Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:7983

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
586235 CV EXPL 13-5494
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

verzekeringsovereenkomst. Opschorting betaling verzekeringspremie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Groningen

Zaak\rolnummer: 586235 CV EXPL 13-5494

Vonnis d.d. 12 december 2013

inzake

[naam],

gevestigd en kantoorhoudende te [plaatsnaam],

eiseres, hierna [eiseres] noemen,

gemachtigde mr. J.J.M.L. Sandberg, werkzaam bij Bazuin & Partners

tegen

[naam],

gevestigd en kantoorhoudende te [plaatsnaam],

gedaagde, hierna [gedaagde] te noemen,

gemachtigde I. Tatlicioglu.

PROCESGANG

[eiseres] heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 3.084,59, te vermeerderen met rente en kosten. [gedaagde] heeft de vordering bestreden.

Bij tussenvonnis van 23 mei 2013, waarvan de inhoud hierbij als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 26 november 2013. [eiseres], bijgestaan door

[naam], die heeft waargenomen voor Bazuin & Partners en [gedaagde], vertegenwoordigd door haar directeur [naam] en bijgestaan door haar gemachtigde I. Tatlicioglu, zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

Ten slotte is vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is vastgesteld op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1. Op 26 juni 2012 hebben [eiseres] en [gedaagde] een verzekeringsovereenkomst gesloten (hierna: de verzekering). Volgens de daartoe opgemaakte polis met nummer [nummer] betreft het een rechtsbijstandsverzekering ([eiseres] RechtsPartner) ten behoeve van [gedaagde], alsmede de aan haar gelieerde ondernemingen [onderneming 1] en [onderneming 2]. en [onderneming 3] en de heer I. Tatlicioglu in persoon, voor een periode van 36 maanden doorlopend en met ingangsdatum 1 januari 2012.

1.2. Op de verzekering zijn de algemene voorwaarden (07/2011) rechtsbijstandverzekeringen van [eiseres] (hierna: algemene voorwaarden) en de bijzondere polisvoorwaarden (01/08) [eiseres] RechtsPartner (hierna: bijzondere polisvoorwaarden) van toepassing.

1.3. In de algemene voorwaarden is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Artikel 3 Het verzekerde risico en de gebeurtenis

3.1. Verzekerd is het risico dat een verzekerde in een geschil moet voorzien in een eigen behoefte aan rechtsbijstand ten gevolge van een gebeurtenis, mits wordt voldaan aan beide onderstaande voorwaarden:

a. de gebeurtenis, het geschil en de daaruit voortvloeiende behoefte aan rechtsbijstand doen zich voor gedurende de looptijd van de verzekeringsdekking.

(…)

1.4. In de bijzondere polisvoorwaarden is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Artikel 6 De uitsluitingen

[eiseres] verleent geen rechtsbijstand:

(…)

b. bij (verweer tegen) een aanvraag tot faillissement of surseance van betaling, alsmede in een geschil gedurende de tijd dat verzekerde in faillissement of surseance van betaling verkeert,

(…)

1.5. [eiseres] heeft [gedaagde] op 26 juni 2012 een factuur voor de verschuldigde jaarpremie 2012 ten bedrage van € 2.450,20 gestuurd. [gedaagde] heeft deze factuur met de vervaldatum 16 juli 2012 niet betaald.

1.6. Op 9 juli 2012 heeft een jurist van [eiseres] [gedaagde] een e-mail gestuurd waarin, voor zover relevant, het volgende is opgenomen:

“Geachte heer [naam],

Vorige week heb ik u gesproken naar aanleiding van uw verzoek tot rechtsbijstand. Helaas moet ik u berichten dat ik de zaak niet in behandeling kan nemen aangezien u een rechtsbijstandverzekering heeft sinds 1 januari 2012. Het geschil waar deze zaak over gaat dateert echter al uit het jaar 2011. Derhalve kan ik de zaak niet in behandeling nemen, omdat deze voor de ingangsdatum van uw verzekering is ontstaan.

(…)”

1.7. Op 27 juli 2012 heeft [eiseres] [gedaagde] een brief gestuurd waarin zij haar heeft aangemaand het openstaande saldo van € 2.450,20 binnen tien dagen te betalen.

1.8. Naar aanleiding van een (ander) verzoek om rechtsbijstand heeft [eiseres] [gedaagde] op

30 juli 2012 een brief gestuurd waarin, voor zover relevant, het volgende is opgenomen:

“ Geachte heer [naam],

Onlangs heb ik uw verzoek om rechtsbijstand ontvangen inzake de loonvordering van uw werknemer (…) en anderen. Ik heb u aangegeven dat ik nog geen dekkingsbeoordeling kon doen, daar er wellicht een faillissement zou worden aangevraagd door de advocaat van (…) en anderen.

U heeft mij het faillissementsverzoek doorgestuurd. Ik moet helaas dan ook concluderen dat ik u in deze zaak met bovengenoemd dossiernummer niet kan bijstaan nu deze kwestie geen dekking vindt onder de door u afgesloten polis.

Hieronder zal ik mijn dekkingsstandpunt toelichten.

In het licht van het voorgaande is het gestelde in artikel 6 van de toepasselijke bijzondere polisvoorwaarden relevant. (…)”

1.9. Op 14 augustus 2012 heeft [eiseres] [gedaagde] een brief gestuurd waarin zij haar heeft aangemaand het openstaande saldo van € 2.450,20 binnen vijf dagen te betalen. Nadat ook toen betaling is uitgebleven, heeft [eiseres] haar vordering uit handen gegeven.

1.10. Op 23 oktober 2012 heeft [eiseres] [gedaagde] een gewijzigde polis gestuurd waarin is opgenomen dat de dekking voor de verzekering met ingang van 14 augustus 2012 is opgeschort vanwege wanbetaling.

Het standpunt van [eiseres]

2.1. [gedaagde] heeft in juni 2012 bij [eiseres] een rechtsbijstandverzekering afgesloten. Deze verzekering gaf (met terugwerkende kracht) dekking voor het gehele jaar 2012 en de jaarpremie bedroeg € 2.405,20. De daarvoor op 26 juni 2012 verzonden factuur is zonder protest behouden, maar ondanks herhaalde aanmaning niet betaald. [eiseres] vordert betaling daarvan en daarnaast een bedrag van € 544,50 aan buitengerechtelijke incassokosten (inclusief BTW) en de overeengekomen rente van 7,75% per jaar, die tot aan de dagvaarding € 134,89 bedraagt.

2.2. [eiseres] betwist dat [gedaagde] de betaling van de factuur van 26 juli 2012 zou hebben opgeschort. [eiseres] stelt verder dat [gedaagde] bij klachten over de dienstverlening ook geen recht heeft de premiebetaling op te schorten, maar de klachtenprocedure zou moeten volgen. Dat blijkt uit de toepasselijke algemene voorwaarden. [gedaagde] komt evenmin een beroep op verrekening toe aangezien de tegenvordering niet voortkomt uit de verzekering met [gedaagde], maar verband houdt met een per 12 april 2011 geroyeerde polis ([nummer]) van [onderneming 4] Overigens is de hoogte van de terug te betalen premie niet € 3.324,22, maar € 852,00. Dat bedrag is door het faillissement van [onderneming 4] al aan de curator betaald. Door dit faillissement was het ten slotte ook niet mogelijk [onderneming 3] in 2011 op deze polis onder te brengen, zoals in september 2011 is verzocht.

Het standpunt van [gedaagde]

3.1. [gedaagde] erkent de ontvangst van de polis en de factuur van 26 juli 2012, maar betwist daarna aanmaningen voor deze factuur te hebben ontvangen. Zij stelt verder betaling van deze factuur te hebben opgeschort omdat [eiseres] haar in 2012 (meerdere keren) ten onrechte geen rechtsbijstand heeft verleend voor de aan haar gelieerde en meeverzekerde onderneming [onderneming 3] Volgens [eiseres] zou deze onderneming vóór 1 januari 2012 niet bij haar verzekerd zijn terwijl al in september 2011 middels een opgaveformulier is verzocht [onderneming 3] en [onderneming 1] en [onderneming 2]. op de lopende polis van [onderneming 4] mee te verzekeren. [eiseres] heeft daar niet aan mee gewerkt, maar vervolgens op 7 december 2011 ten onrechte de polis ten name van [onderneming 4] met terugwerkende kracht per 12 april 2011 geroyeerd. Subsidiair beroept [gedaagde] zich op verrekening met het bedrag van € 3.324,22 aan te veel betaalde premie voor de polis van [onderneming 4] [gedaagde] biedt ten slotte uitdrukkelijk bewijs aan van haar stellingen.

De beoordeling

4.1. Niet in geschil is dat [gedaagde] in 2012 bij [eiseres] voor rechtsbijstand was verzekerd en dat zij daarvoor een jaarpremie van € 2.405,20 is verschuldigd die [eiseres] op 26 juni 2012 in rekening heeft gebracht. [gedaagde] stelt ten eerste niet tot betaling van deze factuur gehouden te zijn omdat [eiseres] haar in 2012 meerdere malen ten onrechte rechtsbijstand heeft geweigerd. De kantonrechter begrijpt deze stelling aldus dat [gedaagde] zich tegen de vordering tot betaling van de jaarpremie over 2012 verweert met een beroep op opschorting en oordeelt hiertoe als volgt.

4.2. Partijen hebben een wederkerige (verzekerings)overeenkomst als bedoeld in artikel 6:261 BW gesloten. Voor de vraag of [gedaagde] haar verplichting tot betaling van de jaarpremie mocht opschorten zijn de vereisten van artikel 6:262 BW dus van belang. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat indien een der partijen haar verbintenis niet nakomt de wederpartij bevoegd is de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten.

4.3. Vast staat dat [eiseres] in 2012 twee keer een verzoek om rechtsbijstand van [gedaagde] heeft afgewezen onder verwijzing naar haar algemene en bijzondere (polis)voorwaarden. De kantonrechter stelt verder vast dat [gedaagde] niet betwist dat het eerste geschil waarvoor zij rechtsbijstand heeft verzocht in 2011 is ontstaan (dus vóór de looptijd van de verzekering) en op het moment dat zij voor een tweede geschil voor [onderneming 3] rechtsbijstand verzocht voor deze B.V. een faillissementsverzoek liep. Hieruit volgt dat [eiseres] onder verwijzing naar haar algemene en bijzondere (polis) voorwaarden - waarvan [gedaagde] de geldigheid niet heeft betwist - deze verzoeken om rechtsbijstand heeft mogen afwijzen. [gedaagde] heeft de betaling van de jaarpremie 2012 dus niet vanwege het weigeren van rechtsbijstand mogen opschorten.

4.4. [gedaagde] stelt verder dat door fouten van [eiseres] voor [onderneming 3] in 2011 geen rechtsbijstandverzekering is afgesloten, terwijl daar wel om is verzocht. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [gedaagde] gewezen op een opgaveformulier voor de polis (935646) van [onderneming 4], waarin zij [eiseres] in september 2011 heeft verzocht om [onderneming 3] mee te verzekeren en in plaats van [onderneming 4] hoofdverzekerde van deze polis te maken. [eiseres] stelt dat zij aan dit verzoek niet heeft kunnen voldoen omdat [onderneming 4] op 12 april 2011 failliet is gegaan en haar tot 1 december 2011 lopende polis daarom niet is gewijzigd, maar met terugwerkende kracht is geroyeerd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] door het invullen van genoemd opgaveformulier er niet zonder meer op mogen vertrouwen dat [onderneming 3] ook in 2011 voor rechtsbijstand verzekerd zou zijn. Dit formulier zag ten eerste op een eventuele verlenging van de polis van [onderneming 4] na 1 december 2011, zodat omzetting van deze polis ten gunste van Victoria HRM B.V. op deze wijze dan ook niet eerder had kunnen ingaan. Daar komt bij dat [onderneming 4] al sinds 12 april 2011 failliet was, zodat voortzetting van deze polis onder een andere naam niet zeker was. Als [gedaagde] voor [onderneming 3] vanaf haar oprichting in april 2011 een verzekering heeft beoogd, dan had zij [eiseres] daarvoor eerder een (rechtsreeks) verzoek moeten doen. Nu niet is komen vast te staan dat [onderneming 3] door fouten van [eiseres] in 2011 ten onrechte niet was verzekerd, heeft [gedaagde] ook om die reden betaling van de jaarpremie voor 2012 niet mogen opschorten.

4.6. Gelet op het voorgaande wordt het beroep op opschorting en dus het verweer van [gedaagde] tegen de vordering tot betaling van de jaarpremie 2012 verworpen. [gedaagde] heeft ter comparitie weliswaar nog een bewijsaanbod gedaan maar dit algemeen geformuleerde bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat [gedaagde] daarbij geen concrete feiten omstandigheden heeft aangevoerd over (andere) fouten van [eiseres] die aan het voorgaande kunnen afdoen.

4.7. Ten aanzien van het subsidiaire beroep op verrekening van [gedaagde] oordeelt de kantonrechter als volgt. Artikel 6:136 BW bepaalt dat de rechter een vordering ondanks een beroep van de gedaagde op verrekening kan toewijzen indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Nu [eiseres] zowel de hoogte van het volgens [gedaagde] te restitueren bedrag (gemotiveerd) betwist, alsmede stelt dat niet [gedaagde], maar een andere - en inmiddels gefailleerde - rechtspersoon partij is bij de tegenvordering, is naar het oordeel van kantonrechter de gegrondheid van het beroep op verrekening dus niet op eenvoudige wijze vast te stellen.

Het beroep van [gedaagde] op verrekening zal dan ook worden afgewezen.

4.8. Gelet op het voorgaande is [gedaagde] dus gehouden de door [eiseres] aan haar verzonden factuur volledig te betalen. De gevorderde hoofdsom van € 2.450,20 zal dan ook worden toegewezen. Aangezien in het petitum van de dagvaarding niet de - naar [eiseres] stelt - overeengekomen rente van 7,75% per jaar, maar de wettelijke rente is gevorderd, zal de hoofdsom daarmee worden vermeerderd, te rekenen vanaf 17 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

4.9. [eiseres] maakt verder aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 544,50 aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is nu het verzuim op 17 juli 2012, dus na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke kosten kunnen op basis van het rapport BGK-Integraal 2013 worden toegewezen en wel tot ten hoogste het bedrag van de wettelijke staffel zoals vermeld in artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te weten 15% van € 2.450,20 is € 360,78, te vermeerderen met een bedrag van € 75,76 aan BTW. In totaal zal dus aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 436,54 worden toegewezen.

4.10. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen € 2.841,74, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.405,20, te rekenen vanaf 17 juli 2012 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van [eiseres] tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op € 99,82 aan explootkosten, € 448,00 aan vast recht en

€ 400,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van den Noort, kantonrechter, en op 12 december 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: rvdh