Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:7180

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
C/18/138014 / HA ZA 12-381
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verklaring van erfrecht. Vordering jegens notaris.

Een verklaring van erfrecht is geen rechtshandeling omdat deze niet op rechtsgevolg is gericht. Het inroepen van de nietigheid of vernietigbaarheid van deze verklaring is daarom niet mogelijk (artikel 3:40 BW). Eiser vordert daarnaast een verklaring van recht inhoudende dat hij - ander dan in de verklaring van erfrecht staat - executeur, vereffenaar en bewindvoerder is. Voor zover hij voldoende belang heeft voor het instellen van deze vordering, heeft hij dat niet jegens de notaris omdat het hierbij niet gaat om de rechtsverhouding tussen eiser en de notaris maar om de rechtsverhouding tussen eiser die vindt dat hij bewindvoerder is, de persoon die feitelijk als bewindvoerder fungeert en de onder bewind gestelde (artikel 3:302 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/138014 / HA ZA 12-381

Vonnis van 9 oktober 2013

in de zaak van

[eiser.],

wonende te [plaats 1],

eiser,

advocaat mr. Q.J.A. Meijnen te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOTARISPRAKTIJK KUIN HAREN B.V.,

gevestigd te Haren,

gedaagde,

advocaat mr. A.R. Metselaar te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser 1] en de notaris genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek,

  • -

    de producties van [eiser 1],

  • -

    de akte houdende vermeerdering en wijzing eis, tevens vermeerdering van de gronden,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 juni 2013.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

1.3.

Omdat de rechtbank de zaak ongeschikt acht voor behandeling en beslissing door één rechter, is deze op de voet van artikel 15 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwezen naar een meervoudige kamer.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] en [de vrouw] hebben elkaar in 1990 ontmoet en hebben een zakelijke en affectieve relatie onderhouden. Uit die relatie is op [geboortedatum 1] hun zoon [naam 1] (hierna: [naam 1]) geboren.

2.2.

Op 12 september 2003 heeft [de vrouw] haar testament laten opmaken bij de notaris. In dit testament is onder meer het volgende bepaald:

"C. ERFSTELLING
Ik benoem, onder bezwaar van na te noemen legaten, mijn kinderen tot mijn enige erfgenamen, tezamen en voor gelijke delen.

E. VRUCHTGEBRUIKGLEGAAT
Indien ik voor mijn partner, de heer [eiser.], geboren te [plaats 2] op [geboortedatum 2], hierna te noemen: "mijn partner" met wie ik voornemens ben een geregistreerd partnerschap aan te gaan, kom te overlijden, beschik ik als volgt:
Ik legateer aan mijn partner:
het vruchtgebruik van mijn gehele zuivere nalatenschap.
(…)

F. BEWIND

Ik stel al hetgeen ieder van mijn afstammelingen hierna (elk) aangeduid met "onder-bewindgestelde" door mijn overlijden verkrijgt, onder bewind en bepaal ten aanzien van elk bewind het navolgende:
1. de onder-bewindstelling gaat in bij mijn overlijden en eindigt zodra de betreffende onder-bewindgestelde de leeftijd van tweeëntwintig (22) jaar heeft bereikt of eerder overlijdt;
(…)

5. het bewind is uitsluitend ingesteld in het belang van de onder-bewindgestelde;
(…)

7. de bewindvoerder bepaalt of en in welke mate de inkomsten uit het onder-bewindgestelde vermogen aan de eigenaar ter beschikking worden gesteld;

(…)
12. (…) Tot bewindvoerder benoem ik mijn partner, en in geval van diens ontstentenis of defungeren, mijn vader de heer [naam 2], thans wonende te [plaats 3].
Voor de bewindvoerder laat ik een aantal specifieke instructie na die betrekking hebben op de beëindiging en afhandeling van de bedrijfsvoering.

(…)

K. EXECUTEUR

1. Executeursbenoeming
Ik benoem mijn partner tot executeur (…)

L. ONTBINDING GEREGISTREERD PARTNERSCHAP

Indien ten tijde van mijn overlijden mijn geregistreerd partnerschap is ontbonden krachtens rechterlijke uitspraak, danwel er ten tijde van mijn overlijden een daartoe strekkend verzoekschrift is ingediend, danwel is beëindigd met wederzijds goedvinden blijkens de daartoe gesloten overeenkomst, sluit ik mijn partner uit als erfgenaam in mijn nalatenschap en vervallen alle beschikkingen ten behoeve van mijn partner. (…)"

2.3.

Op 29 september 2003 zijn [eiser 1] en [de vrouw] een geregistreerd partnerschap aangegaan.

2.4.

Op 24 juni 2004 hebben [eiser 1] en [de vrouw] hun geregistreerd partnerschap ontbonden.

2.5.

Op 10 juni 2005 is [de vrouw] overleden.

2.6.

Op 23 juni 2005 heeft [eiser 1] als wettelijk vertegenwoordiger van [naam 1] de nalatenschap beneficiair aanvaard.

2.7.

Op 8 augustus 2005 is door de notaris een verklaring van erfrecht opgemaakt. In deze verklaring is onder meer het volgende opgenomen:

"BEWIND
Bij gemeld testament heeft erflaatster al hetgeen haar voornoemde zoon van haar erft onder bewind gesteld met benoeming tot bewindvoerder van de heer [naam 2] (…).
BEVOEGDHEID
In verband hiermee zijn genoemde heer [eiser.], in zijn hoedanigheid van vader uitoefenende het ouderlijk gezag over zijn minderjarige zoon [naam 1] voornoemd alsmede de heer [naam 2] tezamen gerechtigd om te beschikken over alle goederen die behoren tot de nalatenschap van erflaatster en als enige bevoegd alle tot de nalatenschap behorende vorderingen te innen en om voor die inning kwijting te verlenen."

2.8.

Bij beschikking van 2 juni 2008 heeft de rechtbank 's-Gravenhage mr. H.J. Overes benoemd als vereffenaar over de beneficiair aanvaarde nalatenschap van [de vrouw]. Op 7 april 2009 is tussen onder meer Chemtec Chemicals B.V., [eiser 1], mr. Overes als vereffenaar, [naam 2] (hierna: [naam 2]) in privé en als testamentair bewindvoerder en Grobé Nederland B.V., vertegenwoordigd door mr. Overes, een vaststellingsovereenkomst gesloten ter vereffening van de nalatenschap. Onder meer is overeengekomen dat de vereffenaar voor [naam 1] een Bemrekening opent waarop de licentievergoeding waarop [naam 1] recht heeft maandelijks moet worden gestort. Ter uitvoering daarvan is op 12 februari 2010 een zogeheten "licence agreement" gesloten. Op 1 februari 2011 heeft de vereffenaar de vereffening voltooid.

2.9.

Bij beschikking van 21 juli 2011 heeft de kantonrechter te 's-Gravenhage op verzoek van de vereffenaar bepaald dat de gekweekte rente op de Bemrekening van [naam 1] niet door [eiser 1] kan worden genoten, behoudens toestemming van de kantonrechter. Bij beschikking van 11 april 2012 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Tegen laatstgenoemde beschikking heeft [eiser 1] cassatie ingesteld.

2.10.

Op 20 juni 2012 heeft de advocaat van [eiser 1] aan de notaris gevraagd of hij wil overgaan tot rectificatie van de verklaring van erfrecht.

2.11.

Bij brief van 9 juli 2012 heeft de notaris aan de advocaat van [eiser 1] bericht zich te beraden op het verzoek.

3 De vordering

3.1.

[eiser 1] vordert - na wijziging van eis -:

I. te verklaren voor recht dat de verklaring van erfrecht d.d. 8 augustus 2005 opgemaakt door notaris Kuin, inzake de uiterste wil van wijlen [de vrouw], nietig is;

II. te verklaren voor recht dat [eiser.], geboren [geboortedatum 2] te [plaats 2], vader van [naam 1], overeenkomstig de uiterste wil van [de vrouw] d.d. 12 september 2003 executeur en testamentair bewindvoerder is, althans bewindvoerder is, althans als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [naam 1], als erfgenaam en als vereffenaar op grond van de wet bevoegd is de nalatenschap van erflaatster te beheren, en daarover te beschikken; en

III. Notarispraktijk Kuin te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

[eiser 1] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de uiterste wil van [de vrouw] duidelijk is over de benoeming van [eiser 1] als bewindvoerder en executeur. Subsidiair heeft [eiser 1] betoogd dat ook uit de omstandigheden en de te regelen verhoudingen blijkt dat het de uiterste wil van [de vrouw] is dat [eiser 1] bewindvoerder en executeur is. Onder aanvulling van de gronden heeft hij daarnaast gesteld dat in de verklaring van erfrecht in strijd met de wet niet is opgenomen dat [eiser 1] wettelijk vereffenaar is.

4 Het verweer

4.1.

De notaris heeft verschillende verweren aangevoerd. Hij heeft betwist dat hij bij het opstellen van de verklaring van erfrecht is uitgegaan van een verkeerde lezing of uitleg van het testament en stelt dat van een rechtshandeling in strijd met de goede zeden, openbare orde of een dwingende wetsbepaling geen sprake is. Verder heeft hij onder meer aangevoerd dat [eiser 1] geen belang heeft bij het instellen van een vordering jegens de notaris.

5 De beoordeling

De vordering onder I

5.1.

Er is naar het oordeel van de rechtbank geen grond om de vordering onder I, strekkende tot een verklaring voor recht dat de verklaring van erfrecht nietig is, toe te wijzen. Daargelaten of de inhoud van de verklaring van erfrecht op alle punten juist is en of [eiser 1] een dergelijke vordering jegens de notaris kan instellen, kan de vordering niet worden toegewezen omdat de wet geen sanctie van nietigheid of vernietigbaarheid op een onjuiste verklaring van erfrecht stelt. In artikel 3:40, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd met de goede zeden of de openbare orde is, nietig is. Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt op grond van het tweede lid van voornoemd artikel tot nietigheid van de rechtshandeling of in bepaalde gevallen tot vernietigbaarheid. Een verklaring van erfrecht is echter geen rechtshandeling omdat de verklaring zelf geen rechtsgevolg in het leven roept. Een verklaring van erfrecht is (niet meer dan) een notariële akte waarin de notaris één of meer van de in artikel 4:188 Burgerlijk Wetboek vermelde feiten vermeldt, zoals wie de erfgenaam, executeur, bewindvoerder en/of vereffenaar is. “De verklaring relateert wat de subjectieve rechtstoestand van een nalatenschap is volgens de notaris op een bepaald moment, welk oordeel de notaris enerzijds baseert op de gegevens die hij heeft opgevraagd en onderzocht en anderzijds op zijn juridische kennis en inzicht” (Van Mourik e.a., Handboek Erfrecht, 2011, p. 488). De rechtbank merkt op dat de rechtsgevolgen die met een overlijden samenhangen, niet intreden op grond van de verklaring van erfrecht, maar op grond van de wet en/of een rechtshandeling, zoals het opmaken van een testament of de verwerping of aanvaarding van een nalatenschap. Omdat de verklaring van erfrecht zelf geen rechtshandeling is, is het inroepen van de nietigheid of de vernietigbaarheid van de verklaring van erfrecht op grond van artikel 3:40 Burgerlijk Wetboek niet mogelijk.

De vordering onder II

5.2.

[eiser 1] stelt dat de verklaring van erfrecht inhoudelijk onjuist en onvolledig is en beoogt met de vordering onder II dat de rechtbank vaststelt dat hij – en niet [de vrouw] - als executeur en bewindvoerder was aangewezen en dat hij - als wettelijk vertegenwoordiger van [naam 1] - tevens vereffenaar van de nalatenschap van [de vrouw] is (geweest). De rechtbank kan echter in deze procedure niet inhoudelijk ingaan op de vraag of de verklaring van erfrecht juist en volledig was en of [eiser 1] al dan niet executeur, bewindvoerder en vereffenaar is (geweest) omdat [eiser 1] daar onvoldoende belang bij heeft en de verkeerde partij in de procedure heeft betrokken. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

5.3.

Op grond van artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek komt niemand zonder voldoende belang een rechtsvordering toe. De rechtbank merkt op dat [eiser 1] alleen een feitelijk belang heeft bij de gevorderde vaststelling dat hij bewindvoerder is, maar niet bij de vaststelling dat hij executeur en – als wettelijk vertegenwoordiger van [naam 1] – vereffenaar is geweest van de nalatenschap omdat door de kantonrechter een vereffenaar is benoemd en de vereffening inmiddels is afgerond. De taak van de executeur was reeds geëindigd op het moment dat [eiser 1], als wettelijk vertegenwoordiger van [naam 1], de nalatenschap beneficiair aanvaardde, derhalve reeds voor het opstellen van de verklaring van erfrecht. De rechtbank houdt het er voor dat de uitzonderingsituatie als genoemd in artikel 4:202, eerste lid, onder a, Burgerlijk Wetboek zich niet heeft voorgedaan, nu daarover niets gesteld of gebleken is.

5.4.

[eiser 1] heeft als belang genoemd dat hij overweegt een vordering jegens de notaris in te stellen vanwege schade die hij heeft geleden doordat hij in de verklaring van erfrecht van de notaris niet als executeur en/of vereffenaar is aangemerkt. Een vordering tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de notaris uit hoofde van onrechtmatige daad heeft [eiser 1] echter niet ingesteld. Nu een vordering tot schadevergoeding (nog) niet aan de orde is, kan [eiser 1] daaraan geen belang ontlenen.

5.5.

[eiser 1] heeft ook als belang genoemd een juiste uitvoering van het testament van [de vrouw]. Hij wil graag dat voor [naam 1] duidelijk wordt of hetgeen de notaris in de verklaring van erfrecht heeft opgenomen, overeenkomt met haar uiterste wil. Onder omstandigheden kan een dergelijk emotioneel belang een voldoende belang zijn voor het instellen van de vordering. Voor zover genoemd belang in handen van [eiser 1] als voldoende zou moeten worden aangemerkt, heeft hij dat echter niet bij het instellen van de onderhavige vordering jegens de notaris. De rechter kan op grond van artikel 3:302 Burgerlijk Wetboek alleen een verklaring voor recht uitspreken op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon omtrent die rechtsverhouding. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen kan de verklaring voor recht enkel dienen tot het vaststellen van het bestaan van een rechtsverhouding of het preciseren van haar inhoud in die zin dat de betrokkenen bij die rechtsverhouding tot wie de vordering zich richt, door die vaststelling worden gebonden. Het belang bij een zodanige vordering is naar haar aard in de eerste plaats gelegen in het belang om tussen de betreffende betrokkenen eventuele onzekerheden ter zake van hun rechtsverhouding op te heffen (onder meer arresten van 15 oktober 1993, LJN: ZC1095 en 22 januari 1993, LJN: ZC0833). De rechtbank merkt op dat het in dit geval niet gaat om de rechtsverhouding tussen de notaris en [eiser 1], maar die tussen [eiser 1], [de vrouw] en [naam 1]. [de vrouw] fungeert immers feitelijk als bewindvoerder, terwijl [eiser 1] vindt dat hij zelf bewindvoerder behoort te zijn en [naam 1] is degene wiens vermogen onder bewind is gesteld. [de vrouw] en [naam 1] zijn echter niet door [eiser 1] in de procedure betrokken. Als de rechtbank de vordering onder II van [eiser 1] zou toewijzen, zouden [naam 1] en [de vrouw] ook niet gebonden zijn aan deze verklaring voor recht. Een dergelijke gebondenheid kan [eiser 1] alleen bewerkstelligen als hij een vordering jegens [de vrouw], in plaats van de notaris, instelt en daarbij ook [naam 1], (zonodig vertegenwoordigd door een bijzonder curator als bedoeld in artikel 1:250 Burgerlijk Wetboek) in de procedure betrekt.

Conclusie

5.6.

De rechtbank concludeert dat de vordering van [eiser 1] moet worden afgewezen. Aan een bespreking van hetgeen overigens door partijen naar voren is gebracht, komt de rechtbank niet toe.

5.7.

[eiser 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Notarispraktijk Kuin worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat € 1.275,00 (3 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  1.850,00

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vordering af,

6.2.

veroordeelt [eiser 1] in de proceskosten, aan de zijde van Notarispraktijk Kuin tot op heden begroot op € 1.850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3.

veroordeelt [eiser 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst, mr. W.J.A.M. Dijkers en mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013.1

1 type: SMS
coll: