Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:7100

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
C-18-140213 - KG ZA 13-85
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbesteding(swet). Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1.4 lid 2 AW 2012 komt naar voren dat deze bepaling ertoe strekt dat aanbestedende diensten streven naar een zo goed mogelijke c.q. de beste prijs-kwaliteitverhouding binnen het beschikbare (en veelal beperkte overheids-) budget. Alsdan wordt zo veel mogelijk maatschappelijke waarde gecreëerd. In zoverre correspondeert deze bepaling met artikel 2.114 Aw 2012, waarin is vastgelegd dat de aanbestedende dienst een overheidsopdracht gunt op grond van de naar het oordeel van de aanbestedende dienst economisch meest voordelige inschrijving

Wetsverwijzingen
Aanbestedingswet 2012
Aanbestedingswet 2012 1.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2013/393 met annotatie van Van der Meijden
JAAN 2014/13 met annotatie van mr. E. Verweij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/101623 / KG ZA 13-219

Vonnis in kort geding van 25 oktober 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ATTERO ZUID B.V.,

gevestigd te Haelen,

eiseres,

advocaten mrs. J.F. van Nouhuys en C.R.V. Lagendijk te Rotterdam,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE TYNAARLO,

zetelend te Vries,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DE WOLDEN,

zetelend te Zuidwolde,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ASSEN,

zetelend te Assen,

4. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AA EN HUNZE,

zetelend te Gieten,
5. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BORGER-ODOORN,

zetelend te Exloo,
6. de naamloze vennootschap

N.V. AREA REINIGING ,

gevestigd te Emmen,

gedaagden,

advocaten mrs. C.D. Nelemans en M. Chatelin te Amsterdam.

Eiseres zal hierna Attero worden genoemd en gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als de Drentse gemeenten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 25 oktober 2013;

  • -

    de pleitnota van Attero;

  • -

    de pleitnota van de Drentse gemeenten.


1.2. Ten slotte is mondeling vonnis gewezen.


2.De feiten

2.1.

De Drentse gemeenten hebben een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangevangen voor de opdracht tot het be- en/of verwerken van huishoudelijk restafval, bedrijfseigen restafval en grof huishoudelijk restafval.
Op 26 juli 2013 heeft de aanbestedende dienst de opdracht aangekondigd. De opdracht kent een looptijd van vijf en een half jaar met de mogelijkheid tot verlenging van twee keer drie jaar, en gaat in op 1 juli 2016.

2.2.

Tegelijk met de opdracht is het aanbestedingsdocument gepubliceerd.

Op 27 september 2013 is de eerste Nota van Inlichtingen verschenen. Daarnaast zijn er diverse versies van de tweede Nota van Inlichtingen verschenen. De laatste versie van de tweede Nota van Inlichtingen dateert van 21 oktober 2013.

Het gunningscriterium is “ de economische meest voordelige inschrijving” (EMVI).
Dit criterium valt uiteen in drie onderdelen: prijs, duurzaamheid en transport. Voor wat betreft de onderdelen duurzaamheid en transport wordt beoordeeld op de energetische efficiëntie van de verwerkingsinstallatie, de milieueffecten van het afvaltransport, en de milieueffecten van nascheiding.

2.3.

In het aanbestedingsdocument is in paragraaf 2.4 (“Gunningcalculatie”) onder meer het volgende vermeld:

“2.4.1 Inleiding

Deze paragraaf beschrijft de gunningcalculatie. De gunningcalculatie in deze

aanbesteding is zodanig dat een inschrijving op de criteria prijs, energetische efficiëntie en duurzaamheid van het transport punten worden toegekend. De door een inschrijver aangeboden verwerkingsprijs mag niet meer bedragen dan EUR 55 per ton. Dit is het prijsplafond dat de Aanbestedende Dienst hanteert.


Gunningpunten prijs (max 55))

+ Gunningpunten energetisch rendement

+ Gunningpunten duurzaamheid-transport

+ Gunningpunten nascheiding

= Gunningpunten totaal

De inschrijving met het laagste aantal punten wordt als de economisch meest voordelige inschrijving aangemerkt.

(…)

Voor het criterium prijs worden de volgende wijze gunningspunten toegekend:

• De Inschrijver krijgt één (1) gunningspunt voor elke euro ton verwerkingstarief.
(…)
2.4.5 Voor- en nascheiding van componenten uit het huishoudelijk restafval
Het Nederlands beleid is er steeds meer op gericht om materialen te hergebruiken. De

Aanbestedende Dienst heeft een voorkeur om materialen terug te winnen door middel van bronscheiding. De Aanbestedende Dienst streeft er naar om zoveel mogelijk materiaal her te gebruiken en wil daarom ook inschrijvers stimuleren om nascheiding met het oog op materiaalgebruik in te zetten.

Omdat de Aanbestedende Dienst geen garantie geeft met betrekking tot de afvalhoeveelheid en samenstelling, en ook moeilijk te controleren is welke materialen van de door de Aanbestedende Dienst afvalstoffen daadwerkelijk gescheiden wordt, heeft de Aanbestedende Dienst voor een pragmatische oplossing gekozen om nascheiding in de gunningscriteria te betrekken.

Gunningspunten onderdeel nascheiding

Na te scheiden materiaal Wel scheiding Geen scheiding

stroom

Kunststof en andere 0 2

consumentenverpakkingen

(levering volgens Nedvang

protocol)

Ferroschroot (voor 0 1

verbranding)

Ferroschroot en non-ferroschroot 0 2

(na verbranding)

Er worden dus 0, 1 of 2 punten toegekend. Voor metalen en kunststoffen (en andere

consumenten verpakkingen) komt de inschrijver voor 0 punten in aanmerking indien er

een significante hoeveelheid van de betreffende afvalstroom voor verbranding wordt

gescheiden.(…)”.

2.2.

Bij vraag nummer 93 van de eerste Nota van inlichtingen is het volgende gevraagd:

“Aangezien het scheiden van kunststoffen via een dergelijke installatie een meerkost per

ton betekent (en die is vele malen hoger dan de 2 euro voordeel die een inschrijver krijgt), is het van belang te weten wie de opbrengsten krijgt/houdt van de gescheiden kunststoffen. Volgens het verpakkingsakkoord worden gemeenten gecompenseerd voor de kosten van het scheiden van kunststof. Wordt deze vergoeding per ton gescheiden kunststofverpakkingen doorgegeven aan de opdrachtnemer ter compensatie van zijn kosten.”

Het antwoord van de aanbestedende dienst daarop luidt ontkennend.

2.3.

Bij vraag nummer 21 van de tweede Nota van inlichtingen is het volgende gevraagd:

“De vergoeding voor nascheiding uit het Afvalfonds is bedoeld om de kosten van

nascheiding, kwaliteitssortering en hoogwaardige recycling en vermarkting te dekken. De

huidige nascheidende partijen dragen zorg voor het onderbrengen van nagescheiden

tonnen kunststof bij (Duitse) sorteerbedrijven die daarvoor verwerkingskosten bij de

nascheidende partij in rekening brengen.
(…)

U stelt voor dat deze kosten voor rekening van de inschrijvende partij zijn, terwijl de vergoeding ter dekking van deze kosten ten goede komt aan de Aanbestedende Dienst. Op basis van deze systematiek zal door geen enkele inschrijver nascheiding worden aangeboden, waarmee het

duurzaamheidscriterium nascheiding niet zal worden ingevuld en er minder hergebruik

voor de Drentse gemeenten zal worden gerealiseerd. Een voorwaarde om nascheiding te

kunnen aanbieden is dat de vergoeding uit het Afvalfonds ter beschikking wordt gesteld

aan de inschrijvende partij en dat de vermeden verwerkingskosten aan de Aanbestedende dienst worden gecrediteerd.

a. a) Kunt u hiermee instemmen?

b) Zo nee, waarom kent u dan duurzaamheidspunten toe aan nascheiding?”

De aanbestedende dienst heeft hierop als volgt geantwoord:

“Nee. Het Nederland beleid is er steeds meer op gericht om materialen te hergebruiken. De Aanbestedende Dienst heeft een voorkeur om materialen terug te winnen door middel van bronscheiding. De Aanbestedende Dienst streeft er naar om zoveel mogelijk materiaal her te gebruiken en wil daarom ook inschrijvers stimuleren om nascheiding met het oog op materiaalgebruik in te zetten.”


2.4. De raadsman van Attero heeft bij brief d.d. 18 oktober 2013 de aanbestedende dienst gesommeerd om nascheiding daadwerkelijk te stimuleren en zodoende te voldoen aan de aanbestedingsrechtelijke verplichting om zoveel mogelijk waarde voor de beschikbare

publieke middelen te leveren. Daarbij heeft de raadsman verwezen naar het bepaalde in artikel 1.4 lid 2 van de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012).

2.5.

Bij vraag 41 van de tweede Nota van inlichtingen is het volgende gevraagd:

“Ofschoon u suggereert dat u gestalte geeft aan het Nederlands beleid tot nascheiding en nascheiding pretendeert te stimuleren, is het omgekeerde het geval. Om nascheiding aan te bieden, zal een hogere prijs moeten worden gevraagd, omdat u de kostendekkende vergoeding van het Afvalfonds niet aan de verwerker doorgeeft. Het plafondbedrag is echter te laag om de kosten van nascheiding in de prijs te kunnen verdisconteren en het aantal strafpunten dat met die hogere prijs wordt verkregen (22) is 11 maal hoger dan het aantal strafpunten dat door het aanbieden van nascheiding wegvalt (2). Derhalve maakt u het aanbieden van nascheiding onmogelijk Wij verzoeken u de systematiek van de EMVI-criteria zodanig aan te passen dat u nascheiding wel stimuleert. Wij wijzen u er ook op dat de huidige situatie onrechtmatig is, want in strijd is met de wettelijke verplichting van de aanbesteder om zoveel mogelijk maatschappelijke waarde te leveren voor de overheidsmiddelen. Wij achten dat zeer bezwaarlijk, in het bijzonder vanwege het feit dat er geen enkele rechtvaardiging bestaat voor hetontmoedigen van nascheiding als de kosten ervan door een extern fonds volledig worden vergoed.”


Het antwoord hierop van de aanbestedende dienst luidt;

“Wij als aanbestedende dienst hebben een ruime discretionaire bevoegdheid om onze

aanbesteding in te richten op de wijze die wij het meest geschikt achten. Dat dit wellicht

niet het best aansluit op uw visie, maakt dit niet anders. Bovendien is nascheiding in deze

aanbesteding niet verplicht voorgeschreven; het is geen technische specificatie. Indien u

de stimulans op basis van de strafpunten onvoldoende vindt kunt u ervoor kiezen om

nascheiding geen onderdeel van uw inschrijving te laten zijn.

Deze situatie is niet onrechtmatig. De grondslag waarnaar u verwijst ‘het creëren van

zoveel mogelijk maatschappelijke waarde’(art. 1.4 lid 2 Aw) houdt geenszins de plicht in

om nascheiding te stimuleren zoals door u voorgesteld. Art. 1.4 lid 2 AW dient als

‘uitgangspunt’ bij aanbestedingen. Dit is in zoverre een verplichting, dat een aanbestedende dienst het gunningscriterium EMVI moet toepassen (of moet motiveren waarom het gunningscriterium laagste prijs geschikter zou zijn).

Graag verwijzen wij u naar de parlementaire geschiedenis van de Aanbestedingswet 2012. Hierin wordt toegelicht wat er onder art. 1.4 lid 2 AW moet worden verstaan.

De gunningssystematiek zal dan ook niet aangepast worden.”


2.6. Artikel 1.4 lid 2 Aw 2012 luidt als volgt: "De aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf draagt zorg voor het leveren van zo veel mogelijk maatschappelijke waarde voor de publieke middelen bij het aangaan van een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in het eerste lid", en is in de wet opgenomen naar aanleiding van een amendement van het toenmalige Tweede Kamerlid Koppejan. Daarbij is als toelichting vermeld:

“Het doel van de wetgeving wordt als beginsel gecodificeerd. Op dit moment ontbreekt het aan een duidelijk doel in de wet ten aanzien van het zoveel mogelijk maatschappelijke waarde creëren voor de uitgave van publieke middelen. Met ruim € 100 miljard aan jaarlijkse uitgaven waarop de Aanbestedingswet van toepassing is, is er sprake van een groot maatschappelijk belang om deze publieke middelen zo goed mogelijk te besteden waardoor zoveel mogelijk maatschappelijke waarde wordt gecreëerd. Voorbeelden in andere landen laten zien dat hier met gericht overheidsbeleid op het gebied van aanbestedingen, belangrijke besparingen zijn te realiseren voor de overheid.”

2.7.

De uiterste datum waarop kan worden ingeschreven is vastgesteld op maandag 28 oktober 2013 te 12.00 uur. Attero heeft de aanbestedende dienst verzocht voornoemde uiterste datum voor het indienen van de inschrijvingen te verschuiven, maar de aanbestedende dienst heeft te kennen gegeven daartoe niet bereid te zijn.



3.De vorderingen

3.1.

De vordering van Attero strekt ertoe:

Primair i

- de aanbestedende dienst te gebieden de inschrijfdatum van 28 oktober 2013 op te schorten tot tenminste twee (2) weken nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan over de navolgende vorderingen van Attero;

Primair ii

- de aanbestedende dienst te gebieden de gunningssystematiek zodanig aan te passen dat wordt voldaan aan de verplichting om zoveel mogelijk maatschappelijke waarde voor de beschikbare publieke middelen te leveren door:

i. i) het totaal aantal toe te kennen (straf)punten voor het niet aanbieden van nascheiding minimaal gelijk te stellen aan de kosten die inschrijvers redelijkerwijs mogen maken ter zake van nascheiding, en derhalve te stellen op ten minste 22 strafpunten en de plafondprijs te verhogen tot EUR 77,00; althans

ii) in de aanbestedingsdocumenten te bepalen dat de vergoedingen uit het Afvalfonds ter zake van nascheiding aan de verwerker die nascheiding aanbiedt worden doorbetaald; althans

iii) een met de vorige punten vergelijkbare gunningssystematiek te introduceren die daadwerkelijk meebrengt dat nascheiding daadwerkelijk wordt mogelijk gemaakt en gestimuleerd ten opzichte van het niet aanbieden van nascheiding;

Subsidiair

- de aanbestedende dienst te verbieden om de lopende aanbestedingsprocedure voort

te zetten, voordat wordt voldaan aan de verplichting zoveel mogelijk maatschappelijke waarde voor de beschikbare publieke middelen te leveren;

Meer subsidiair

- een andere, met de in de vorige vorderingen bedoelde vergelijkbare systematiek, voorziening te treffen die meebrengt dat nascheiding niet wordt ontmoedigt;

Primair, subsidiair en meer subsidiair

- de aanbestedende dienst te veroordelen in de kosten van deze procedure, een

tegemoetkoming in de door Attero gemaakte kosten van juridische bijstand daaronder

begrepen, alsmede de nakosten ten bedrage van EUR 131,- zonder betekening en

van EUR 199,- met betekening van dit vonnis, met de aantekening dat als niet binnen twee weken na wijzing van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan daarover de wettelijke rente verschuldigd is.

3.2.

De gemeenten hebben verweer gevoerd, met conclusie tot afwijzing van de vordering van Attero.

4 De beoordeling

4.1.

Aan haar vorderingen heeft Attero, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

De Drentse gemeenten pretenderen nascheiding van afval te stimuleren, maar hanteren een beoordelingssystematiek die het aanbieden van nascheiding onmogelijk maakt en zodanig ontmoedigt dat het zinloos is nascheiding aan te bieden.

De EMVI is volgens het aanbestedingsdocument de inschrijving met het laagste aantal punten; een elke euro duurdere inschrijving levert in negatieve zin een punt op, terwijl het niet aanbieden van nascheiding twee - negatieve - punten oplevert. Een inschrijver die een kostendekkende nascheiding wil aanbieden moet echter € 22,00 op zijn prijs zetten en daar staat tegenover dat hij slechts twee punten bespaart als beloning voor het aanbieden van nascheiding. Per saldo gaat een inschrijver, die kostendekkende nascheiding aanbiedt, er dus 20 punten op achteruit in vergelijking met een inschrijver die geen nascheiding aanbiedt en een dergelijke systematiek kan onmogelijk "het stimuleren van nascheiding" worden genoemd. Het is onbegrijpelijk dat de Drentse gemeenten voor deze systematiek, die aldus juist nascheiding ontmoedigt, hebben gekozen en de Drentse gemeenten handelen daarmee in strijd met hun uit artikel 1.4 lid 2 AW 2012 voortvloeiende verplichting dat zij dienen te zorgen voor "leveren van zo veel mogelijk maatschappelijk waarde voor de publieke middelen".

De Drentse gemeenten kunnen deze strijdigheid opheffen door, zoals in de vorderingen is vermeld, òf het aantal punten dat wordt toegekend als er wel of geen nascheiding wordt aangeboden aan te passen, òf in het aanbestedingsdocument te bepalen dat de door de Drentse gemeenten vanuit het Afvalfonds te ontvangen vergoeding voor nascheiding

(€ 22,00 per ton te verwerken materiaal) aan de verwerker wordt doorgegeven, zodat de prijs door de inschrijver die nascheiding aanbiedt niet hoeft te worden verhoogd.

4.2.

De Drentse gemeenten hebben betwist dat zij in strijd met artikel 1.4 lid 2 AW 2012 handelen. In dat verband hebben zij aangevoerd dat in de wet het begrip "maatschappelijk waarde"niet is gedefinieerd, maar dat uit de parlementaire geschiedenis van de Aanbestedingswet 2012, in het bijzonder de memorie van antwoord en de notulen van de behandeling van die wet in de Tweede kamer, blijkt dat voormelde bepaling ertoe strekt dat de aanbestedende diensten moeten streven naar de beste prijs-kwaliteitverhouding.

Dit hebben de Drentse gemeenten ook gedaan, nu zij naast de prijs ook energetisch rendement, de duurzaamheid van het transport en nascheiding laten meewegen in de beoordeling van de inschrijvingen. Nascheidings is dus geenszins verboden, sterker nog, het niet aanbieden van nascheiding levert 5 (en geen 2) strafpunten op.

Voorts geldt dat de Drentse gemeenten de gunningssystematiek mede hebben gebaseerd op het feit dat zij "bronscheidende" gemeenten zijn. In deze methode van afvalscheiding (aan de bron) is aanzienlijk geïnvesteerd door de Drentse gemeenten en die methode voldoet aan alle doelstellingen die gelden voor het hergebruiken van afvalstoffen en is de geldende norm op basis van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen en het Nederlandse afvalbeleid. Binnen het beschikbare budget, en met inachtneming van de omstandigheid dat bronscheiding de norm is voor de Drentse gemeenten, streven de Drentse gemeenten naar een efficiënte en duurzame wijze van afvalverwerking. Dit budget is ook aan de inschrijvers bekend gemaakt.

Het staat de Drentse gemeenten vrij om op basis van de gehanteerde (EMVI-) gunnings-systematiek de opdracht tot het verwerken van afval te gunnen, hetgeen ten deze een duurzame methode van afvalverwerking betreft op basis van bronscheiding en, indien dit past binnen het budget van de Drentse gemeenten en de inschrijvers dit aanbieden, nascheiding. Daarmee is volgens de Drentse gemeenten voldaan aan de verplichting om maatschappelijke waarde te leveren als bedoeld in meergenoemd artikel 1.4 lid 2 AW 2012.

Dat Attero graag een zwaardere straf voor het niet aanbieden van nascheiding als verwerkingsmethode zou zien, mag zo zijn, maar hiertoe zijn de Drentse gemeenten juridisch niet verplicht. Daarbij komt dat de door Attero gestelde meerkosten voor nascheiding van € 22,00 per ton door de Drentse gemeenten worden betwist, evenals de stelling van Attero dat de kosten voor nascheiding één op één door het Afvalfonds aan de verwerker worden uitgekeerd.

Gelet op een en ander dienen de vorderingen van Attero in de visie van de Drentse gemeenten dan ook afgewezen te worden.

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter treft voormeld verweer van de Drentse gemeenten doel.

Daarbij stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1.4 lid 2 AW 2012, zoals door de Drentse gemeenten aangehaald, komt naar voren dat voormelde bepaling ertoe strekt dat aanbestedende diensten streven naar een zo goed mogelijke c.q. de beste prijs-kwaliteitverhouding binnen het beschikbare (en veelal beperkte overheids-) budget. Alsdan wordt zo veel mogelijk maatschappelijke waarde gecreëerd.
In zoverre correspondeert deze bepaling met artikel 2.114 Aw 2012, waarin is vastgelegd dat de aanbestedende dienst een overheidsopdracht gunt op grond van de naar het oordeel van de aanbestedende dienst economisch meest voordelige inschrijving. Aan een aanbestedende dienst die bij haar gunning het criterium van de economisch meest voordelige aanbieding hanteert, komt een ruime vrijheid toe bij de vaststelling van de gunningscriteria en daarbij past een terughoudende toetsing door de rechter.

Die terughoudende toetsing geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook voor de vraag of - in voldoende mate- is voldaan aan het bepaalde in artikel 1.4 lid 2 Aw 2012.

4.4.

Uitgaande van voormeld kader, constateert de voorzieningenrechter dat bij de onderhavige aanbesteding voor de Drentse gemeenten voorop staat dat de afvalstroom zoveel mogelijk aan de bron gescheiden wordt (c.q. dient te worden) en dat, uitgaande van dit voor de Drentse gemeenten belangrijke aspect en van het beschikbare en aan de inschrijvers bekend gemaakte budget, de inschrijvingen beoordeeld worden op de prijs, het energetisch rendement, de duurzaamheid van transport en de nascheiding.

Daarmee hebben de Drentse gemeenten daadwerkelijk invulling gegeven aan de op hun drukkende "zorgplicht" om te streven naar een zo goed mogelijke c.q. de beste prijs-kwaliteit verhouding en het creëren van zo veel mogelijk maatschappelijke waarde bij deze aanbesteding. Dat de Drentse gemeenten in dat kader een beperkt aantal punten toekennen aan de nascheiding behoort tot de aan de Drentse gemeenten toekomende ruime bevoegdheid en is, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in het licht van de door de Drentse gemeenten nagestreefde bronscheiding niet onbegrijpelijk noch onredelijk of onaanvaardbaar te achten. Daarbij zij nog aangetekend dat het bij de maatschappelijke waarde van een aanbesteding met name en vooral gaat om de totale prijs-kwaliteitverhouding en niet zozeer om de (maximale) maatschappelijke waarde van ieder der aspecten of één van de aspecten. Tot dat laatste beperkt Attero zich ten onrechte, door de nascheiding als het ware te "isoleren" van de andere criteria die in deze aanbesteding zijn geformuleerd en mede de prijs-kwaliteitverhouding en de maatschappelijke waarde bepalen.

Toewijzing van de door Attero bepleite puntenaanpassing voor het aspect van de nascheiding zou er toe leiden, gegeven het (beperkte) budget, dat de Drentse gemeenten ten aanzien van de andere (kwaliteits-)criteria en de maatschappelijke waarde daarvan met minder genoegen zouden moeten nemen.

4.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat er geen grond is voor toewijzing van de gevraagde puntenaanpassing ten aanzien van de nascheiding.

4.6.

Evenmin bestaat er grond voor toewijzing van de alternatief gevorderde doorbetaling van beweerdelijk door de Drentse gemeenten te ontvangen vergoeding(en) uit het Afvalfonds in verband met nascheiding, omdat Attero tegenover de uitdrukkelijke betwisting van de zijde van de Drentse gemeenten onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Drentse gemeenten hiervoor een separate vergoeding uit het Afvalfonds ontvangen en evenmin dat die vergoeding € 22,00 per ton bedraagt.

3.3.

Attero zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeenten worden begroot op:

- griffierecht €  589,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.405,00.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt Attero in de proceskosten, aan de zijde van de gemeenten tot op heden begroot op € 1.405,00;

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2013.1

1 type: js