Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:7480

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
581867 CV EXPL 13-3241
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling achterstallige pensioenpremies. Geen rechtsverwerking door onjuiste adressering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 581867 CV EXPL 13-3241

Vonnis d.d. 7 november 2013

inzake

1. de stichting Stichting Pensioenfonds Horeca & Cateringvoorheen genaamd Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Horecabedrijf,

gevestigd te Zoetermeer,

2. de stichting Stichting Sociaal Fonds voor het Horecabedrijf (SFH),

gevestigd te Zoetermeer,

3. de stichting Stichting Overgangsregeling vervroegd uittreden voor het horecabedrijf (SOHOR)

gevestigd te Zoetermeer,

eiseressen, hierna de Fondsen ofwel afzonderlijk eiseres sub 1, eiseres sub 2 en eiseres sub 3 te noemen,

gemachtigde Flanderijn en van Eck, gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,

tegen

[naam], voorheen handelend onder de naam [naam],

wonende te [woonplaats], aan de [adres],

gedaagde, hierna [gedaagde] te noemen,

gemachtigde R. Brontsema, werkzaam bij Stichting Paraplu.

PROCESGANG

De Fondsen hebben op de bij dagvaarding, met bijlagen, geformuleerde gronden gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan eiseres sub 1 van een bedrag van € 1.782,54 te vermeerderen met rente vanaf 1 maart 2007 ad € 371,67 en buitengerechtelijke incassokosten ad € 363,00, aan eiseres sub 2 van een bedrag van € 88,37, en aan eiseres sub 3 van een bedrag van € 324,32, met veroordeling van gedaagde tot betaling van de daarover gevorderde rente en de kosten van deze procedure.

[gedaagde] heeft geantwoord met conclusie tot afwijzing van het gevorderde.

Partijen hebben vervolgens gerepliceerd met producties en gedupliceerd.

Het vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1 De feiten

1.1

Tussen partijen staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken het volgende vast.

1.2

[gedaagde] heeft in de periode maart 2005 tot en met april 2007 een horecaonderneming, zijnde een restaurant, geëxploiteerd.

1.3

Als horecabedrijf viel de onderneming van [gedaagde] onder de werkingssfeer van eiseres sub 1. [gedaagde] was op grond daarvan een verplichte deelnemer van het bedrijfstakpensioenfonds en de daarop gebaseerde besluiten, waaronder het uitvoeringsreglement Reglement Pensioenfonds Horeca & Catering.

1.4

De fondsen hebben bij brieven d.d. 21 augustus 2007 en 21 december 2007 de voorlopig vastgestelde premies voor het heffingsjaar 2007 in rekening gebracht bij [gedaagde]. De brieven zijn gezonden naar het adres Damsterkade 5 te Groningen.

1.5

Op 15 augustus 2008 hebben de Fondsen aan de hand van aangeleverde gegevens van de Belastingdienst een eindafrekening opgesteld. De eindafrekening betreft een totaalbedrag van € 2.111,08.

1.6

De Fondsen hebben [gedaagde] (onder meer) op 7 juni 2012 en 6 juli 2012 op het adres Graaf Adolfstraat 26a te Groningen gesommeerd de onderhavige vordering te voldoen.

2 De standpunten van partijen

2.1

De Fondsen stellen dat zij aanspraak kunnen maken op de verschuldigde premies die betrekking hebben op de periode 1 januari 2007 tot 1 april 2007. Dit blijkt ook uit de overgelegde Icomgegevens van de Belastingdienst. De specificaties vermelden enkel de datum uitdienst 31 juli 2013 omdat de Belastingdienst tot die periode gegevens heeft ontvangen. De Fondsen hebben geen gelden ontvangen van de verkoop van de onderneming van [gedaagde]. Er strekken dan ook geen bedragen in mindering op het gevorderde. Voorts maken De Fondsen op grond van de toepasselijke uitvoeringsreglementen aanspraak op rente en buitengerechtelijke incassokosten.

2.2

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van het gevorderde. De Fondsen brengen premies in rekening over het gehele jaar 2007, terwijl [gedaagde] reeds eind april 2007 is gestopt met zijn onderneming. Na de verkoop van de onderneming is een deel van het verkoopbedrag afgedragen aan onder meer de Fondsen. [gedaagde] was in de veronderstelling dat daarmee alles was afgedaan. Voorts hebben De Fondsen nagelaten om [gedaagde] tijdig te informeren over de gepretendeerde premieachterstand en daarnaast om hem op een behoorlijke wijze (juiste persoon en adres) aan te schrijven. De Fondsen hebben daarom hun recht om tot terugvordering over te gaan verloren.

3 De beoordeling

3.1

Aan de orde is het antwoord op de vraag of [gedaagde] gehouden is de pensioenpremies over het jaar 2007 te voldoen. De kantonrechter oordeelt daaromtrent als volgt. Vaststaat dat [gedaagde] een horecabedrijf heeft geëxploiteerd en dat hij daarmee onder de werkingssfeer van de verplichting tot deelneming in Stichting Pensioenfonds Horeca & Catering valt. Op grond daarvan is [gedaagde] pensioenpremies verschuldigd aan de Fondsen tot het moment waarop zijn onderneming is geëindigd ofwel tot het moment waarop [gedaagde] personeel in dienst heeft gehad.

3.2

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de Fondsen door tijdsverloop en gemaakte fouten in de adressering van de aan hem gerichte brieven hun rechten hebben verwerkt om tot terugvordering van de premies over te gaan. De kantonrechter zal dit beroep op rechtsverwerking verwerpen. Een enkel tijdsverloop of enkel stilzitten van een eisende partij is onvoldoende voor het aannemen van rechtsverwerking (HR 26 maart 1999, NJ 1999, 445). De andere omstandigheid zoals door [gedaagde] geschetst (foutieve adressering) levert eveneens geen rechtsverwerking op.

3.3

[gedaagde] heeft verder als verweer naar voren gebracht dat de Fondsen premies over het gehele jaar 2007 in rekening hebben gebracht, terwijl hij slechts een onderneming heeft geëxploiteerd tot en met april 2007. Dit blijkt volgens hem ook uit de door de Fondsen overgelegde productie van de Belastingdienst. De kantonrechter kan [gedaagde] daarin niet volgen. Op het bedoelde overzicht staan weliswaar ook de tijdvakken tot en met 31 juli 2007 genoemd, maar er zijn in de laatste kolom slechts premies voor werknemers in rekening gebracht over de perioden 01-01-2007/31-01-2007, 01-02-2007/28-02-2007 en 01-03-2007/31-03-2007. Dit is derhalve een kortere periode dan door [gedaagde] genoemd.

3.4

De Fondsen hebben uitdrukkelijk betwist dat zij na de verkoop van de onderneming gelden van [gedaagde] hebben ontvangen die in mindering kunnen strekken op de onderhavige vordering. Het lag daarom op de weg van [gedaagde] om zijn verweer, dat hij bedragen in mindering heeft voldaan, te onderbouwen. Dat heeft hij echter niet gedaan. [gedaagde] heeft namelijk niet aangegeven op welke datum en welk bedrag aan de Fondsen is voldaan en evenmin heeft hij onderliggende stukken in het geding gebracht waaruit dit blijkt. Het verweer van [gedaagde] zal daarom als niet, althans onvoldoende, onderbouwd worden gepasseerd.

3.5

Het vorengaande leidt tot de conclusie dat de vordering in hoofdsom zal worden toegewezen. Uit het bovenstaande vloeit eveneens voort dat [gedaagde] met het betalen van de vordering in verzuim is. [gedaagde] is op grond daarvan de contractueel gevorderde rente en boete c.q. buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geworden. Nu de hoogte van de gevorderde boete de kantonrechter bovendien niet onredelijk voorkomt, is de vordering toewijsbaar.

3.6

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om tegen kwijting te betalen aan:

- eiseres sub 1 een bedrag van € 1.782,54 vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.765,68 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

- eiseres sub 1 een bedrag van € 371,67 aan berekende wettelijke rente vanaf 1 maart 2007 tot de dag der dagvaarding;

- eiseres sub 1 een bedrag van € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

- eiseres sub 2 een bedrag van € 88,37 vermeerderd met de wettelijke rente over € 87,54 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

- eiseres sub 3 een bedrag van € 324,32 vermeerderd met de wettelijke rente over € 321,19 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tevens in de kosten van het geding, aan de zijde van de Fondsen tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 448,00 aan griffierecht, € 94,79 aan explootkosten en € 350,00 voor salaris van de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 7 november 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: bb