Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:8051

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
18/830496-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, meerdere malen gepleegd. TBS met dwangverpleging. Shockschade van de benadeelde partij.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht, geldigheid: 2013-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830496-13

Op tegenspraak

Raadsman: mr. M.M. Rietveldt

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

20 december 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]op [geboortedatum],

wonende te Groningen,

thans preventief gedetineerd in Vught PPC, Lunettenlaan 501 te Vught.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

6 december 2013.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2013 te Groningen

(telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer 1]van het leven te beroven,

met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (telkens)

die [slachtoffer 1]met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

een of meer malen heeft gestoken, althans stekende bewegingen gemaakt naar/in

de richting van die [slachtoffer 1] waarbij die [slachtoffer 1] in

de hals en/of in de (opper)arm werd gestoken/geraakt,

terwijl (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2013 te Groningen

aan een persoon, [slachtoffer 1],

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel

(een (spannings)pneumothorax/klaplong en/of zenuwletsel schouder),

heeft toegebracht,

door deze opzettelijk, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals te

steken/raken (waarbij dat mes/voorwerp de/een long heeft geraakt);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2013 te Groningen

(telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer 1]zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (telkens)

die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

een of meer malen heeft gestoken, althans stekende bewegingen gemaakt naar/in

de richting van die [slachtoffer 1] waarbij die [slachtoffer 1] in

de hals en/of in de (opper)arm werd gestoken/geraakt,

terwijl (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2013 te Groningen,

(telkens) opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

mishandelend, een persoon [slachtoffer 1],

opzettelijk, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (telkens)

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een of meer malen heeft

gestoken, althans stekende bewegingen gemaakt naar/in de richting van die

[slachtoffer 1], waarbij die [slachtoffer 1]in de hals en/of in de

(opper)arm werd gestoken/geraakt,

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1]zwaar lichamelijk letsel

(een (spannings)pneumothorax/klaplong en/of zenuwletsel schouder),

en/of/althans (telkens) enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 24 augustus 2013 te Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer 2] van het leven te beroven,

met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

die [slachtoffer 2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

een of meer malen heeft gestoken, althans stekende bewegingen gemaakt naar/in

de richting van die [slachtoffer 2], waarbij die [slachtoffer 2] in/aan de

(rechter) (boven)arm, het hoofd en/of (linker) (onder)arm werd

gestoken/geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2013 te Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer 2] zwaar lichamelijl letsel toe te brengen,

met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

die [slachtoffer 2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

een of meer malen heeft gestoken, althans stekende bewegingen gemaakt naar/in

de richting van die [slachtoffer 2], waarbij die [slachtoffer 2] in/aan de

(rechter) (boven)arm, het hoofd en/of (linker) (onder)arm werd

gestoken/geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2013 te Groningen,

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

mishandelend een persoon, [slachtoffer 2],

opzettelijk, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een of meer malen heeft

gestoken, althans stekende bewegingen gemaakt naar/in de richting van die [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2], waarbij die [slachtoffer 2] in/aan de (rechter) (boven)arm,

het hoofd en/of (linker) (onder)arm werd gestoken/geraakt,

tengevolge waarvan [slachtoffer 2] enig lichamelijk letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 24 augustus 2013 te Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer 3]van het leven te beroven,

met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

die [slachtoffer 3]met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

een of meer malen heeft gestoken, althans stekende bewegingen gemaakt naar/in

de richting van die [slachtoffer 3] waarbij die [slachtoffer 3]in/aan de

(linkervoorzijde) borstkast en/of (even boven) (linker)sleutelbeen werd

gestoken/geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2013 te Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer 3]zwaar lichamelijk letsel tot te brengen,

met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, ,

die [slachtoffer 3]met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

een of meer malen heeft gestoken, althans stekende bewegingen gemaakt naar/in

de richting van die [slachtoffer 3], waarbij die [slachtoffer 3]in/aan de

(linkervoorzijde) borstkast en/of (even boven) (linker)sleutelbeen werd

gestoken/geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2013 te Groningen,

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade mishandelend,

mishandelend een persoon, [slachtoffer 3],

opzettelijk, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een of meer malen heeft

gestoken, althans stekende bewegingen gemaakt naar/in de richting van die [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3] waarbij die [slachtoffer 3]in/aan de (linkervoorzijde)

borstkast en/of (even boven) (linker)sleutelbeen werd gestoken/geraakt,

tengevolge waarvan [slachtoffer 3]enig lichamelijk letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbedachte raad.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbedachte raad.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

De bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd

Een proces-verbaal aangifte d.d. 25 augustus 2013, opgenomen op pagina 70 e.v. van dossier nummer PL01KN 2013100302 d.d. 26 september 2013, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1]

Een medische verklaring omtrent [slachtoffer 1].d. 13 september 2013, opgenomen op pagina 84 van voornoemd dossier, opgemaakt door drs. J.E. Keizer, forensisch arts van de GGD

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde

De bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2013, opgenomen op pagina 86 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2]

Een medische verklaring omtrent [slachtoffer 2] opgenomen op pagina 95 van voornoemd dossier, opgemaakt door drs. J.E. Keizer, forensisch arts van de GGD

Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde

De bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2013, opgenomen op pagina 97 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3]

Een medische verklaring omtrent [slachtoffer 3]d.d. 18 september 2013, opgenomen op pagina 102 van voornoemd dossier, opgemaakt door drs. J.E. Keizer, forensisch arts van de GGD

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 24 augustus 2013 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1]van het leven te beroven, met dat opzet, die [slachtoffer 1] met een mes meermalen heeft gestoken, waarbij die [slachtoffer 1]in de hals en in de arm werd gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 24 augustus 2013 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2] met een mes meermalen heeft gestoken, waarbij die [slachtoffer 2] in de rechterbovenarm, het hoofd en linker onderarm werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 24 augustus 2013 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3]van het leven te beroven, met dat opzet die

[slachtoffer 3]met een mes meermalen heeft gestoken, waarbij die [slachtoffer 3]in de

(linkervoorzijde) borstkas en even boven het linker sleutelbeen werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair, 2 primair en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1: poging tot doodslag

2: poging tot doodslag

3: poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben aangevoerd dat verdachte - gelet op de inhoud van de rapportages van de psycholoog en de psychiater - volledig ontoerekingsvatbaar moet worden beschouwd en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het pro justitia rapport d.d. 18 oktober 2013, opgemaakt door psychiater A.H.J. Regterschot en het

pro justitia rapport d.d. 21 oktober 2013, opgemaakt door de forensisch psycholoog

D. Breuker.

De conclusies van deze rapportages zijn, dat er bij verdachte sprake is van schizofrenie van het paranoïde type, (trekken van) antisociale persoonlijkheidsstoornis en cannabisafhankelijkheid in remissie. Ten tijde van het ten laste gelegde was er reeds sprake van schizofrenie van het paranoïde type en (trekken van) een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vanuit de psychose en wanen was verdachte niet in staat de situatie adequaat in te schatten en te overzien, zijn eigen en andermans gevoelens juist te interpreteren en logisch na te denken. Zijn gedrag werd volledig beheerst door het waanidee dat hij een jongetje in zijn hoofd had en dat zijn slachtoffers hem belaagden en tegen hem waren. Hij was achterdochtig en had het idee dat de slachtoffers zijn gedachten konden horen en zag alles wat niet begrepen werd door hen als pesten en uitdagen.

Verdachte schroomde vanuit zijn antisociale persoonlijkheidstrekken geweld al niet als oplossing voor conflicten. Zijn agressieve impulsen werden door de waanideeën en het gevoel hieruit in het nauw te zitten helemaal niet meer beheerst. Het gedrag van verdachte en zijn gedachten werden volledig beheerst door de waanideeën, hallucinaties en achterdocht voortkomend uit de schizofrenie.

Door de deskundigen wordt geadviseerd om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren voor hetgeen hem is ten laste gelegd.

De rechtbank kan zich, gelet op de onderbouwing daarvan, met de adviezen verenigen en neemt deze over. De rechtbank is met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte van oordeel dat het bewezenverklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend. Verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Motivering maatregel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het opleggen van een TBS met dwangverpleging de enige maatregel is die toereikend is om het risico op geweldsrecidive te verkleinen en om aan verdachte de benodigde zorg te kunnen bieden. De officier vordert dan ook dat aan verdachte een TBS met dwangverpleging wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat aan verdachte geen TBS- maatregel dient te worden opgelegd. Verdachte moet geplaatst worden in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Hij reageert heel goed op medicatie en psychoses zijn binnen een jaar redelijk te behandelen. Daarbij komt dat verdachte nog nooit eerder behandeld is geweest. Het nu opleggen van TBS met dwangverpleging is dan ook een stap te ver. Binnen een FPK kan tegenwoordig ook voldoende beveiliging worden geboden. Mocht de kans op recidive na een jaar nog steeds als hoog worden ingeschat, dan kan er worden teruggevallen op een rechterlijke machtiging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging doodslag op zijn toenmalige vriendin en twee van haar kinderen door op hen in te steken met een mes. Verdachte heeft de aangevers met het mes in hun lichaam en/of hoofd geraakt. Uit de stukken in het dossier blijkt dat voor de slachtoffers deze strafbare feiten door verdachte volkomen onverwacht werden gepleegd.

Uit het rapport van de psychiater volgt dat indien verdachte onbehandeld blijft, het risico op het ontstaan van soortgelijke strafbare feiten zeer hoog is.

De rechtbank overweegt voorts dat zij haar oordeel mede heeft gegrond op de adviezen van voornoemde psychiater en forensisch psycholoog. Deze houden zakelijk weergegeven onder meer in: “Verdachte heeft intensieve behandeling nodig om te werken aan genoemde punten, ziektebesef, medicatie-instelling, medicatietrouw, het opbouwen van een sociaal netwerk en het vinden van een adequate dagbesteding. Medicatie is noodzakelijk bij de behandeling van schizofrenie van het paranoïde type. Wanen zijn vaak hardnekkig en instelling op medicatie kost tijd en expertise. Pas als de hallucinaties en wanen sterk zijn afgenomen of zijn verdwenen zal het recidiverisico afnemen. Medicatietoediening alleen is echter absoluut onvoldoende. Er zal intensief gewerkt moeten worden aan het ontwikkelen van ziektebesef en waar mogelijk ook ziekte-inzicht om een bepaalde mate van therapietrouw te verkrijgen. Ook een sociaal netwerk en adequate dagbesteding is noodzakelijk voor het voorkomen van destabilisatie. Het behandelen van verdachte zal bemoeilijkt worden door zijn antisociale persoonlijkheidskenmerken. Forensische expertise is noodzakelijk. Verwacht wordt dat een langdurige intensieve behandeling nodig is in een psychiatrische instelling in een gedwongen kader. De gehele behandeling zal hoogstwaarschijnlijk meer dan een jaar in beslag nemen. Wanneer verdachte onvoldoende behandeld is, wordt hij - ook in een klinische omgeving- gevaarlijk geacht, omdat zijn waanideeën zich ook op zijn medepatiënten of behandelaars kunnen richten.”

De rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusies van de adviezen verenigen en neemt deze over.

Gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten, alsmede vanwege de hiervoor beschreven omstandigheden met betrekking tot de persoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de maatschappij zo goed mogelijk beveiligd moet worden, temeer omdat bij herhaling gevreesd moet worden dat verdachte wederom (soortgelijke) strafbare feiten zal gaan plegen. Anders dan de raadsman en ook anders dan de psycholoog acht de rechtbank een plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis hiertoe onvoldoende, nu deze maatregel slechts voor een jaar kan worden gelast.

De rechtbank stelt vast dat hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard steeds een misdrijf oplevert waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een andere persoon. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van de maatregel.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat uit het oogpunt van de beveiliging van de maatschappij, in deze situatie een TBS met bevel tot verpleging van overheidswege geboden is.

Vordering van de benadeelde partij (ten aanzien van feit 1)

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 1], wonende te Groningen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering, te weten een bedrag van in totaal € 9.416,-, bestaande uit € 1.916,- aan materiële schade en

€ 7.500,- aan immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de post ‘smartengeld’ moet worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-.

De post ‘mantelzorg’ is niet toewijsbaar, nu onduidelijk is waar dat bedrag vandaan komt. De overige posten zijn toewijsbaar.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij

niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het beoordelen van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet van eenvoudige aard is. De vordering is pas een dag voor de zitting door de verdediging ontvangen. Daarbij komt dat de vordering grotendeels onleesbaar is.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de post 'eigen risico' moet worden afgewezen. Uit de stukken wordt niet duidelijk dat het eigen risico van € 350,- rechtstreekse schade is van het bewezen verklaarde feit. De post 'immateriële schade' moet worden gematigd.

Beoordeling

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vordering in behandeling kan worden genomen. De raadsman heeft ter zitting alle gelegenheid gekregen vragen te stellen aan de raadsvrouw van de benadeelde partij, zodat van onduidelijkheden geen sprake kan zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de post ‘smartengeld’ kan worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,=.

De overige posten zijn voor toewijzing vatbaar nu zijn goed zijn onderbouwd. In totaal is dan ook een bedrag van € 5.916,- toewijsbaar.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering

niet-ontvankelijk.

Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat een deel van de schade, te weten een bedrag van € 2.977,= reeds aan de benadeelde partij vergoed is uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

In totaal wijst de rechtbank een bedrag van (€ 5.916,- minus € 2.977,- =) € 2.939,- toe.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Vordering van de benadeelde partij (ten aanzien van feit 2)

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 2] wonende te Groningen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering, te weten een bedrag van in totaal € 7.664,40, bestaande uit € 164,40 aan materiële schade en

€ 7.500,- aan immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de post ‘smartengeld’ moet worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij

niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het beoordelen van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet van eenvoudige aard is. De vordering is pas een dag voor de zitting door de verdediging ontvangen. Daarbij komt dat de vordering grotendeels onleesbaar is.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de post 'immateriële schade' moet worden gematigd.

Beoordeling

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vordering in behandeling kan worden genomen. De raadsman heeft ter zitting alle gelegenheid gekregen vragen te stellen aan de raadsvrouw van de benadeelde partij, zodat van onduidelijkheden geen sprake kan zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de post ‘smartengeld’ kan worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-.

De overige posten zijn voor toewijzing vatbaar nu zij goed zijn onderbouwd. In totaal is dan ook een bedrag van

€ 4.164,40 toewijsbaar.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering

niet-ontvankelijk.

Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat een deel van de schade, te weten een bedrag van € 2.533,- reeds aan de benadeelde partij vergoed is uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

In totaal wijst de rechtbank een bedrag van (€ 4.164,40 minus € 2.533,- =) € 1.631,40 toe.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Vordering van de benadeelde partij (ten aanzien van feit 3)

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd[slachtoffer 3], wonende te Groningen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering, te weten een bedrag van in totaal € 7.644,80, bestaande uit € 144,80 aan materiële schade en

€ 7.500,- aan immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de post ‘smartengeld’ moet worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij

niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het beoordelen van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet van eenvoudige aard is. De vordering is pas een dag voor de zitting door de verdediging ontvangen. Daarbij komt dat de vordering grotendeels onleesbaar is.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de post 'immateriële schade' moet worden gematigd.

Beoordeling

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vordering in behandeling kan worden genomen. De raadsman heeft ter zitting alle gelegenheid gekregen vragen te stellen aan de raadsvrouw van de benadeelde partij, zodat van onduidelijkheden geen sprake kan zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de post ‘smartengeld’ kan worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-.

De overige posten zijn voor toewijzing vatbaar nu zij goed zijn onderbouwd. In totaal is dan ook een bedrag van

€ 4.144,80 toewijsbaar.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering

niet-ontvankelijk.

Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat een deel van de schade, te weten een bedrag van € 2.541,- reeds aan de benadeelde partij vergoed is uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

In totaal wijst de rechtbank een bedrag van (€ 4.144,80 minus € 2.541,- =) € 1.603,80 toe.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Vordering van de benadeelde partij (ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3)

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [benadeelde partij], wonende te Groningen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering, te weten een bedrag van in totaal € 2.500, bestaande uit immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Op grond van artikel 51f Wetboek van Strafvordering (Sv) kan alleen iemand die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Daarvan is hier geen sprake.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Beoordeling

De rechtbank begrijpt de vordering van de benadeelde partij zo, dat zij een schadevergoeding vordert voor geleden ‘shockschade’. Onder shockschade wordt geestelijk letsel verstaan dat is veroorzaakt door de directe waarneming van of confrontatie met een ongeval of misdrijf dat een naaste overkomt. Shockschade valt onder aantasting in de persoon ex artikel 6:106 BW en kan daardoor aanspraak geven op vergoeding van immateriële schade. Er moet dan wel sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (Taxibusarrest, HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240).

Bij de behandeling van de vordering tot vergoeding van shockschade is de maatstaf of de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert als bedoeld in artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Zoals uit de wetsgeschiedenis is af te leiden, heeft de vordering van de benadeelde partij in het strafproces een accessoir karakter. De behandeling van deze civiele vordering in het strafgeding mag niet ten koste gaan van een vlotte afhandeling van de strafzaak. De rechtbank is van oordeel dat het hier gaat om een juridisch en feitelijk gecompliceerde schadevergoedingskwestie. Zo dient (onder meer) te worden vastgesteld of er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit de (onderbouwing van de) vordering benadeelde partij blijkt hiervan niet.

De rechtbank is van oordeel dat een zorgvuldige beantwoording van deze vraag nader onderzoek en tijd vergt en dat de burgerlijke rechter bij uitstek het forum is waar deze vraag beantwoord moet worden. Een inhoudelijke beoordeling van de vordering door de rechtbank in deze strafprocedure zou een aanzienlijke vertraging en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart de bewezenverklaarde feiten strafbaar.

Verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte terzake van alle rechtsvervolging

Gelast dat de veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 1)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te Groningen toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 2.939,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2013.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 2.939,- vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1]te Groningen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 39 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.939,- vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 2][slachtoffer 2] wonende te Groningen toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 1.631,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2013.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 1.631,40, vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2]te Groningen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.631,40 vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 3)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te Groningen toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 1.603,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2013.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 1.603,80 vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] te Groningen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.603,80 vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feiten 1, 2 en 3)

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] wonende te Groningen in de vordering

niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. F. de Jong, voorzitter, P.H.M. Smeets en

A.F. Gerding, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.E. van Rhijn, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 december 2013.