Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:7516

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
18.930172-13 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht artikel 36e, geldigheid: 2013-12-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.930172-13

Beslissing van de Meervoudige kamer d.d. 3 december 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

1 Gang van zaken

1.1.

De officier van justitie heeft een ontnemingsvordering ingediend die ertoe strekt dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4 van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat aan veroordeelde de verplichting wordt opgelegd aan de Staat het geschatte voordeel tot een maximum bedrag van € 93.686,13 te betalen.

1.2.

De officier van justitie, mr. J.L. van den Broek, en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P. Eefting, advocaat te Groningen, zijn gehoord ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2013

1.3.

De officier van justitie heeft bij deze gelegenheid zijn vordering verminderd tot een bedrag van € 27.180,00 en daarbij gesteld dat dit bedrag verminderd dient te worden met het bedrag van de door de rechtbank toe te wijzen vordering van de benadeelde partij die zich in de hoofdzaak in het geding heeft gevoegd.

2 Motivering

2.1.

De rechtbank heeft bij vonnis van 3 december 2013 telkens het subsidiair

tenlastegelegde van de dagvaarding met parketnummer 18.930172-13 bewezen verklaard, namelijk voor zover hier van belang de feiten onder 1, onder 2, onder 3 en onder 4.

Op grond van de stukken en het verhandelde op de terechtzitting, staat naar het

oordeel van de rechtbank voldoende vast dat verdachte door middel van of uit de baten van deze bewezen verklaarde feiten wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

2.2.

Bij de bewezen verklaarde feiten ging het om verduistering van respectievelijk

bedragen van € 6.680,00 (feit 1), € 5.000,00 (feit 2), € 7.500,00 (feit 3) en € 8.000,00 (feit 4), zodat de rechtbank het verkregen voordeel derhalve op een bedrag van € 27.180,00 stelt.

De rechtbank heeft de vordering van [benadeelde] (feit 3) in rechte toegekend tot een bedrag van € 7.603,15.

De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel stellen op een bedrag van € 19.680,00.

2.4.

De op te leggen maatregel berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

3 Beslissing

De rechtbank stelt het door verdachte door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 19.680,00 (zegge: negentienduizend zeshonderd en tachtig euro) en stelt de verplichting van het aan de Staat te betalen bedrag ter ontneming van het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel op genoemd bedrag van € 19.680,00.

Aldus gegeven door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mrs. E. Läkamp en M.A.A. van Capelle, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op dinsdag 3 december 2013.