Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:8050

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
18/830376-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. Rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. Strafmaat.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht, geldigheid: 2013-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830376-13

Op tegenspraak

Raadsman: mr. E.J. de Mare

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

20 december 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]op [geboortedatum 1]

wonende te Veendam,

thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel, Ter Apelervenen 10 te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

19 september 2013 en 6 december 2013.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de nacht van 14 op 15 juni 2013, te Veendam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd, [slachtoffer], van het leven te beroven, met dat opzet, meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp voorwerp, in de rug, althans het lichaam, heeft gestoken, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de nacht van 14 op 15 juni 2013, te Veendam, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (bestaande uit een diepe steekwond in de rug), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de rug, althans het lichaam, te steken;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de nacht van 14 op 15 juni 2013, te Veendam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de rug, althans het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de nacht van 14 op 15 juni 2013, te Veendam, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de rug, althans het lichaam heeft gestoken, tengevolge waarvan deze [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel (bestaande uit een diepe steekwond in de rug), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vraag opgeworpen of het uit te sluiten is dat een ander dan verdachte heeft gestoken. De raadsman heeft zich niet verder uitgelaten over de bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juni 2013, opgenomen op pagina 45 e.v. van dossier nummer PL01PD 2013059810, d.d. 25 juli 2013, van de politie Groningen, inhoudende de verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Ik liep terug naar de Sahara. Ik zag dat [verdachte] terugliep naar de auto en van iemand een mes kreeg. Ik zag dat hij deze achter zijn pols deed. Het was een zilverkleurig mes van ongeveer 30 centimeter. Ik zag dat hij via het parkeerterrein met een boog terug liep naar de Sahara. Hij kwam dichterbij. Ik wilde mij beschermen. We stonden tussen twee auto's in. Ik viel op mijn knieën. Vervolgens zag ik dat [verdachte] mij in mijn rug stak. Ik heb 3 messteken in mijn rug. Ik heb ook een snee in mijn hals. In mijn nek mist een stuk huid.

Een formulier ‘Opvragen medische informatie’ omtrent [slachtoffer], opgenomen op pagina 61 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vier wonden op de rug. 1: bij het linkerschouderblad, 2: bij de onderste ribben links, 3: bij de onderste ribben rechts, 4: oppervlakkige kras nek links.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 15 juni 2013, opgenomen op pagina 6 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Kort daarna liep [verdachte]weg in de richting van de Verlengde Kerkstraat. Vrijwel direct daarop kwam [verdachte]teruglopen. Op dat moment stonden [slachtoffer], [getuige 2]en ik voor 'Sahara'. Ik zag dat [verdachte]iets 'glimmends' in zijn rechterhand hield. Ik zag dat [verdachte]op [slachtoffer] afliep. [slachtoffer] die kennelijk [verdachte]wilde afweren, gleed uit en viel op het trottoir. Op dat moment zag ik dat [verdachte]een groot mes bij zich had en een aantal malen met kracht [slachtoffer] in zijn nek en rug stak.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 15 juni 2013, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3] zakelijk weergegeven:

Op een gegeven moment stond ik buiten en ik zag dat er een groep jongeren rumoer aan het maken was. Dit was tegen 00:30 en 00:45. Ik herkende een aantal van deze jongeren en dit waren vooral [verdachte] en [vriend verdachte]. Ik zag dat [verdachte]zich provocerend gedroeg naar ene [slachtoffer]. Ik kon zien dat [verdachte]en [vriend verdachte]gefocust waren op [slachtoffer]. Ik hoorde ze elkaar opstoken en hoorde de woorden "kom we pakken hem". Ook hoorde ik ze op elkaar schelden. Ik zag dat beide mannen weer op elkaar afliepen. Ik zag dat [verdachte]met verhoogde snelheid op [slachtoffer] afrende. Ik zag dat beiden tussen de auto ten val kwamen.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 21 juni 2013, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Opeens zag ik [verdachte]met wat vrienden op ons afkomen. Ik hoorde [verdachte]schreeuwen. Ik zag dat [verdachte]een mes bij zich had. [verdachte]viel [slachtoffer] aan. [slachtoffer] kwam ten val en viel op het trottoir. Vervolgens zag ik dat de mij bekende [verdachte] [slachtoffer] met het mes enkele malen stak. Ik zag dat [verdachte]enkele malen met dit mes in zijn nek en rug stak.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juni 2013, opgenomen op pagina 21 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant A.H. van Dijken, zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant, Aafjen Harmke van Dijken, brigadier van Politie Groningen, verklaar het volgende. Op zaterdag 15 juni 2013, omstreeks 08.30 uur, bevond ik mij, verbalisant Van Dijken, op het voetbalterrein te Wildervank. Ik hoorde een mij onbekende vrouw vertellen dat zij vannacht een rare nacht had gehad. Ik zag dat zij stekende bewegingen maakte naar haar vrienden. Hierop ben ik naar de mij onbekende dame toegelopen. Ik heb haar gevraagd wat zij afgelopen nacht heeft gezien. Zij vertelde mij dat zij had gezien dat twee bekenden van haar ruzie hadden gehad ter hoogte van Rembrandt en dat [verdachte] een andere man had neergestoken. De getuige vertelde verder dat zij een ruzie zag tussen [verdachte] en de man. Getuige zag dat [verdachte]het slachtoffer een vuistslag in het gezicht gaf en daarna drie keer instak op het slachtoffer.

Hierop heb ik de getuige gevraagd naar haar naam. Zij gaf op te zijn genaamd: [getuige 4] geboren te Winschoten [geboortedatum 2]en thans wonende te Veendam, [adres]

Bewijsoverweging met betrekking tot het primair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat uit bovengenoemde bewijsmiddelen onomstotelijk volgt dat verdachte degene is geweest die aangever heeft gestoken. De rechtbank merkt daarbij op dat dit niet alleen blijkt uit verklaringen van getuigen die familie of vrienden zijn van aangever, maar ook uit verklaringen van onafhankelijke getuigen, zoals [getuige 4]en[getuige 3]

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de nacht van 14 op 15 juni 2013 te Veendam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven te beroven, met dat opzet, meerdere malen die [slachtoffer] met een mes in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich beroepen op noodweer en (extensief) noodweerexces. De raadsman heeft aangevoerd dat het op basis van diverse getuigenverklaringen aannemelijk is dat er in de steeg, voorafgaand aan de steekpartij, sprake was van een noodweersituatie. Verdachte werd in de steeg aangevallen door aangever. Hierdoor is een zeer hevige gemoedsbeweging bij verdachte ontstaan, waarin verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat een beroep op noodweer niet kan slagen, nu op basis van het dossier niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een noodweersituatie. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat een noodweersituatie wel aannemelijk is geworden, dan kan een beroep op noodweerexces niet slagen. Uit het dossier is niet gebleken dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte.

Oordeel van de rechtbank



Met betrekking tot het beroep op noodweer en extensief noodweerexces overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat er in de steeg een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen aangever en verdachte. Aangever heeft zelf verklaard dat hij naar de steeg is gelopen waar verdachte zich op dat moment bevond.

Op basis van het dossier is echter feitelijk niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever jegens verdachte. Alleen verdachte verklaart dit, maar zijn verklaring wordt op dit punt niet ondersteund door de verklaringen van de andere aanwezigen in de steeg (aangever en de [getuigen]). Reeds hierom was geen sprake van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer zal de rechtbank dan ook verwerpen.

Voorts moet de rechtbank beoordelen of er sprake is geweest van extensief noodweerexces. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie, zal de rechtbank het beroep op extensief noodweerexces verwerpen.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 21 augustus 2013, opgemaakt door

Y.W.G. Blom-Dieks, GZ-psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat er ten tijde van het ten laste gelegde bij verdachte sprake was van een antisociale gedragsstoornis in de adolescentie die zich heeft ontwikkeld in de richting van een antisociale persoonlijkheidsstoornis gecombineerd met ADHD. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor narcistische trekken in de persoonlijkheidsontwikkeling. Op grond hiervan en zijn gebrekkig functionerend geweten kan verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd worden.

De rechtbank kan zich, gelet op de onderbouwing daarvan, met dit advies verenigen en acht verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar voor het bewezen verklaarde.

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

1

primair: Poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het primair ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd.

Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit en de impact die het feit op het slachtoffer heeft gehad, zoals blijkt uit de door hem opgestelde schriftelijke slachtofferverklaring. Daarnaast is verdachte al meerdere malen veroordeeld voor strafbare feiten.

Aan de andere kant heeft de officier van justitie rekening gehouden met de over verdachte opgemaakte rapportages, waarin wordt geadviseerd verdachte voor het hem ten laste gelegde licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening moet houden met het feit dat verdachte een jonge adolescent is die beschadigd is door zijn opvoedingssituatie. Daarnaast heeft de raadsman de rechtbank verzocht een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Tot slot heeft de raadsman ervoor gepleit om geen voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen, aangezien verdachte door zijn slechte ervaringen met de hulpverlening niet gemotiveerd is voor een behandeling.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met een mes op aangever in te steken. Verdachte heeft aangever op de openbare weg, ten overstaan van veel omstanders, met het mes meerdere malen in zijn rug geraakt. Verdachte heeft door zijn handelen getoond geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van aangever. Een poging tot doodslag is een zeer ernstig feit en rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur op zijn plaats is. Daarbij heeft de rechtbank er tevens rekening mee gehouden verdachte al meerdere malen is veroordeeld voor strafbare feiten met een geweldscomponent.

Daarnaast heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de inhoud van eerdergenoemde psychologische rapportage. Voor wat betreft de op te leggen gevangenisstraf werkt strafverlagend dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.



De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 6 september 2013. De reclassering adviseert een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een ambulante behandeling en een contactverbod.


Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verdachte tot nu toe niet gemotiveerd is voor hulpverlening. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij in het verleden geen goede ervaringen heeft gehad met de reclassering en de hulpverlening.

De rechtbank zal echter toch een gedeelte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen en daaraan de bijzondere voorwaarden koppelen zoals de reclassering heeft geadviseerd. De rechtbank acht dat geboden, gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en gelet op de problematiek van verdachte, zoals onder andere blijkt uit de over hem opgemaakte psychologische rapportage. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd van drie jaar koppelen.

Vordering van de benadeelde partij

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een deel van 10 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat:

  • -

    de veroordeelde zich voor het einde van de op drie jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

  • -

    de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    de veroordeelde geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.  

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich moet melden wanneer hij uitgenodigd wordt bij reclassering Nederland, locatie Groningen. Hierna moet hij zich gedurende de door Reclassering Groningen bepaalde periode blijven melden zo frequent als reclassering Groningen gedurende deze periode nodig acht. Gedurende deze periode moet veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

- dat veroordeelde zich laat behandelen bij de AFPN of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- dat het veroordeelde wordt verboden contact te (laten) leggen met het slachtoffer, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] te [woonplaats] toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 2.477,01, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2013.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 2.477,01, vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] te [woonplaats], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 34 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.477,01, vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. A.F. Gerding, voorzitter, F. de Jong en

P.H.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.E. van Rhijn, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 december 2013.