Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:7422

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
C-17-124484 - HA ZA 13-17
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vraag of de nadelige gevolgen door verzekeringsfraude door de man in geval van finale verrekening in het kader van een verrekeningsbeding voor zijn rekening moeten worden gelaten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/124484 / HA ZA 13-17

Vonnis van 23 oktober 2013

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats A],

eiseres,

advocaat mr. drs. H. de Jong te Burgum,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats B],

gedaagde,

advocaat mr. H. Veldman te Peize.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 4 juni 2013

  • -

    de akte van de vrouw

  • -

    de akte wijziging eis tevens overleg producties van de vrouw

  • -

    de antwoordakte inzake wijziging eis van de man.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 2 juni 1993 op huwelijkse voorwaarden gehuwd.

2.2.

De huwelijksvoorwaarden bevatten - voorzover van belang - de volgende bepalingen:

" Algehele uitsluiting

ARTIKEL 1

Tussen de echtgenoten zal generlei vermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

(…)

Verrekening van inkomsten

ARTIKEL 8

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen gecompenseerd tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.

(…)

Afrekening aan het einde van het huwelijk

ARTIKEL 15

1. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, heeft ieder van de echtgenoten het recht om te vorderen dat er een verrekening plaatsvindt, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe zij gerechtigd zouden zijn indien er de algehele gemeenschap van goederen tussen hen had bestaan.

2. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van ontbinding van het huwelijk door de dood of ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, naar de toestand naar de aanvang van de dag van het instellen van de vordering daartoe.

(…)

4. De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert, zo, dat ieder van hen de helft geniet van het vermogen als omschreven in lid 1, met dien verstande, dat aanspraken op al of niet ingegaan pensioen niet in deze verrekening worden betrokken.

5. Voor wat betreft de waardering der goederen, de vorm van de handeling, de personen die tot de verrekening moeten meewerken en de oplossing van zwarigheden geschiedt deze verrekening op dezelfde wijze als voor de verdeling van een gemeenschap is voorgeschreven.

(…)"

2.3.

Bij beschikking van 9 december 2009 is naar aanleiding van een verzoek tot echtscheiding van de vrouw van 12 augustus 2009 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 15 maart 2010 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.

2.4.

Bij beschikking van 16 februari 2011 heeft de rechtbank in het echtscheidingsgeding het verzoek van de vrouw om partijen te veroordelen om tot verdeling van de huwelijksgemeenschap over te gaan afgewezen, omdat er tussen partijen geen huwelijksgemeenschap heeft bestaan.

2.5.

De man exploiteert een groothandel in gebruikte tractoren, landbouwmachines e.d., terwijl hij ook nieuwe en gebruikte bedrijfshallen e.d. levert. Op 21 april 2008 zijn de opstallen van het bedrijf van de man vrijwel volledig door brand verwoest.

2.6.

De verzekeringsclaim van de man in verband met de door hem ten gevolge van deze brand geleden schade is door de verzekeraar afgewezen, omdat de man zich volgens de verzekeraar schuldig gemaakt heeft aan verzekeringsfraude. Volgens de verzekeraar heeft de man inkoopfacturen gewijzigd om de waarde van zijn handelsvoorraad te verhogen en zodoende de verzekeraar te bewegen tot het uitkeren van een hoger bedrag.

2.7.

Op 11 mei 2009 is de man door de politierechter te Leeuwarden veroordeeld op grond van voormelde verzekeringsfraude. De man is hiertegen in hoger beroep gegaan.

2.8.

Bij arrest van 27 juni 2012 is de man in hoger beroep door het gerechtshof Leeuwarden veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur. Het hof heeft bewezen geacht dat de man de factuur van 2 februari 2008 van Bruyn Trac heeft vervalst.

2.9.

De man is tegen dit arrest van het hof in cassatie gegaan. Die procedure is thans aanhangig.

2.10.

Op 15 april 2009 heeft de rechtbank Leeuwarden tussen partijen een beschikking voorlopige voorzieningen gewezen. Deze beschikking luidt voorzover van belang als volgt:

Motivering

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting en op de aanwezige bescheiden, is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak de volgende voorlopige voorziening moet worden getroffen.

Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de door de man te betalen partneralimentatie. De rechtbank zal de gemaakte afspraak bevestigen.

Beslissing

De rechtbank:

Bepaalt de som welke de man met ingang van 15 april 2009 zal betalen tot levensonderhoud van de vrouw op € 1.500,-- (vijftienhonderd euro) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, waarbij de man tevens voor de vrouw voldoet de benzinekosten van de auto (dus met uitzondering van andere uitgaven in het tankstation), de doorlopende reisverzekering, de tandartskosten en ziektekostenverzekering en waarbij de vrouw ervoor zorg draagt dat de kinderbijslag aan de man wordt uitbetaald.

3 Het geschil en de beoordeling

Finale verrekening op grond van artikel 15 Huwelijksvoorwaarden

3.1.

De vrouw vordert in deze procedure in de eerste plaats finale verrekening op grond van artikel 15 van de huwelijksvoorwaarden (HV).

3.2.

De vrouw heeft naar aanleiding van het verweer van de man te kennen gegeven dat er alleen iets te verrekenen valt, indien de gevolgen van de brand van 21 april 2008 - na onherroepelijke veroordeling door de strafrechter - voor rekening van de man moeten worden gelaten. Immers, in het geval dat deze gevolgen niet voor rekening van de man worden gelaten overstijgen de schulden de te verrekenen activa, zodat er per saldo niets te verrekenen valt.

3.3.

De rechtbank zal daarom eerst op de stelling van de vrouw ingaan dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat de man alleen voor de schuld opdraait die ontstaat wanneer de man onherroepelijk door de strafrechter wordt veroordeeld en de verzekeraar om die reden de brandschade niet zal vergoeden. De rechtbank zal er aldus in het hierna volgende veronderstellenderwijs vanuit gaan dat het cassatieberoep van de man niet zal slagen.

3.4.

De rechtbank stelt artikel 1:138 BW voorop. Op grond van lid 1 van dit artikel is de man aan de vrouw geen verantwoording over het bestuur van zijn goederen schuldig en verplicht slecht bestuur over die goederen hem niet tot schadevergoeding.

3.5.

De vrouw stelt dat de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat in dit geval de man desondanks alleen voor de schuld dient op te draaien die ontstaat wanneer de verzekeringsmaatschappij de brandschade niet wil vergoeden. De vrouw onderbouwt deze stelling niet nader.

3.6.

De rechtbank acht het niet bij voorbaat uitgesloten dat in bepaalde omstandigheden de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat een echtgenoot in afwijking van artikel 1:138 BW verplicht wordt tot schadevergoeding c.q. dat bepaalde schulden voor zijn rekening worden gelaten wegens onbehoorlijk bestuur, waardoor de andere echtgenoot bij finale verrekening (zoals hier op grond van artikel 15 HV) benadeeld wordt. Naar het oordeel van de rechtbank zal dit met name het geval kunnen zijn, indien het handelen van de verrekenplichtige echtgenoot ten opzichte van de andere echtgenoot als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd.

3.7.

In het onderhavige geval (waarin de rechtbank er, zoals zij hiervoor heeft overwogen, veronderstellenderwijs vanuit gaat dat de man inderdaad de door het hof aangenomen verzekeringsfraude heeft gepleegd) is echter van zodanig onrechtmatig handelen geen sprake. De man heeft weliswaar in strijd met een wettelijke norm gehandeld, doch deze geschonden norm strekt niet tot bescherming tegen de door de vrouw gestelde schade (artikel 6:163 BW).

3.8.

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de gevolgen van de brand van 21 april 2008 niet voor rekening van uitsluitend de man moeten worden gelaten. Dit betekent dat er vanuit gegaan moet worden dat de schulden de te verrekenen activa overstijgen, zodat er per saldo niets te verrekenen valt. De vorderingen die de vrouw in het petitum van de dagvaarding sub I tot en met III heeft geformuleerd, zullen dan ook worden afgewezen.

3.9.

Partijen zijn het er overigens over eens dat, indien het cassatieberoep van de man tot resultaat zal leiden en de verzekeraar toch nog tot uitkering zal overgaan, alsnog verrekend zal moeten worden. Omdat de rechtbank uit hetgeen de vrouw in deze procedure heeft gesteld, afleidt dat haar vordering niet op die toekomstige situatie betrekking heeft, gaat zij hier verder aan voorbij.

Gebruiksvergoeding

3.10.

De vrouw vordert van de man voorts een gebruiksvergoeding van € 540,-- per maand. Zij stelt dat van de fictie moet worden uitgegaan dat er een gemeenschap is en dat zij daarom recht heeft op een vergoeding, omdat de man gebruik maakt van de overwaarde van de vrouw die in de woning zit.

3.11.

De rechtbank kan het standpunt van de vrouw niet volgen. In bepaalde gevallen kan een mede-eigenaar die niet het genot van zijn zaak heeft, van de andere eigenaar die het uitsluitend genot heeft, op grond van artikel 3:168 BW een gebruiksvergoeding verlangen, doch dit is alleen mogelijk in het geval van een gemeenschap in de zin van titel 7 van boek 3 BW. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. De stelling van de vrouw dat er moet worden uitgegaan van de fictie dat er een gemeenschap is, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

3.12.

Ook vordering sub IV van de vrouw zal mitsdien worden afgewezen.

Geldvordering sub € 10.058,90

3.13.

De vrouw vordert betaling door de man van diverse posten die zij heeft voldaan, doch die volgens afspraak voor rekening van de man dienen te komen. Zij verwijst in dit kader naar de beschikking van de rechtbank Leeuwarden d.d. 15 april 2009.

tandartskosten

3.14.

De vrouw vordert een bedrag van € 1.800,-- aan kosten die zij bij de tandarts heeft gemaakt. Uit de door de vrouw overgelegde producties blijkt dat het gaat om kosten die gemaakt zijn in de periode januari tot en met mei 2009.

3.15.

De man betwist de verschuldigdheid van deze kosten op diverse gronden. Hij brengt onder meer naar voren dat deze tandartskosten dateren van vóór de datum van de beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 15 april 2009.

3.16.

De rechtbank is van oordeel dat de man op grond van de beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 15 april 2009 alleen de na deze datum door de vrouw gemaakte tandartskosten aan haar dient te vergoeden. Dit betekent dat de man hoogstens gehouden kan worden om de kosten ad € 42,50 die vermeld staan op de nota van 19 mei 2009 van tandartspraktijk Folkersma, voor zijn rekening te nemen.

3.17.

De man beroept zich voorts op verrekening. Hij betoogt dat hij op grond van de beschikking d.d. 1 juni 2011 met ingang van de datum van de echtscheiding (15 maart 2010) het bedrag van € 588,-- aan partneralimentatie aan de vrouw dient te voldoen. Omdat hij op grond van de beschikking d.d. 15 april 2009 (voorlopige voorzieningen) tot 1 juni 2011 € 1.500,-- per maand heeft voldaan, heeft hij aanspraak gemaakt op terugbetaling van het bedrag van € 15.509,49.

3.18.

Omdat één en ander niet, althans niet voldoende gemotiveerd, door de vrouw is weersproken, zal de rechtbank het beroep van de man op verrekening honoreren. Dit betekent dat de vrouw ook geen aanspraak kan maken op betaling door de man van het bedrag van € 42,50.

autokosten

3.19.

De vrouw vordert van de man betaling van een bedrag van € 1.800,--. Dit betreft volgens haar onder meer een reparatienota die door haar is voldaan, terwijl de man hiervoor van zijn verzekeraar een vergoeding zou hebben ontvangen.

3.20.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Zo kan de rechtbank uit de beschikking van 15 april 2009 niet afleiden dat de man gehouden zou zijn de vrouw kosten in verband met de auto - anders dan benzinekosten - te vergoeden. De rechtbank gaat hier verder dan ook aan voorbij.

ziektekosten

3.21.

De vrouw vordert van de man ook nog betaling van het bedrag van € 818,90, zijnde twee maanden zorgpremie.

3.22.

De rechtbank acht ook deze vordering onvoldoende onderbouwd om te kunnen toewijzen. Zo kan de rechtbank niet afleiden om welke maandpremies het gaat, terwijl de vrouw ook niet heeft gesteld op grond waarvan de man deze premies voor zijn rekening zou moeten nemen.

kosten inrichting woning

3.23.

Tenslotte vordert de vrouw van de man “kosten inrichting woning” ten bedrage van € 6.000,--.

3.24.

Ook deze vordering zal de rechtbank afwijzen wegens onvoldoende onderbouwing. De vrouw heeft immers niet gesteld op grond waarvan de man gehouden is deze kosten voor zijn rekening te nemen.

Slotsom

3.25.

De vorderingen van de vrouw zullen worden afgewezen.

3.26.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.R. Tjallema en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2013.1

1 fn: 432