heeft aangeboden bij TNT21.

De verklaring van de verdachte bij de politie, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik maakte gebruik van verschillende namen bij de verzending van pakketten omdat ik geen mensen aan de deur wilde hebben. Ik heb van collega’s gehoord dat zij mensen aan de deur kregen en ik ben ook wel eens bedreigd. Dit gebeurde bij het verzenden van pakketten via UPS (binnen de EU) en met TNT (buiten de EU)22.

De productomschrijving die gebruikt werd bij UPS was Cleaner, bij TNT was het Flood Woodstripper. In alle gevallen bevatten de pakketten GBL.

Als afzender gebruikte ik meerdere namen. Die weet ik niet uit mijn hoofd. Ik kan mij een briefje met [naam afzender] herinneren. Er werd dus iets ingevuld wat niet klopt. Je bent natuurlijk moeilijker herleidbaar als je die naam verandert23.

Op de verzendbonnen staat als waarde van de inhoud een lager bedrag (8 euro) vermeld en niet de werkelijke (verkoop)prijs van 75 euro. Dat is gunstiger voor de klant.

Verdachte verklaart voorts dat hij weet dat daarmee de overheid van het land waar het heen gestuurd wordt benadeeld wordt24.

De bekennende verklaring van de verdachter ter terechtzitting dat met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde pakketten onjuiste gegevens zijn ingevuld en dat hij daar de verantwoordelijkheid voor neemt.

Feit 5

Bewijsmotivering met betrekking tot feit 5

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Hieronder volgt de zakelijk weergegeven opsomming van de inhoud en van de vindplaats van deze bewijsmiddelen, waarbij (in de voetnoten) verwezen wordt naar de paginanummering in het originele dossier.

Op 4 september 2012 vond een doorzoeking plaats in de woning van verdachte aan de [woonplaats]. Verbalisant [naam verbalisant] verklaart25, kort en zakelijk weergegeven:

In de woning werd op een kast in de slaapkamer een geheel geladen revolver aangetroffen. In de cilinder van de revolver zaten 6 patronen. Op de kast werd een zwarte kunststof doos aangetroffen. In dit doosje zaten twee cilinders behorende bij het aangetroffen pistool, munitie en een houder geladen met patronen. Op de kast stond verder nog een kistje met een pistool. In het pistool zat geen houder. In de kamer van het pistool zat geen patroon. In de kast werd een houder, een aantal patronen en een doosje met patronen aangetroffen.

Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname d.d. 4 september 201226: Aangetroffen worden:

- een houder, 15 knalpatronen en een doosje met 27 patronen

- een geladen zwarte revolver, merk Humbert, type Safegom, cal. 11,6 mm, s/n 048011

- een grijs pistool, merk Colt, type MK 4, s/n SS49603

- een zwart kunststof doosje met twee cilinders, munitie en een houder met patronen.

Het proces-verbaal van de verbalisant [naam verbalisant], gecertificeerd vuurwapencoördinator van de divisie recherche ondersteuning van de regiopolitie Drenthe, inhoudende het onderzoek aan de in beslag genomen wapens en munitie27. De verbalisant concludeert, kort en zakelijk weergegeven, het volgende:

Het pistool, merk Colt, is een vuurwapen in de zin van art 1 onder 3 juncto art 2 lid 1 Cat III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.

De revolver, merk Humbert, is een vuurwapen in de zin van art 1 onder 3 juncto art 2 lid 1 Cat III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.

De munitie, centraalvuurpatronen, merk Sellier & Bellot en Fiocchi, totaal 34 stuks, zijn munitie in de zin van art 1 onder 4 juncto art 2 lid 2 Cat III van de Wet Wapens en Munitie.

De munitie, centraalvuurpatronen, merk Safegom, totaal 17 stuks, zijn munitie in de zin van art 1 onder 4 juncto art 2 lid 2 Cat III van de Wet Wapens en Munitie.

De verklaring van de verdachte bij de politie28 dat de twee bij de doorzoeking van het pand aan de[woonplaats] op 4 september 2012 aangetroffen vuurwapens van hem zijn. Hij verklaart, kort en zakelijk weergegeven:

Die heb ik aangeschaft, stuk voor stuk. Ik heb ze gekocht om mijzelf te beschermen. Eerst de gedemonteerde, dat is die dus met kogels schiet en niet met rubber, in 2011. Toen heb ik iets later die tweede gekocht en die andere gedemonteerd. De kogels lagen samen maar waren niet met het pistool op één plaats. Ik heb de tweede gekocht omdat daar rubberen kogels inzitten. Bij mijn weten zijn die niet dodelijk. Ik heb beide vuurwapens gekocht bij dezelfde persoon, diens naam wil ik niet noemen.

De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 9 mei 2012 tot en met 17 januari 2013 te [plaats delict], meermalen, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden van een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, (telkens) stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn medeverdachten wisten of ernstige reden hadden te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende hij, verdachte, en zijn medeverdachten (telkens) een stof, te weten een hoeveelheid Gamma-ButyroLactone (GBL), welke stof benodigd is voor de bereiding van GHB, gefinancierd, besteld, geïmporteerd, vervoerd, opgeslagen, verpakt, geëtiketteerd, afgeleverd, verkocht, geëxporteerd en voorhanden gehad en internetsites geëxploiteerd en een onderneming

(onder de namen [naam bedrijf verdachte]) gedreven met als doel de aanprijzing en de verkoop van GBL;

2.

hij op 4 september 2012 te [plaats delict] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde GHB een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij in de jaren 2010 en 2011 te[plaats delict], meermalen, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, een (douane)verklaring of een (douane)aangifte

behorende bij een postpakket -zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt, hebbende hij, verdachte en zijn medeverdachten (telkens) opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid

bij een zending aan [naam afnemer], Zwitserland, van

-(Annahmedatum) 9 februari 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als afzender [naam afzender] en als inhoud van het pakket 'andere zeep' (andere Seife) vermeld en

-(Annahmedatum) 26 mei 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als afzender[naam afzender] en als inhoud van het pakket 'monster' (Muster) vermeld en

-(Annahmedatum) 2 juni 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als afzender[naam afzender] en als inhoud van het pakket 'monster' (Muster) vermeld en

bij een zending aan [naam afnemer], Zwiterland, van

-(Annahmedatum) 8 juni 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als afzender [naam afzender] en als inhoud van het pakket 'monster voor testdoeleinden' (Muster zu Testzwecken) vermeld en

-(Annahmedatum) 25 augustus 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als afzender [naam afzender] en als inhoud van het pakker 'monster' (Muster) vermeld en

bij een zending aan [naam afnemer], Zwitserland, van (Annahmedatum) 17 juli 2010 op de (douane)aangifte (Gestellung) als afzender [naam afzender] en als inhoud van het pakket 'andere reinigingsmiddelen' (andere Reinigungsmittel) vermeld en

bij een zending aan [naam afnemer], Zwitserland, van 13 september 2011 en 25 oktober 2011 (telkens) als afzender [naam afzender] vermeld en

op de douaneverklaring van TNT Post met dagtekenstempel 2 januari 2012 als afzender [naam afzender] en dat de zending een geschenk bevat en een waarde heeft van 12 euro en dat het pakket Flood Parket Cleaner inhoudt vermeld en -door deze verklaring te dag- en ondertekenen- verklaard dat de vermelde gegevens op deze douaneverklaring juist zijn ingevuld en

op de douaneverklaring van TNT Post met dagtekenstempel 2 juli 2012 als afzender [naam afzender] en dat de zending een geschenk bevat en een waarde heeft van 16 euro en dat het pakket Flood Parket Stripper inhoudt vermeld en -door deze verklaring te dag- en ondertekenen- verklaard dat de vermelde gegevens op deze douaneverklaring juist zijn ingevuld en

op de douaneverklaring van TNT Post met dagtekenstempel 13 april 2012 als afzender [naam afzender] en dat de zending een geschenk bevat en een waarde heeft van 18 euro en dat het pakket Flood Parket Cleaner inhoudt vermeld en -door deze verklaring te dag- en ondertekenen- verklaard dat de vermelde gegevens op deze douaneverklaring juist zijn ingevuld

en

op de douaneverklaring van TNT Post met dagtekenstempel 27 april 2012 als afzender [naam afzender] en dat de zending een geschenk bevat en een waarde heeft van 12 euro vermeld en -door deze verklaring te dag- en ondertekenen- verklaard dat de vermelde gegevens op deze douaneverklaring juist zijn ingevuld, terwijl hij, verdachte en een onderneming van verdachte, (telkens) in

werkelijkheid de afzenders van de pakketten waren en de pakketten (telkens) in werkelijkheid GBL bevatten en (telkens) in werkelijkheid een grotere waarde hadden en (telkens) in werkelijkheid de op de (douane)aangiftes en (douane)verklaringen vermelde gegevens niet juist waren ingevuld,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

5.

hij op 4 september 2012 te [plaats delict] wapens van categorie III, te weten een (semi-automatisch) pistool van het merk Colt, kaliber 9 mm en een revolver van het merk Humbert, kaliber 11,6 mm, en munitie van categorie III, te weten 34, kogelpatronen kaliber 9 mm en 17, kogelpatronen kaliber 11,6 mm, voorhanden heeft gehad.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert op:

onder 1:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

strafbaar gesteld bij artikel 10a van die Wet;

onder 2:

handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van die Wet;

onder 3:

valsheid in geschrift,

strafbaar gesteld bij artikel 225 Wetboek van Strafrecht;

onder 5:

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie,

strafbaar gesteld bij artikel 55 van die Wet.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 11 november 2013, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven is veroordeeld, alsmede het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van Tactus Verslavingszorg d.d. 11 juni 2013.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal ernstige feiten waarbij de handel in GBL en het daarmee opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 10a van de Opiumwet gegeven verbod de kern is van de verwijten.

GBL kent legale en illegale toepassingen. In het illegale circuit wordt deze stof als grondstof gebruikt voor de vervaardiging van GHB. Verdachte heeft zich bezig gehouden met de handel in GBL, welke GBL (grotendeels) bestemd was voor de productie van GHB.

GHB is een drug die tot dezelfde categorie behoort als cocaïne en andere sterk werkende drugs en is vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. GHB is een gevaarlijke en zeer sterke chemische substantie. GHB is zeer verslavend, het creëert een vernietigende afhankelijkheid die alleen verlicht kan worden door meer van deze drug te gebruiken. Het gebruik ervan kan vervolgens leiden tot ernstige gezondheidsproblemen. Het gebruik van GHB wordt voorts zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door valselijk (douane) formulieren in te vullen teneinde controle op zijn activiteiten te ontlopen en (douane)heffingen te ontduiken en zelf zoveel mogelijk buiten beeld te blijven. Door zo te handelen wordt het vertrouwen in de juistheid van geschriften die tot bewijs dienen, geschaad.

De verdachte heeft tenslotte in zijn woning twee vuurwapens met bijbehorende munitie aanwezig gehad, hetgeen onaanvaardbare risico's voor de veiligheid van personen met zich brengt. Dit levert aldus een ernstig strafbaar feit op nu ongecontroleerd wapenbezit onaanvaardbare risico's en gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich brengt.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, passend en geboden is. De rechtbank komt tot een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd omdat de rechtbank van de onder 3 tenlastegelegde valsheid in geschrifte enkel de twaalf concreet genoemde gevallen bewezen acht en verdachte vrijspreekt van het daarmee samenhangende en onder 4 tenlastegelegde witwassen. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het naast de gevangenisstraf en de verbeurdverklaring van het (verdiende) geldbedrag van € 966.377,89 opleggen van een geldboete.

Verbeurdverklaring

De rechtbank acht het in beslag genomen geldbedrag van € 966.377,89 vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien het aan verdachte toebehoort en dit geldbedrag door middel van het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit is verkregen.

Het overige beslag

Met uitzondering van de in beslag genomen personenauto’s (feit 4), die zullen worden teruggegeven aan verdachte, volgt de rechtbank het voorstel van de officier van justitie zoals neergelegd in de bij het requisitoir gevoegde beslaglijst. Dit voorstel is door de raadsman niet weersproken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 57, 225, van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de artikelen 2, 4, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 4 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1, onder 2, onder 3 en onder 5 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven zijn vermeld, en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag van € 966.377,89.

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van de (opbrengst van de) navolgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

  • -

    een Audi RS4 Quattro;

  • -

    een Ford Mustang Shelby GT500.

De rechtbank bepaalt met betrekking tot het overige beslag dat dit wordt onttrokken aan het verkeer respectievelijk wordt verbeurd verklaard conform de door de officier van justitie bij requisitoir overgelegde beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter en mrs. E. Läkamp en M.A.A. van Capelle, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 24 december 2013.

1 Pag 0030 e.v. en 0163 e.v. van het procesdossier van het korps Landelijke Politiediensten, Dienst Infrastructuur i.o., Team Zuid-Oost 2, onderzoeksnummer 26121755Z, codenaam ‘Awarra’;

2 Pag 0163 e.v.;

3 Pag 0107 e.v.;

4 Pag 0610 e.v. en 1793 e.v.;

5 Memorie van Toelichting, TK: 1982-1983, 17975, nr. 3, pag 4;

6 Vgl. HR 13-03-2001, LJN: AB0494;

7 Pag 1463 e.v. en ter terechtzitting;

8 Verklaringen van [getuige] en [getuige] bij de rechter-commissaris op 14 oktober 2013;

9 Pag 0591 e.v.;

10 Pag 0593 e.v.;

11 Pag 1463 e.v. en ter terechtzitting;

12 Pag 0461 e.v.;

13 Pag 0197 e.v. en ter terechtzittin;

14 Pag 1497 e.v.;

15 Pag 2587 en 2589;

16 Pag 2597 e.v.;

17 Pag 2600 e.v.;

18 Pag 1854 e.v. van het procesdossier van het korps Landelijke Politiediensten, Dienst Infrastructuur i.o., Team Zuid-Oost 2, onderzoeksnummer 26121755Z, codenaam ‘Awarra’;

19 Pag 0185 en 0187 e.v.;

20 Pag 2280, 2284, 2288, 2324, 2328, 2312, 2302, 2306, 0491, 0495, 0502, 0513;

21 Pag 0483 e.v.;

22 Pag 2250;

23 Pag 1488;

24 Pag 1506 e.v.;

25 Pag 1620 e.v. van het procesdossier van het korps Landelijke Politiediensten, Dienst Infrastructuur i.o., Team Zuid-Oost 2, onderzoeksnummer 26121755Z, codenaam ‘Awarra’;

26 Pag 1576 e.v.;

27 Pag 1632 e.v.;

28 Pag 1464 e.v.;