Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:8037

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
124854 HA ZA 13-39
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motie gemeenteraad; onvoorwaardelijke toezegging dat een plan voo rbedrijventerrein planologische medewerking zal worden verleend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 124854 / HA ZA 13-39

Vonnis van 18 december 2013

inzake

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE WITE BRÊGE B.V.,

statutair gevestigd in de gemeente Leeuwarden,

2 [A],

wonende te [woonplaats],

3 [B],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat: mr. M.A. Jansen te Leeuwarden,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE BOARNSTERHIM,

zetelend te Grou,

gedaagde,

advocaat: mr. M. Bauman te Leeuwarden.

Eisers zullen hierna afzonderlijk De Wite Brêge, [A] en [B] worden genoemd en gezamenlijk als De Wite Brêge c.s. worden aangeduid. De gemeente Boarnsterhim zal worden aangeduid als de gemeente.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 8 oktober 2013.

1.2

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

In deze procedure zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.2

[A] is sinds 15 december 2004 enig aandeelhouder en bestuurder/directeur van De Wite Brêge. Voordien en vanaf de datum van oprichting, 16 augustus 2001, was [C] enig aandeelhouder en bestuurder/directeur. De Wite Brêge voerde in de periode van 16 augustus 2001 tot 6 januari 2005 de statutaire naam SRJ Consultancy B.V.

2.3

In 2001 heeft een aantal ondernemers in Reduzum het initiatief genomen om tot uitbreiding van de vestigingsmogelijkheden voor bedrijven in Reduzum te komen. Op verzoek van [A], namens zes plaatselijke ondernemers, heeft [D], werkzaam bij Sinnema Adviesgroep B.V., de startnotitie "Reduzum, een dorp in beweging" opgesteld. In deze notitie, die in oktober 2002 is aangeboden aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boarnsterhim (hierna: het college), is het college verzocht planologische medewerking te verlenen aan de realisering van een nieuw kleinschalig bedrijventerrein aan de zuidkant van Reduzum, gelegen op een locatie aan de Overijsselsestraatweg. Dit bouwplan was in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan. In de notitie is in hoofdstuk 5 aangegeven dat de beoogde locatie twee percelen betreft met een totale oppervlakte van ongeveer 2,2 hectare.

2.4

Bij brief van 4 februari 2003 heeft het college [D] te kennen gegeven dat de aanleg van een bedrijventerrein bij Reduzum een grote impact op het dorp heeft en dat het college daarom behoefte heeft aan antwoorden op een aantal vragen, alvorens een standpunt in te nemen over de plannen van de ondernemers. Bij brief van 14 mei 2003 heeft [D] geantwoord op de vragen van het college, zoals geformuleerd in de brief van 4 februari 2003.

2.5

Het college heeft de gemeenteraad van Boarnsterhim (hierna: de raad) voorgesteld om in principe geen medewerking te verlenen aan de realisering van een bedrijventerrein aan de zuidkant van Reduzum. Dit voorstel is besproken in een vergadering van de raadscommissie Wenje, Wurkje en Recreaasje (WWR). Op 2 december 2003 heeft de raadscommissie WWR het voorstel van het college afgewezen en het college verzocht in gesprek te gaan met de ondernemers om de noodzaak van de ontwikkeling van een bedrijventerrein te onderzoeken.

2.6

Op 3 maart 2004 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verschillende plaatselijke ondernemers, waaronder [A], en wethouders J. Bouma en H. Jonkers. Tijdens dit gesprek, waarbij tevens [D] aanwezig was, hebben de ondernemers hun huidige bedrijfssituatie (bedrijfstype en bedrijfsruimte) uiteengezet en hun problemen c.q. wensen ten aanzien van woon- en/of bedrijfsruimte geschetst. Volgens het door de gemeente gemaakte verslag van deze bijeenkomst zijn onder meer de volgende opmerkingen gemaakt:

"[D]: we hebben verzoek tot ontwikkelen bedrijventerrein ingediend en willen daar naar toe. In het conceptstreekplan staat dat er ruimte moet zijn voor bedrijvenconcentratiekernen; Reduzum wil zo'n kern worden. Hiervoor is medewerking van gemeente nodig.

(….)

Bouma: het conceptstreekplan is nog een beleidsstuk wat verder uitgewerkt moet worden en waarop lagere overheden nog kunnen reageren. Het is geen vaststaand beleid.

[D]: graag gesprek met provincie om te kijken wat de mogelijkheden zijn. (….).

(….)

[D]: om onnodige kosten te voorkomen kan de gemeente wel informeren wat de provinciale uitgangspunten zijn want die zijn nog niet duidelijk."

Volgens het gespreksverslag is afgesproken dat, indien het college een positief besluit over het plan voor een bedrijventerrein zal nemen, de gemeente contact zal opnemen met de provincie Fryslân voor onderzoek naar de mogelijkheden voor de realisering van het bedrijventerrein. Verder is afgesproken dat na de gemeentelijke en provinciale reactie de ondernemers de planvorming al dan niet verder oppakken en een verdere route uitstippelen en dat de gemeente het project niet zal gaan trekken, zoals het in het verslag is geformuleerd.

2.7

Bij brief van 26 augustus 2004 heeft de gemeente [D] onder meer het volgende meegedeeld:

"Het plan voor een bedrijventerrein in Reduzum is besproken met een provinciale ambtenaar van Team Ruimtelijke Plannen. De reactie was dat voor kleinere dorpen een bedrijventerrein mogelijk is binnen het huidige provinciale beleid, maar dan wel maximaal 2500m² per bedrijf. Overigens zal de provincie pas een concrete uitspraak doen over het plan als er een vrijstellingsverzoek ex artikel 19 lid 1 wordt voorgelegd.

Het college heeft op 6 juli 2004 het standpunt ingenomen om in principe medewerking te verlenen aan de realisering van een kleinschalig bedrijventerrein in Reduzum, waarbij het blijft gaan om een particulier initiatief. Ons standpunt zullen wij aan de gemeenteraad voorleggen."

2.8

In zijn vergadering van 21 september 2004 heeft de raad ingestemd met het voorstel van het college van 8 september 2004 om in principe mee te werken aan het realiseren van een bedrijventerrein. Daarbij is wel de kanttekening gemaakt dat nog toetsingskader ontwikkeld moet worden, ofwel beleid met betrekking tot bedrijventerreinen bij kleine dorpen.

2.9

In haar vergadering van 30 augustus 2005, voortgezet op 31 augustus 2005, heeft de raadscommissie WWR het voorontwerp Streekplan Fryslân 2006 besproken.

2.10

Op 27 september 2005 heeft het college het kader met randvoorwaarden voor de realisering van een kleinschalig bedrijventerrein in Reduzum vastgesteld. Bij brief van 3 oktober 2005 heeft de gemeente[E], een adviseur van De Wite Brêge c.s., in kennis gesteld van deze randvoorwaarden.

2.11

In de randvoorwaarden is onder meer aangegeven:

"Uitgifte en doelgroepen

(….).

Er wordt geen terrein op voorraad aangelegd en er vindt geen versnipperde uitgifte plaats. Dit voorkomt dat delen van het bedrijventerrein 'open' blijven en er zo een rommelig beeld ontstaat. Kortom: streven naar zoveel mogelijk aaneengesloten uitgifte.

(….).

De totaal uitgeefbare grond bedraagt circa 2,3 hectare.

De maximaal toegestane bruto oppervlakte van een bedrijf is 2500 m²."

2.12

In haar vergadering van 6 juni 2006 heeft de raadscommissie WWR het ontwerp Streekplan Fryslân 2006 besproken.

2.13

In opdracht van [A] heeft [E] een ruimtelijke onderbouwing van het plan voor een bedrijventerrein opgesteld. De ontvangst van dit stuk, getiteld "Ruimtelijke onderbouwing en voorschriften Bedrijventerrein 'De Wite Brêge' Reduzum 2006" d.d. 18 september 2006, is door het college bij brief van 6 november 2006 bevestigd.

2.14

Bij brief van 7 december 2006 heeft het college [E] het volgende meegedeeld:

"U heeft ons verzocht om een overleg. Ter voorbereiding van dit overleg met u, over het plan voor een bedrijventerrein bij Reduzum, hebben we meer tijd nodig dan voorzien. We hebben het in een breder perspectief geplaatst en beoordelen onder andere voorstudies ten aanzien van de behoefte aan een bedrijventerrein. De gemeentelijke beleidsregels en de mogelijke consequenties van het Ontwerp Streekplan dat deze maand in de Provinciale Staten wordt behandeld, vormen daarbij een belangrijk toetsingskader.

Wij nemen in januari 2007 contact met u op voor het maken van een afspraak."

2.15

Naar aanleiding van de brief van 7 december 2006 heeft op 13 december 2006 een gesprek plaatsgevonden tussen [E] en wethouder M.E. Minkes. Bij dit gesprek was ook [A] aanwezig. Tijdens dit gesprek is gesproken over de voortgang van het plan voor een bedrijventerrein en zijn door onder meer [A] en [E] zorgen geuit over de ontwikkeling van het plan.

2.16

In zijn vergadering van 6 februari 2007 heeft de raad de volgende motie aangenomen:

"Overwegende dat

- De raad van Boarnsterhim op 21 september 2004 heeft besloten medewerking te verlenen tot het realiseren van een kleinschalig bedrijventerrein in Reduzum

- er nadien plannen zijn gemaakt die voldoen aan de randvoorwaarden zoals door de gemeente gesteld

- er in de loop van 2006 stagnatie optreedt in het overleg tussen gemeente en initiatiefnemers

- dat het realiseren van een kleinschalig bedrijventerrein voor een dorp als Reduzum een belangrijke bijdrage levert aan de leefbaarheid van het dorp

- dat er op grond van de huidige regelgeving geen beletselen meer zijn die realisering in de weg staan

- dat het realiseren van dit bedrijventerrein beantwoordt aan het gemeentelijk beleid de leefbaarheid van de kleine dorpen te bevorderen

Verzoekt het college:

Op korte termijn actie te ondernemen die leidt tot het starten van de realisatie van het bedrijventerrein bij Reduzum, en het initiatief te nemen voor het aanvragen bij de provincie voor een vrijstellingsprocedure artikel 19 WRO.

En gaat over tot de orde van de dag."

2.17

Naar aanleiding van de motie van 6 februari 2007 heeft op 5 maart 2007 overleg plaatsgevonden tussen [E], de initiatiefnemers van het plan voor een bedrijventerrein, waaronder [A], en wethouder Minkes, bijgestaan door twee gemeenteambtenaren, de heren [X] en [Y]. Bij deze gelegenheid hebben wethouder Minkes en [X] [E] en de initiatiefnemers voorgehouden - samengevat weergegeven - dat de huidige ruimtelijke onderbouwing van het plan voor een bedrijventerrein in het licht van het inmiddels in december 2006 in werking getreden nieuwe Streekplan van de provincie Fryslân onvoldoende is en dat het plan voor een bedrijventerrein op basis van de huidige ruimtelijke onderbouwing geen kans van slagen heeft.

2.18

Bij brief van 13 maart 2007 heeft [E] het college verzocht om een schriftelijk verslag van het overleg van 5 maart 2007 en meegedeeld dat de ruimtelijke onderbouwing zal worden aangevuld, binnen een week na ontvangst van het verslag van het overleg van 5 maart 2007.

2.19

Bij brief van 26 maart 2007 heeft [E] er bij het college op aangedrongen dat de initiatiefnemers actief betrokken worden bij het overleg met de provincie of bij een eventuele planpresentatie. [E] heeft verder aangegeven dat de initiatiefnemers bereid zijn om op eigen initiatief met de provincie in contact te treden indien dit op prijs wordt gesteld of indien dit kan helpen in de voortgang van de procedure. [E] en/of de initiatiefnemers hebben geen nadere ruimtelijke onderbouwing van hun plan bij het college ingediend.

2.20

Bij brief van 22 oktober 2007 heeft [E] een Beeldkwaliteitsplan (BKP) ingediend bij het college en het college verzocht de vrijstellingsprocedure zoals bedoeld in artikel 19 lid 1 WRO te starten.

2.21

Bij brief van 9 november 2007 heeft het college [E] meegedeeld dat de afdeling Ruimtelijke Plannen van de provincie Fryslân zich bereid heeft verklaard het plan voor een bedrijventerrein aan een provinciale pretoets te onderwerpen. Het college heeft verder meegedeeld dat de uitkomsten van deze toets en de uitkomsten van het overleg op 27 november 2007 tussen het college en de initiatiefnemers zullen worden betrokken bij de besluitvorming met betrekking tot het verzoek tot het starten van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 lid 1 WRO.

2.22

Bij brief van 29 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: GS) het college meegedeeld dat het plan voor een bedrijventerrein bij Reduzum niet in overeenstemming is met het geldende Streekplan en dat daarom geen planologische medewerking verleend kan worden aan het plan.

2.23

Op 7 februari 2008 hebben de initiatiefnemers van het plan, waaronder [A] en [B], het plan besproken met gedeputeerde wijlen A.M. Andriesen. Van deze bijeenkomst is een verslag gemaakt. In dit verslag is onder meer aangegeven:

"Standpunt provincie:

(…). Verder wordt het betreurd dat er niet eerder duidelijkheid is gevraagd aan de provincie. Dit had een hoop frustraties kunnen voorkomen."

2.24

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft de raad geweigerd ten behoeve van de realisering van een bedrijventerrein vrijstelling te verlenen.

2.25

Bij brief van 3 november 2008 heeft [A] zich "Namens de gezamenlijke ondernemers Reduzum die betrokken zijn of waren bij dit bedrijventerrein" tot het college gericht. In deze brief heeft [A] de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die is geleden als gevolg van het niet realiseren van het bedrijventerrein in Reduzum.

2.26

Bij besluit van 25 maart 2009 heeft de raad de bezwaren van De Wite Brêge c.s. en anderen tegen het besluit van 19 augustus 2008 ongegrond verklaard. De Wite Brêge c.s. en anderen hebben tegen het besluit op bezwaar van 25 maart 2009 beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van de toenmalige rechtbank Leeuwarden.

2.27

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft de raad de schadeclaim van 3 november 2008 afgewezen. Tegen deze beslissing hebben De Wite Brêge c.s. en anderen met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van de toenmalige rechtbank Leeuwarden.

2.28

Bij uitspraak van 3 december 2009 (AWB 09/921) heeft de toenmalige rechtbank Leeuwarden het beroep tegen het besluit van 25 maart 2009 gegrond verklaard, maar de materiële inhoud van dit besluit in stand gelaten. De Wite Brêge c.s. en anderen hebben tegen de uitspraak van 3 december 2009 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS).

2.29

In zijn uitspraak van 8 september 2010 (201000237/1/H1, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:RVS:2010:BN6151) heeft de AbRS met betrekking tot de motie van 6 februari 2007 het volgende overwogen:

"2.5.1. (….). Voor zover gesteld is dat in die motie toezeggingen zijn gedaan, wordt overwogen dat deze niet verder strekken dan dat de raad het college van burgemeester en wethouders daarbij verzocht heeft het initiatief te nemen voor het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar. Hieraan is voldaan blijkens de, in zoverre niet bestreden, brief van het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: gedeputeerde staten) van 29 januari 2008, waarbij is meegedeeld dat het project niet in overeenstemming is met het Streekplan Fryslân 2007 (hierna: het Streekplan) en dat gedeputeerde staten daarom geen planologische medewerking aan het project zullen verlenen."

2.30

Bij uitspraak van 10 februari 2011 (AWB 10/169) heeft de bestuursrechter zich onbevoegd verklaard om over het besluit van 27 oktober 2009 te oordelen en overwogen dat de schadeclaim dient te worden voorgelegd aan de civiele rechter. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep bij de AbRS ingesteld.

2.31

Bij brief van 26 juli 2011 heeft mr. Jansen, de advocaat van De Wite Brêge c.s., de gemeente laten weten dat De Wite Brêge c.s. nog steeds aanspraak maakt op een schadevergoeding en aangegeven dat deze brief is bedoeld als een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW.

3 De vordering

3.1

Bij dagvaarding vordert De Wite Brêge c.s. dat voor recht wordt verklaard dat de gemeente jegens de ondernemers onrechtmatig heeft gehandeld en de door hen geleden schade aan de ondernemers dient te vergoeden, nader op te maken bij staat, met een veroordeling van de gemeente in de kosten van de onderhavige procedure.

3.2

De Wite Brêge c.s. stelt voorop dat de formele rechtskracht van het raadsbesluit van 19 augustus 2008 in dit geschil niet relevant is. Aan de onderhavige vordering ligt immers niet ten grondslag de stelling dat dit besluit onrechtmatig is. Aan de onderhavige vordering ligt primair ten grondslag de stelling dat de motie van 6 februari 2007 van de gemeenteraad een aan de gemeente toe te rekenen onvoorwaardelijke toezegging bevat, inhoudende dat planologische medewerking aan de realisering van het bedrijventerrein verleend zal worden. Voor zover uit de motie niet een dergelijke onvoorwaardelijke toezegging afgeleid kan worden, stelt De Wite Brêge c.s. zich subsidiair op het standpunt dat de ondernemers uit de motie in ieder geval mochten afleiden dat de gemeente zich maximaal zou inspannen voor het verlenen van de planologische medewerking. De Wite Brêge c.s. stelt dat de gemeente zich in het geheel niet maximaal heeft ingespannen om dat te bereiken. Na de ontvangen provinciale pretoets heeft de gemeente zonder enig weerwoord aangenomen dat de plannen voor een bedrijventerrein in strijd zijn met het provinciaal beleid en niet getracht de provincie te bewegen in dit geval af te wijken van het provinciaal beleid. De gemeente heeft nagelaten de vereiste verklaring van geen bezwaar (vvgb) aan te vragen bij de provincie en tegen een eventuele weigering hiervan bezwaar te maken. Hierdoor is ook de ondernemers de kans ontnomen om tegen een weigering een vvgb te verlenen bezwaar te maken. De Wite Brêge c.s. stelt zich meer subsidiair op het standpunt dat de gemeente vanaf 2004 bij de ondernemers de verwachting heeft gewekt dat het bedrijventerrein gerealiseerd kon worden. Daartoe voert De Wite Brêge c.s. aan dat de ondernemers uit de brief van 26 augustus 2004 mochten afleiden dat zowel de gemeente alsook de provincie Fryslân zouden meewerken aan de realisatie van het bedrijventerrein, zeker bezien in het licht van de omstandigheid dat de betrokken ondernemers nu juist aan de gemeente hadden gevraagd bij de provincie Fryslân na te gaan of het plan paste in het nieuwe provinciale beleid. Bovendien heeft de gemeente nagelaten de ondernemers te informeren over mogelijke negatieve consequenties dat het toentertijd op handen zijnde nieuwe Streekplan zou kunnen hebben voor de realisatie van de plannen. In plaats hiervan heeft de gemeente de gemeentelijke randvoorwaarden voor de realisatie van een bedrijventerrein opgesteld en kenbaar gemaakt aan de ondernemers. Hierdoor werd bij de ondernemers de indruk gewekt dat het bedrijventerrein doorgang kon vinden. Op geen enkel moment heeft de gemeente aangegeven dat er in het geheel nog geen instemming was van de provincie of dat rekening gehouden moest worden met een mogelijk negatief oordeel van de provincie. De uitlatingen van de gemeente waren uitsluitend positief. De gemeente heeft de ondernemers zelfs nadat de provincie was verzocht een pretoets uit te voeren, verzocht een Beeldkwaliteitsplan op te stellen. Dit bevestigde het beeld dat het bedrijventerrein gerealiseerd mocht worden. De Wite Brêge c.s. stelt dat de ondernemers op basis van de door de gemeente gewekte verwachtingen, de positieve uitlatingen van de gemeente over de plannen en de motie van 6 februari 2007 kosten hebben gemaakt met betrekking tot de realisatie van het bedrijventerrein. Door de gewekte verwachtingen, de motie en de positieve uitlatingen geen gestand te doen, alsmede zich onvoldoende in te spannen voor het verkrijgen van de vereiste provinciale planologische medewerking, heeft de gemeente, los van de in rechte vaststaande rechtmatigheid van het raadsbesluit van 19 augustus 2008, jegens de ondernemers onrechtmatig gehandeld en dient de gemeente de door de ondernemers achteraf beschouwd nodeloos gemaakte kosten als zijnde schade aan hen te vergoeden. Dat voor de uiteindelijke realisatie van het bedrijventerrein ook de medewerking van de provincie Fryslân (afgifte vvgb) vereist was en dat de gemeenteraad op basis van de hem toekomende discretionaire bevoegdheid anders kan besluiten dan is toegezegd, is op zich juist, maar dat laat de schadevergoedingsplicht van de gemeente onverlet.

3.3

Bij conclusie van antwoord heeft de gemeente uitvoerig en gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van De Wite Brêge, [A] en [B] in hun vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen. De rechtbank zal in het navolgende ingaan op de gevoerde verweren, voor zover hiertoe aanleiding bestaat.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1

Op grond van artikel 19 lid 1 WRO, zoals dat gold tot 1 juli 2008, kan de raad ten behoeve van de realisering van een bouwplan dat in strijd is met het bestemmingsplan vrijstelling verlenen van dat bestemmingsplan, mits het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van GS een vvgb is ontvangen.

4.2

De Wite Brêge c.s. stelt dat de gemeente jegens de ondernemers onrechtmatig heeft gehandeld en deswege schadeplichtig is tegen de ondernemers. Nu de inleidende dagvaarding uitsluitend namens De Wite Brêge, [A] en [B] is uitgebracht, zal de rechtbank onder "ondernemers" uitsluitend verstaan De Wite Brêge, [A] en [B].

4.3

Bij conclusie van antwoord heeft de gemeente tot haar verweer aangevoerd dat nergens uit blijkt dat De Wite Brêge, [A] en/of [B] de door hen gepretendeerde schade hebben geleden en dat zij om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Tijdens de comparitie heeft mr. Jansen in dit verband gesteld dat [A] en [B] in totaal circa € 70.000,00 aan nota's hebben voldaan in verband met de ontwikkeling van hun plannen waaronder het laten opstellen van diverse rapporten (zoals vermeld bij de feiten). Daarnaast heeft [A] gesteld dat aan De Wite Brêge de leges, verschuldigd voor de aanvraag om ten behoeve van de realisering van het bedrijventerrein vrijstelling te verlenen, in rekening zijn gebracht. De gemeente heeft een en ander als zodanig niet weersproken. Daarmee hebben De Wite Brêge, [A] en [B] voldoende onderbouwd dat zij kosten hebben gemaakt, die geheel of gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komen als in dit geding zou worden geoordeeld dat de gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. De rechtbank verwerpt daarom het door de gemeente gevoerde niet-ontvankelijkheidverweer. In een eventuele schadestaatprocedure zal beoordeeld moeten worden tot welk bedrag kosten zijn gemaakt.

4.4

De rechtbank stelt bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering voorop dat op zichzelf juist is de stelling van De Wite Brêge c.s. dat de formele rechtskracht van het raadsbesluit van 19 augustus 2008 niet in de weg staat aan een zelfstandig oordeel van de civiele rechter over de gestelde onrechtmatige gedragingen van de gemeente. De omstandigheid dat het raadsbesluit van 19 augustus 2008 in de onderhavige procedure niet voorligt, betekent echter niet dat aan de uitspraken van de bestuursrechter (sector bestuursrecht van de toenmalige rechtbank Leeuwarden en de AbRS) over de strekking en de betekenis van het raadsbesluit van 21 september 2004 (principeverklaring) en de motie van 6 februari 2007 geen betekenis toekomt. Zoals de gemeente terecht opmerkt, moet zowel de bestuursrechter alsook de civiele rechter in een zaak als de onderhavige allereerst dezelfde vraag beantwoorden, namelijk of er door de gemeente aan De Wite Brêge c.s. een onvoorwaardelijke toezegging is gedaan en/of gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat het bedrijventerrein gerealiseerd kan worden. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dient de bestuursrechter te bezien of het niet gestand doen van de toezegging en/of het niet honoreren van gerechtvaardigd gewekt vertrouwen de rechtmatigheid van het krachtens publiekrecht genomen besluit aantast. De civiele rechter daarentegen zal moeten bezien of de normschending, te weten het niet gestand doen van de toezegging en/of het niet honoreren van gerechtvaardigd gewekt vertrouwen, onrechtmatig is jegens degene die zich op de normschending beroept.

4.5

In haar uitspraak van 8 september 2010 heeft de AbRS met betrekking tot de motie van 6 februari 2007 zoals hiervoor vermeld overwogen dat de motie niet verder strekt dan een verzoek van de raad aan het college om het initiatief te nemen voor het aanvragen van een vvgb.

4.6

De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen over de strekking en de betekenis van de motie van 6 februari 2007 dan de AbRS heeft gedaan. De rechtbank oordeelt dat een onvoorwaardelijke toezegging in de door De Wite Brêge c.s. bedoelde zin dat het bedrijventerrein daadwerkelijk kan worden gerealiseerd uit de motie van 6 februari 2007 niet kan worden afgeleid. Hierbij is van belang dat het De Wite Brêge c.s. van meet af aan duidelijk was dat het bedrijventerrein alleen maar doorgang kon vinden indien naast de gemeentelijke instemming de provincie Fryslân met dit plan zou instemmen. Ten tijde van het aannemen van de motie was van een provinciale instemming met het plan geen sprake. GS hadden immers voor het project geen vvgb afgegeven of anderszins aan De Wite Brêge c.s. en/of andere initiatiefnemers te kennen gegeven dat het project kon rekenen op provinciale instemming. Tegen deze achtergrond moet de stelling van De Wite Brêge c.s. dat zij uit de motie mochten afleiden dat aan het project planologische medewerking zal worden verleend en dat het bedrijventerrein gerealiseerd mag worden, worden verworpen.

4.7

De rechtbank is verder van oordeel dat de gemeente zich voldoende heeft ingespannen voor realisering van de plannen van De Wite Brêge c.s. Voor De Wite Brêge c.s. was het in ieder geval vanaf 3 maart 2004 duidelijk dat zij het project moest "trekken". Hoe dan ook, de gemeente heeft over de "provinciale" haalbaarheid van de plannen contact opgenomen met de provincie. Zelfs nadat de gemeente De Wite Brêge c.s. te verstaan had gegeven dat de ruimtelijke onderbouwing van de plannen in het licht van het nieuwe Streekplan tekortschiet en De Wite Brêge c.s. geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om de ruimtelijke onderbouwing aan te passen dan wel aan te vullen, heeft de gemeente de provincie verzocht de plannen te onderwerpen aan de pretoets. Gelet op de negatieve uitkomst van deze toets, volgens de provincie pasten de plannen van De Wite Brêge c.s. niet in het nieuwe Streekplan, had het weinig zin om voor de plannen van De Wite Brêge c.s. formeel een vvgb aan te vragen. De rechtbank vermag niet in te zien wat meer van de gemeente verwacht had mogen worden. Bovendien heeft De Wite Brêge c.s. nagelaten om te onderbouwen dat bij méér gemeentelijke inspanningen een positief besluit van de provincie Fryslân redelijkerwijs verwacht mocht worden.

4.8

Voor wat betreft de stelling van De Wite Brêge c.s. dat de gemeente de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat het bedrijventerrein gerealiseerd kon worden en deze verwachting jarenlang in stand heeft gelaten, overweegt de rechtbank dat het hierbij gaat om de vraag of de gemeente onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt over de haalbaarheid van de plannen in het licht van het destijds toekomstige, maar nadien in werking getreden Streekplan. Het antwoord op die vraag hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het door of namens De Wite Brêge c.s. gedane verzoek om informatie en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen De Wite Brêge c.s. daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien De Wite Brêge c.s. in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werd gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens De Wite Brêge c.s. en dat de gemeente deswege jegens De Wite Brêge c.s. aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet (HR 25 mei 2012, NJ 2012/340).

4.9

Uit de in r.o. 2.6 geciteerde verklaringen van [D], bezien in samenhang met de verklaringen van wethouder Bouma, kan naar het oordeel van de rechtbank niet aanstonds worden afgeleid welk Streekplan, het op 3 maart 2004 geldende Streekplan of het toekomstige (en thans geldende) Streekplan, [D] voor ogen had toen hij verzocht "graag gesprek met provincie om te kijken wat de mogelijkheden waren". De rechtbank oordeelt dat de gemeente dit verzoek van [D], in het licht van de opmerkingen van Bouma "het conceptstreekplan is nog een beleidsstuk" en "Het is nog geen vaststaand beleid" heeft mogen opvatten als een verzoek om (de haalbaarheid van) de plannen te toetsen aan het op 3 maart 2004 geldende Streekplan in plaats van het toekomstige Streekplan. Bij brief van 26 augustus 2004 heeft de gemeente [D] op de hoogte gesteld van het toenmalige, op dat moment geldende, Streekplan en het daarin verwoorde provinciale beleid ten aanzien van bedrijventerreinen. In deze brief heeft de gemeente geen mededelingen gedaan over het toekomstige Streekplan en hoe de plannen voor een bedrijventerrein in Reduzum zich verhouden tot het toekomstige Streekplan. Zo al aangenomen zou moeten worden dat [D] de gemeente op 3 maart 2004 heeft verzocht om te onderzoeken hoe de plannen zich verhouden tot het toekomstige Streekplan, had het op de weg van [D] en/of de initiatiefnemers gelegen om na kennisneming van de brief van 26 augustus 2004 alsnog bij de gemeente (of de provincie) te verifiëren hoe de plannen zich verhielden tot het toekomstige provinciale beleid, voor zover toen al bekend. Uit deze brief blijkt immers klip en klaar dat alleen een mededeling is gedaan over het huidige (cursivering rechtbank) provinciale beleid. Vast staat dat [D] en/of de initiatiefnemers zich niet met een dergelijk, aanvullend verzoek tot de gemeente hebben gewend. Gelet op de tekst van de brief van 26 augustus 2004 mochten [D] en de initiatiefnemers er dus niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zowel de gemeente alsook de provincie zouden meewerken aan de realisatie van het bedrijventerrein, te meer nu in de brief van 26 augustus 2004 is aangegeven dat de provincie Fryslân pas een concrete uitspraak over de plannen doet als er een verzoek ex artikel 19 lid 1 WRO wordt voorgelegd. Bij deze stand van zaken mochten [D] en de initiatiefnemers uit de omstandigheid dat de gemeentelijke randvoorwaarden waren opgesteld en kenbaar zijn gemaakt nadat de gemeente het toekomstige, zich nog in de ontwerpfase bevindende, Streekplan had bestudeerd, in het kader van overleg en inspraak, niet afleiden dat realisering van het bedrijventerrein niet op bezwaren vanuit de provincie zou stuiten. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente na 26 augustus 2004 op enig moment [D] en/of de initiatiefnemers heeft meegedeeld dat hun plannen in overeenstemming zijn met het toekomstige Streekplan. Van door of namens de gemeente gedane onjuiste en/of onvolledige mededelingen is dus geen sprake geweest. Van een situatie waarin De Wite Brêge c.s. door de gemeente op het verkeerde been is gezet, is geen sprake.

4.10

Uit het voorgaande volgt dat de gemeente jegens De Wite Brêge c.s. niet onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering van De Wite Brêge c.s. zal daarom worden afgewezen. Dit brengt mee dat hetgeen overigens te berde is gebracht, waaronder de specifieke juridische posities van De Wite Brêge, [A] en [B], als zijnde niet van belang voor de beslissing van het geschil onbesproken kan worden gelaten.

4.11

De Wite Brêge, [A] en [B] zullen als de in het ongelijk te stellen partijen worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van de gemeente worden vastgesteld op totaal € 1.493,00 (griffierecht ten bedrage van € 589,00 en salaris advocaat ten bedrage van € 904,00).

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

wijst de vordering af;

5.2

veroordeelt De Wite Brêge, [A] en [B] hoofdelijk, zulks met dien verstande dat indien één betaalt, de ander daarvan in zoverre is vrijgesteld, in de kosten van het geding, aan de zijde van de gemeente vastgesteld op € 1.493,00;

5.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.

c 674