Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:7234

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
Awb 13/1100
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de lopende exploitatievergunning voor Upper Ten, een coffeeshop, ingetrokken op grond van artikel 3 van de Wet Bibob.

De voorzieningenrechter oordeelt dat hoewel, gezien het dossier, niet valt uit te sluiten dat verzoeker betrokken is bij (internationale) drugscriminaliteit, verweerder tot op heden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat gesproken kan worden van een actueel ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob. Verweerder heeft t.a.v. het advies van Bureau Bibob tot nu onvoldoende voldaan aan de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Awb. Het bestreden besluit is voorts niet gemotiveerd op de wijze die artikel 3:46 van de Awb voorschrijft. Verweerder zal bij de heroverweging op bezwaar moeten bezien of deze gebreken kunnen worden hersteld. Volgt schorsing van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: AWB 13/1100

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 november 2013 in de zaak tussen

[naam verzoeker], wonende te Groningen, verzoeker

(gemachtigden: mr. G.J. Knoops en mr. S.C. Post)

en

de burgemeester van Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Snel).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de exploitatievergunning voor de coffeeshop Upper Ten aan de Steentilstraat 22 te Groningen ingetrokken op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob).

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker op 25 oktober 2013 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het geschil is behandeld op de zitting van 20 november 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en door R. Blaauw.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Upper Ten is een eenmanszaak van verzoeker. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de lopende exploitatievergunning voor Upper Ten ingetrokken onder de (later aangepaste) opschortende voorwaarde dat de intrekking ingaat op de dag aansluitend op de dag waarop de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

3.1.

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter ambtshalve aan de orde gesteld dat verweerder op de datum van dagtekening van het bestreden besluit ook een ander besluit betreffende Upper Ten heeft genomen. In dat besluit heeft verweerder aan verzoeker een exploitatievergunning tot het exploiteren van Upper Ten verleend. Het besluit bevat een opsomming van onmiddellijk leidinggevenden en de volgende opmerking: “In verband met een wijziging in de leidinggevenden is de op 2 november 2011 verleende vergunning hiermede van rechtswege ontbonden”.

3.2.

Na bestudering van het bestreden besluit deelt de voorzieningenrechter de opvatting van verweerder dat uit de term ‘de lopende exploitatievergunning’ volgt dat besloten is tot intrekking van de exploitatievergunning die van kracht is op het moment dat aan de opschortende voorwaarde is voldaan. Het bestreden besluit ziet niet uitsluitend op de inmiddels vervallen exploitatievergunning van 2 november 2011, zodat verzoeker nog belang heeft bij het treffen van een voorziening. Het afgeven van een nieuwe vergunning op 16 september 2013 maakt niet dat het verzoek niet-ontvankelijk is.

4.

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de standpunten van partijen. In deze uitspraak zal uitgegaan worden van het wettelijk toetsingskader.

4.1.

Artikel 3 van de Wet Bibob luidt als volgt:

1.Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

2.

Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

3.

Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4.

De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

5.

De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

6.

Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

7.

Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

8.

In dit artikel wordt mede verstaan onder strafbaar feit een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

4.2.

Artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wet bibob luidt als volgt:

1. Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

2.

Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester het Bureau om een advies vragen.

4.3.

Ingevolge artikel 8 van de Wet bibob is er een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet bibob heeft het Bureau tot taak aan bestuursorganen, voorzover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of over de ernst van de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 3, zesde lid.

4.4.

Ingevolge artikel 2:26, eerste lid, onder d van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen (APVG) wordt onder horecabedrijf onder meer verstaan een coffeeshop. Ingevolge artikel 2:27, eerste lid, van de APVG is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Ingevolge artikel 2:33 van de APVG kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

4.5.

Ingevolge artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

4.6.

Ingevolge artikel 3:46 van de Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering.

5.

Op verzoek van verweerder heeft Bureau bibob op 12 juni 2012 advies uitgebracht. Op 28 augustus 2012 heeft Bureau bibob een aanvullend advies uitgebracht. Op 2 april 2013 heeft Bureau bibob wederom aanvullend advies uitgebracht. De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van het advies en de aanvullende adviezen.

6.1.

Gezien de vaste lijn in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2013 (LJN: CA2910),

mag het tot intrekken van een beschikking bevoegde bestuursorgaan in beginsel op een advies van het Bureau bibob afgaan. Het moet zich er wel van vergewissen dat het advies en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en uitgevoerd en de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval, indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden, in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

6.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestuursrecht niet even stringente eisen aan bewijs worden gesteld als in het strafrecht het geval is. Voldoende is dat gestelde feiten aannemelijk worden gemaakt.

7.

In het bestreden besluit stelt verweerder op basis van de advisering door Bureau bibob dat sprake is van ernstig gevaar, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob, zowel betreffende a als b. Hieronder zal de voorzieningenrechter de feiten bespreken die het Bureau bibob en verweerder hieraan ten grondslag leggen.

7.1.

Verzoeker is veroordeeld voor handelen in strijd met de Opiumwet. Op de pleegdatum van 6 december 1999 is in het kantoor boven Upper Ten 3672 gram aan diverse hennepproducten en 622 voorgedraaide joints aangetroffen. Verweerder heeft deze veroordeling bij zijn beoordeling mogen betrekken.

7.2.

Verzoeker is veroordeeld voor handelen in strijd met de belastingwetgeving en valsheid in geschrifte, gepleegd van januari 1995 tot en met 15 januari 1998. Verweerder heeft deze veroordeling bij zijn beoordeling mogen betrekken.

7.3.

Bij een doorzoeking van Upper Ten 12 december 2000 trof de politie softdrugs aan met een totaal gewicht van 1073 gram en daarnaast 101 joints. Op 30 juni 2004 is de zaak geseponeerd ‘op grond van oud feit’. Gezien de rechtspraak van de AbRS, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 mei 2012 (LJN: BW5278), behoeft aan een sepot wegens tijdsverloop niet de conclusie te worden verbonden dat niet aannemelijk kan zijn dat betrokkene het strafbare feit heeft begaan. Ook voor het overige is in dit geval geen aanleiding voor die conclusie. Verweerder heeft dit feit bij zijn beoordeling mogen betrekken.

7.4.

Op 19 maart 2008 heeft de politie in een woning een grote hoeveelheid drugs en andere aan criminaliteit gerelateerde voorwerpen aangetroffen. Een verdachte heeft verklaard dat hij de drugs daar bewaarde voor verzoeker. Blijkens een door verzoeker overgelegd proces-verbaal is verzoeker hierover verhoord. In dit verhoor, waarvan het Bureau bibob geen melding maakt, heeft verzoeker gesteld dat hij met de verdachte al enkele jaren gebrouilleerd was en heeft hij ontkend dat hij de partij drugs bij de verdachte in bewaring heeft gegeven.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is enkel de verklaring van genoemde verdachte onvoldoende om betrokkenheid van verzoeker bij de partij drugs aannemelijk te achten.

7.5.

Verzoeker is verdacht geweest van het bezitten en vervoeren van hoeveelheden hennep van meer dan 30 gram in de periode 27 november 2009 tot en met 2 maart 2010. Op 6 februari 2012 heeft de rechtbank Leeuwarden de dagvaarding van verzoeker nietig verklaard. Verweerder heeft, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, onvoldoende onderbouwd waarom de betrokkenheid van verzoeker desondanks aannemelijk moet worden geacht.

7.6.

In het advies van Bureau Bibob wordt ook aandacht besteed aan een overval op een woning in 2010 waarbij een partij drugs is gestolen. De overvallen persoon heeft hiervan aangifte gedaan. Uit het bestreden besluit wordt niet duidelijk in hoeverre dit incident aan verzoeker wordt tegengeworpen.

Wel valt het de voorzieningenrechter op dat het Bureau bibob onvermeld laat dat de aangever, blijkens het door verzoeker overgelegde proces-verbaal, niet verzoeker maar een andere persoon als eigenaar van de partij drugs noemt. Bureau bibob neemt wel een deel van een niet bijgevoegd proces-verbaal van latere datum op waarin de aangever gesteld zou hebben dat zij inmiddels denkt dat de wiet van verzoeker is. Verder zou verzoeker in een kort nadien afgeluisterd telefoongesprek hebben gezegd dat hij geript was, maar de context waarin dat gezegd is, wordt niet duidelijk.

7.7.

In het bestreden besluit noemt verweerder verschillende verklaringen dat verzoeker in de jaren vanaf 1990, in 2006 en tot aan 2 oktober 2008 betrokken is bij de internationale handel in softdrugs. Verweerder overweegt dat het feit dat de verdenking voortvloeit uit enkele verklaringen, die nog niet hebben geleid tot acties van opsporing of vervolging, volgens Bureau bibob het vermoeden dat verzoeker in deze perioden heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet minder ernstig maakt.

7.8.

Verweerder baseert het bestreden besluit ten slotte op aanwijzingen voor vermoedelijk gepleegde fiscale delicten. De voorzieningenrechter overweegt dat aan verzoeker geen fiscale boetes zijn opgelegd en dat verzoeker, afgezien van hetgeen onder 7.2 is besproken, niet strafrechtelijk is vervolgd wegens handelen in strijd met de belastingwetgeving. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat de verschillen van mening tussen verzoeker en de Belastingdienst tot strafrechtelijk relevante feiten leiden.

8.1.

De voorzieningenrechter overweegt, op grond van het voorgaande, dat slechts de feiten besproken onder 7.1, 7.2 en 7.3 bij de beoordeling door verweerder betrokken kunnen worden. Dit zijn feiten van dertien jaar of langer geleden. Hoewel, gezien het dossier, niet valt uit te sluiten dat verzoeker betrokken is bij (internationale) drugscriminaliteit, heeft verweerder tot op heden onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gesproken kan worden van een actueel ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob.

8.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder tot nu onvoldoende voldaan aan de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Awb. Het bestreden besluit is voorts niet gemotiveerd op de wijze die artikel 3:46 van de Awb voorschrijft. Verweerder zal bij de heroverweging op bezwaar moeten bezien of deze gebreken kunnen worden hersteld.

9.1.

Gezien hetgeen hierboven is overwogen, heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. Dit vormt aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen. Dit betekent dat de intrekking van de exploitatievergunning achterwege blijft zolang niet beslist is op het bezwaar.

9.2.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt

9.3.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1). Van overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter

  • -

    schorst het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2013.

De griffier De voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: