Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:7357

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
2449484 EJ VERZ 13-274
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

directeur gesubsidieerde instelling; verantwoordelijkheid bestuur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0973
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak/rolnummer: 2449484 EJ VERZ 13-274

Beschikking van 28 november 2013

inzake

de stichting [naam],

hierna [verzoekster] te noemen,

gevestigd te [plaatsnaam],

verzoekster,

gemachtigde: mr. K. de Vries, advocaat te Groningen (Postbus 1105, 9701 BC),

tegen

[naam],

hierna [verweerder] te noemen,

wonende te [adres],

verweerder,

gemachtigde: mr. D. Kuijken, advocaat te Groningen (Postbus 1100, 9701 BC).

PROCESGANG

1.

Bij verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 18 oktober 2013, heeft [verzoekster] de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden wegens gewichtige redenen bestaande uit een zodanige verandering van de omstandigheden dat beëindiging van het dienstverband op korte termijn noodzakelijk moet worden geacht.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend ter griffie op 12 november 2013. Daarna heeft [verzoekster] nog producties in het geding gebracht met brieven van 13 november 2013.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 november 2013 te Groningen.

Beide partijen hebben hun standpunten nader toegelicht bij monde van hun gemachtigden. De gemachtigde van [verzoekster] heeft pleitaantekeningen overgelegd. Van het verder verhandelde heeft de griffier aantekeningen gemaakt die bij de processtukken zijn gevoegd. De beschikking is bepaald op vandaag.

OVERWEGINGEN

De feiten

2.

De kantonrechter acht het navolgende van belang en vaststaand.

2.1.

[verweerder] is geboren op [datum]. Hij is op 1 september 2007 in dienst getreden van [verzoekster] in de functie van directeur voor 28 uur per week. Het laatst verdiende salaris is € 3.610,05 exclusief vakantietoeslag.

2.2.

[verzoekster] is een poppodium met een kleine (200 personen) en een grote (400 personen) zaal. Haar doelgroep bestaat uit jongeren tussen de 16 en 27 jaar. [verzoekster] wordt gerund door een professionele staf van 9 fte en ongeveer 80 vrijwilligers. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van 26 september 2013 heeft de stichting [verzoekster] vier bestuursleden en een gevolmachtigd directeur, [verweerder].

2.3.

[verzoekster] ontvangt subsidie van de gemeente Groningen. De Kunstraad Groningen heeft in april 2012 aan de gemeente Groningen geadviseerd over de aan [verzoekster] te verstrekken subsidie. In het advies staat onder meer:

Wat de Kunstraad zorgen baart is de weinig zakelijke opstelling van de directie en het gebrek aan inhoudelijke visie en strategisch inzicht.

Geadviseerd wordt de subsidie terug te brengen van € 428.000,00 naar € 300.000,00, te verhogen met overgangsbedragen van € 125.000,00 in 2013 en € 75.000,00 in 2014.

2.4.

In het voorjaar van 2013 heeft de gemeente Groningen besloten een bezuiniging van 10% op de subsidie voor [verzoekster] door te voeren. In de notulen van de bestuursvergadering van [verzoekster] van 3 juni 2013 staat daarover:

Insteek [verzoekster]: we onderzoeken nu hoe we verwerken dat we gekort worden volgens de Cultuurnota 2013-2016. Die 10% extra bezuiniging is een doodssteek die we niet overleven.

2.5.

In de notulen van 3 juni 2013 staat verder, voorzover van belang:

Actielijst

(…..)

[verweerder] - commerciëlere bedrijfsvoering doorzetten met MT

- mailt 1e kwartaalcijfers naar bestuur

Het standpunt van [verzoekster]

3.

Tussen [verzoekster] en [verweerder] is een vertrouwensbreuk ontstaan doordat:

- [verweerder] zich niet heeft gehouden aan redelijke opdrachten,

- [verweerder] [verzoekster] een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven over de financiële situatie van [verzoekster],

- [verweerder] [verzoekster] een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven over de voortgang van een door [verzoekster] gewenste reorganisatie, en,

- [verweerder] financieel wanbeleid heeft gevoerd.

[verweerder] is aangenomen als een directeur met een hands-on mentaliteit en als een directeur die de rust bewaart en het personeel op een menselijke en persoonlijke manier aanstuurt. [verweerder] is verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken.

[verzoekster] heeft vanaf 2010 meermalen haar zorgen geuit over [verweerder] financiële beleid.

Op basis van een door [verweerder] rond 1 december 2011 ingediend beleidsplan heeft de Kunstraad geadviseerd aan de gemeente Groningen om [verzoekster] met € 128.000,00 op de subsidie te korten. Daarop heeft [verzoekster] [verweerder] opdracht gegeven bezuinigingsvoorstellen te doen en voorstellen voor extra inkomsten. [verweerder] heeft een bedrijfsplan noch een reorganisatieplan opgesteld.

[verweerder] heeft zowel de liquiditeitsbegroting als de kwartaalcijfers 1e kwartaal 2013 te laat aan [verzoekster] verstrekt. Hij heeft wel de gemeente Groningen en niet [verzoekster] (tijdig) op de hoogte gesteld van de financiële situatie bij [verzoekster].

Met [verweerder] als directeur moet [verzoekster] vrezen voor een faillissement.

Het standpunt van [verweerder]

4.

Op de begroting van [verzoekster] is het jaarlijks bereikte resultaat procentueel steeds klein geweest, 1% of 2%. Het ene jaar was er een geringe winst, het andere jaar een klein verlies. Het advies van de Kunstraad is reden geweest voor [verzoekster] en [verweerder] daartegen gezamenlijk ten strijde te trekken. Er was toen geen sprake van verwijten over en weer. Vanaf februari 2013 heeft [verweerder] vrijwel wekelijks, in het belang van [verzoekster], de gemeente Groningen geïnformeerd. De verwijten in punt 31 van het verzoek zijn [verweerder] voor het eerst in deze procedure bekend geworden. [verweerder] heeft zijn vertrouwen in [verzoekster] verloren en legt zich daarom neer bij de gevraagde ontbinding. Hij maakt aanspraak op een ontslagvergoeding van € 52.635,00.

De beoordeling

5.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met enig opzegverbod.

6.

[verweerder] heeft gesteld dat er (inmiddels) reden is de arbeidsverhouding te beëindigen. De kantonrechter zal beoordelen wie van beide partijen in welke mate verwijt treft en of in verband daarmee een vergoeding toegekend moet worden aan [verweerder].

7.

Aan de gebeurtenissen tijdens de bestuursvergaderingen in het voorjaar van 2010 verbindt de kantonrechter geen gevolgen. Wat er ook zij van (de waardering van) die gebeurtenissen, deze zijn niet te kenschetsen als het begin van een andere, door [verzoekster] niet geaccepteerde, wijze van besturen door [verweerder]. Die gebeurtenissen zijn dan ook niet gevolgd door (extra) functioneringsgesprekken of verbetertrajecten op initiatief van [verzoekster].

8.

[verzoekster] heeft meerdere notulen van bestuursvergaderingen overgelegd. Uit de inhoud van de notulen is de kantonrechter niet gebleken van concrete aan [verweerder] verstrekte opdrachten, zoals de beweerde tot het schrijven van een reorganisatieplan, welke hij niet nagekomen zou zijn.

9.

Er is slechts een (1) verslag van een functioneringsgesprek overgelegd, van 16 november 2010. Uit dat verslag blijkt niet van een onvoldoende functioneren door [verweerder]. In het verslag wordt opgemerkt dat er op de terreinen communicatie (met het bestuur) en financiën kan worden verbeterd. Uit de notulen van bestuursvergaderingen blijkt wel van aandacht voor financiële informatie, maar ook dat een en ander door het bestuur van [verzoekster] en [verweerder] gezamenlijk gerealiseerd dient te worden. Vooral volgt dit uit de notulen van 21 juni 2010, 20 september 2010 en 18 oktober 2010. De kantonrechter vindt daarna niet terug wat bestuur en [verweerder] vervolgens op poten hebben gezet voor wat betreft aard en inhoud van informatieverschaffing door [verweerder] en aan hem verstrekte financiële kaders. In de notulen van 24 januari 2011 wordt gerept van een onderzoek door Hanzehogeschoolstudenten naar de inrichting van de financiële administratie en informatieverschaffing aan het bestuur. Ook daarover vindt de kantonrechter vervolgens niets terug.

10.

In de notulen van de bestuursvergadering van [verzoekster] van 3 juni 2013 staat dat het functioneringsgesprek van [verweerder] verplaatst wordt naar een tijdstip na de zomer. De kantonrechter stelt vast dat dat bestuursbesluit wordt genomen op een moment dat de financiële problemen voor wat betreft de subsidie (advies Kunstraad Groningen, extra 10% bezuiniging) bekend zijn. Die zijn voor het bestuur kennelijk geen aanleiding [verweerder] aan te spreken, wat ook niet uit de verdere inhoud van die notulen blijkt. In deze notulen staat wel voor het eerst een actielijst (rechtsoverweging 2.5.). Tijdens de zitting heeft de woordvoerder van het bestuur van [verzoekster] gezegd dat [verweerder] niet de financiële situatie verweten wordt. De kantonrechter vindt dat dat een terechte opmerking is geweest; het door de Kunstraad opgemerkte “gebrek aan inhoudelijke visie en strategisch inzicht” en wat daardoor wordt veroorzaakt, is voor alles een bestuursaangelegenheid en behoort niet tot de dagelijkse gang van zaken waar [verweerder] als directeur voor verantwoordelijk was.

11.

Gelet op vorengaande blijft over het verwijt dat [verweerder] niet zo spoedig als mogelijk de 1e kwartaalcijfers (na vijf weken) en de liquidatiebegroting (na 2,5 maanden) aan het bestuur heeft verstrekt. De kantonrechter is het met [verzoekster] eens dat dat een fout is van [verweerder]. Echter die fout rechtvaardigt niet de wijze waarop [verzoekster] vervolgens met [verweerder] is omgegaan. Nogmaals de slechte financiële situatie is niet veroorzaakt door [verweerder]. De slechte financiële situatie is ook niet nog slechter geworden doordat [verweerder] heeft getreuzeld met het verstrekken van de cijfers.

12.

De kantonrechter komt tot zijn vermoeden, op grond van alle aanwezige producties in hun onderling verband bezien, dat in feite sprake is van een reorganisatie. Het advies van de Kunstraad spreekt zich immers uit voor “een kleinere overhead” en een “nauw samenwerkingsverband met de andere poppodia”. Dat is de facto gerealiseerd wanneer de arbeidsovereenkomst met [verweerder] stopt en de directeur van een ander poppodium, [naam], ook directeur van [verzoekster] wordt, zij het vooreerst ad interim.

13.

[verzoekster] moet een vergoeding aan [verweerder] voldoen. Bij een “echte” en ook als zodanig gepresenteerde reorganisatie, zou in de kantonrechtersformule de C-factor 1 zijn. Gelet op de wijze waarop [verzoekster] nu [verweerder] heeft behandeld is de gevraagde vergoeding waarbij die factor op 1,5 wordt gezet, alleszins redelijk. De kantonrechter zal een vergoeding toekennen van € 52.635,00 bruto. Omdat [verzoekster] geen vergoeding heeft aangeboden krijgt zij de gelegenheid haar verzoek in te trekken.

B E S L I S S I N G

De kantonrechter:

stelt [verzoekster] in de gelegenheid haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te trekken uiterlijk op vrijdag 6 december 2013 voor 12:00 uur;

en indien het verzoek wordt gehandhaafd:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2013 onder toekenning van een vergoeding aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] van bruto € 52.635,00;

bepaalt dat partijen de aan eigen zijde gevallen proceskosten dragen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 28 november 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

coll.:

typ: RTjT