Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6993

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
18-11-2013
Zaaknummer
128839 - KG ZA - 13-244 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

beheersregeling, 3:168 BW vordering tot wijziging beheersregeling in KG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/128839 / KG ZA 13-244

Vonnis in kort geding van 2 oktober 2013

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat: mr. N.N. Boonstra te Joure,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat: mr. I.J.M. Dankoor te Arnhem.

Partijen zullen hierna "[A]" en "[B]" genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

[A] heeft [B] in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare terechtzitting van 19 september 2013.

1.2.

[A] heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist:

I. bepaalt dat de beheersregeling zoals die is vastgesteld in het arrest van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 6 maart 2012 wordt gewijzigd in "stelt met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] te [plaats] een voorlopige beheersregeling als bedoeld in artikel 3:168 lid 2 BW vast en wel in die zin dat [B] met uitsluiting van [A] wordt belast met het beheer daarvan, waarbij het [B] niet is toegestaan het beheer uit te laten voeren door [H] te [plaats], dan wel de heer [C]";

II. bepaalt dat de beheersregeling zoals die is vastgesteld door de voorzieningenrechter bij vonnis d.d. 26 juni 2013 wordt aangepast in "stelt met betrekking tot de bankrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer] een voorlopige beheersregeling vast en wel in die zin dat [B] met uitsluiting van [A] wordt belast met het beheer daarvan, in zoverre dat nodig is voor het beheer van de onroerende zaak, waarbij het [B] niet is toegestaan het beheer uit te laten voeren door [H] te [plaats], dan wel de heer [C];

III. [B] gebiedt de opdracht tot beheer van het onroerend goed aan de [adres 1] te [plaats] en de bankrekening met nummer [rekeningnummer] door [H], dan wel de heer [C] te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [B] na betekening van het vonnis niet aan dit gebod voldoet;

IV. [B] veroordeelt in de kosten van de procedure.

1.3.

Voorafgaand aan de terechtzitting heeft [B] reeds een pleitnota in het geding gebracht. Deze pleitnota wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Ter zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, waarbij de advocaat van [A] gebruik heeft gemaakt van een pleitnota.

1.4.

Partijen hebben producties overgelegd.

1.5.

Het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn broers van elkaar. Zij zijn de nazaten van [D].

2.2.

In het jaar 2003 hebben partijen gezamenlijk de onroerende zaak (bedrijfsruimte) aan de [adres 1] te [plaats] (hierna te noemen: de onroerende zaak) gekocht en geleverd gekregen, ieder voor de onverdeelde helft, voor een koopsom van € 800.000,-. In de onroerende zaak was vroeger de eerste fabriek van [D] gehuisvest. Partijen houden ten behoeve van het beheer van de onroerende zaak een gezamenlijke bankrekening aan bij de Rabobank onder nummer [rekeningnummer].

2.3.

De onroerende zaak is gedeeltelijk verhuurd aan de Stichting Beheer Automobielmuseum Joure (hierna te noemen: Automobielmuseum), die aldaar een museum exploiteert. Een ander deel van het pand is in gebruik bij de heer [E].

2.4.

Tussen partijen is bij de sector privaatrecht van deze rechtbank een verdelingsprocedure aanhangig geweest met betrekking tot de gemeenschap, onder het rolnummer 104205 / HA ZA 10-373. Bij tussenvonnis van 10 oktober 2010 heeft de rechtbank overwogen, dat de onroerende zaak aan [B] zal worden toebedeeld onder de verplichting voor [B] om aan [A] een vergoeding voor zijn deel in de gemeenschap te voldoen. Ter bepaling van de waarde van de onroerende zaak zijn door de rechtbank deskundigen benoemd.

2.5.

Tussen partijen bestaat al geruime tijd onenigheid met betrekking tot het beheer van de onroerende zaak. Onder meer heeft dit tot gevolg gehad dat een aanvankelijk door partijen aangewezen beheerder - de heer [C] (hierna: [C]) niet (naar behoren) in staat is geweest om zijn werkzaamheden uit te voeren. [C] heeft de beheersopdracht daarom teruggegeven. Vervolgens is als beheerder benoemd de heer [F] (hierna te noemen: [F]), verbonden aan rentmeesterskantoor [G]. Ook [F] heeft de beheersopdracht teruggegeven vanwege de hiervoor vermelde onenigheid tussen de gebroeders [A] [B]. Aangezien er geen nieuwe beheerder kon worden gevonden, heeft [F] tot voor kort niettemin het beheer uitgevoerd.

2.6.

Omdat de gebroeders [A] [B] er niet in slaagden om het beheer van de onroerende zaak in onderling overleg te regelen, heeft [B] de kantonrechter te Heerenveen verzocht om een beheersregeling ten aanzien van de onroerende zaak vast te stellen, als bedoeld in artikel 3:168 lid 2 BW. Bij beschikking van 20 juli 2011 heeft de kantonrechter een beheersregeling vastgesteld, in die zin dat [B] met uitsluiting van [A] wordt belast met het beheer van de onroerende zaak. [A] heeft bij het gerechtshof Leeuwarden hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Bij beschikking van 6 maart 2012 heeft het gerechtshof de bestreden beschikking bekrachtigd.

2.7.

Bij vonnis van 6 februari 2013 heeft deze rechtbank de tussen partijen bestaande gemeenschap verdeeld. Daarbij is aan [B] de onroerende zaak toegedeeld. Zowel aan [B] als aan [A] is toegedeeld de helft van het saldo op de gezamenlijke bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] (met een positief saldo per 10 oktober 2011 van € 73.814,23) en de helft van het op de derdengeldrekening van de rentmeester aanwezige saldo (ten tijde van het nemen van de akte uitlating door [B] op 9 november 2011: een bedrag van € 9.667,14). Voorts is [B] in dit vonnis veroordeeld om wegens overbedeling aan [A] te betalen een bedrag van € 220.000,-. Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.8.

[A] heeft bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank in de verdelingsprocedure.

2.9.

Rabobank heeft meerdere keren aan [B] en [A] laten weten dat zij uitsluitend gezamenlijk over de beheersrekening bij Rabobank met nummer [rekeningnummer] kunnen beschikken. De door de kantonrechter vastgestelde beheersregeling ziet volgens Rabobank enkel op de onroerende zaak en niet (ook) op voormelde bankrekening.

2.10.

Op vordering van [B] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis in kort geding van 26 juni 2013 bij wege van voorlopige voorziening, zolang er in de verdelingsprocedure tussen partijen aangaande de tussen hen bestaande gemeenschap geen onherroepelijke einduitspraak is gewezen, met betrekking tot de (gezamenlijk door partijen aangehouden) bankrekening bij de Rabobank onder nummer [rekeningnummer] een beheersregeling vastgesteld, in die zin dat [B] met uitsluiting van [A] wordt belast met het beheer ervan, voor zover dat nodig is voor het beheer van de onroerende zaak. Tevens is [A] in voornoemd vonnis in kort geding veroordeeld om aan de Rabobank schriftelijk mede te delen dat hij [B] in het kader van de getroffen beheersregeling ter zake de bankrekening onherroepelijk machtigt en bij uitsluiting van zichzelf de bevoegdheid geeft om vanwege diens beheer van de onroerende zaak te beschikken over de bankrekening. [A] heeft aan deze veroordeling voldaan. Tevens heeft hij hoger beroep tegen genoemd vonnis in kort geding ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

2.11.

[A] heeft bij deze rechtbank inmiddels een procedure tegen [B] aangespannen strekkende tot het afleggen van rekening en verantwoording ex artikel 3:173 BW.

3. De standpunten van partijen

3.1.

[A] legt aan zijn vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag. [A] heeft er - als deelgenoot van de gemeenschap - belang bij dat het onroerend goed en de bankrekening op een juiste wijze worden beheerd. [A] heeft geconstateerd dat [B] het beheer van de onroerende zaak en de bankrekening heeft overgedragen aan een derde, de heer [C], h.o.d.n. [H] te [plaats]. [B] is vrijwel nooit thuis, waardoor het feitelijk beheer bij [C] ligt. [A] heeft bezwaar tegen het beheer door [C]. Het behoort niet tot de bevoegdheden van een deelgenoot aan wie door de rechter het beheer is opgedragen om dit beheer vervolgens over te dragen aan een derde zonder toestemming van de overige deelgenoten in de gemeenschap. Een dergelijke toestemming is in dit geval niet aan [A] gevraagd. Zou die toestemming wel zijn gevraagd, dan zou [A] die hebben geweigerd gelet op de persoon van [C]. Er is sprake van een verstoorde verhouding tussen [A] en [C] en bovendien staat [C] in dezen niet vrij. In het verleden zijn er al problemen gerezen naar aanleiding van het destijds door [C] gevoerde beheer. Door het inschakelen van [C] heeft [A] geen enkel vertrouwen in het behoorlijk uitvoeren van het beheer. Gelet op het voorgaande vordert [A] op de voet van artikel 3:168 lid 3 BW aanpassing van de bestaande beheersregelingen ten aanzien van de onroerende zaak en de gezamenlijke bankrekening vanwege onvoorziene omstandigheden. De onvoorziene omstandigheid betreft in dezen het beheer door [C], waarmee in de eerdere procedures aangaande het beheer geen rekening is gehouden. De bestaande beheersregelingen dienen daarbij aldus te worden aangepast, dat het [B] niet is toegestaan om het beheer uit te besteden aan [C]/[H].

3.2.

[B] voert verweer. Hij stelt allereerst dat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen. Eind 2012 was [A] reeds bekend met het feit dat [B] zich bij zijn beheerstaken liet bijstaan door [C]. Er kan dan bijna een jaar later geen sprake meer zijn van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening ter zake in kort geding, aldus [B]. Daarnaast stelt [B] dat zich in dezen geen onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 3:168 lid 3 BW voordoet. [B] voert zelf het beheer over de onroerende zaak en de bankrekening en laat zich daarbij in de uitvoering bijstaan door [C], die het dagelijks administratief beheer doet en [B] vanuit zijn hoedanigheid als makelaar adviseert. Niet gebleken is dat in de beschikking van de kantonrechter van 20 juli 2011 of in het vonnis van de voorzieningenrechter van 26 juni 2013 geen rekening is gehouden met het feit dat [B] zich in zijn beheerstaken laat bijstaan door [C]. In beide procedures waren de rechters bekend met de verstoorde verhouding tussen [A] en [C]. De kantonrechter heeft zelfs expliciet overwogen dat het [B] vrij staat om zich als beheerder te laten bijstaan door derden door middel van volmachtverlening. [C] voert zijn taken correct en naar tevredenheid van [B] uit. Hij kent de onroerende zaak als geen ander en is daardoor de ideale persoon om het feitelijk beheer uit te voeren. Voorts dient bedacht te worden dat de rechter zich terughoudend moet opstellen ten aanzien van een verzochte wijziging van een beheersregeling. Er moet sprake zijn van omstandigheden waaronder [B] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de beheersregeling mag verwachten. Zodanige omstandigheden doen zich in dezen niet voor.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen voldoende aanwezig. Er zijn voorlopige beheersregelingen ten aanzien van de onroerende zaak en de bankrekening vastgesteld, waarbij [B] als (uitsluitend) beheerder van deze gemeenschapsgoederen is aangesteld. [A] heeft er als deelgenoot van de gemeenschap (vanzelfsprekend) belang bij dat dit beheer op juiste wijze plaatsvindt. Nu hij stelt dat zulks niet het geval is, terwijl er bovendien nog maar sinds kort een beheersregeling ten aanzien van de bankrekening van kracht is, heeft hij voldoende spoedeisend belang om in kort geding tegen de wijze van beheer op te komen.

4.2.

Op grond van artikel 3:168 lid 3 BW kan de kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij een bestaande beheersregeling wegens onvoorziene omstandigheden wijzigen of buiten werking stellen. In het verlengde daarvan kan de voorzieningenrechter in kort geding een (tijdelijke) ordemaatregel treffen ten behoeve van het beheer van een gemeenschappelijk goed, waaronder het tijdelijk wijzigen van een bestaande beheersregeling.

4.3.

De bevoegdheid tot (tijdelijke) wijziging van een beheersregeling betreft een discretionaire bevoegdheid van de (kanton)rechter, waarbij de wijzigingsmogelijkheden ruimer zijn dan de regeling van onvoorziene omstandigheden ex artikel 6:258 BW welke de beperking stelt dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag verwachten (MvA II, Parl. Gesch. 3, p. 585). Voldoende is dat er zich naar het oordeel van de rechter omstandigheden voordoen, waarmee bij het opstellen van de regeling niet of niet voldoende rekening is gehouden.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt, in navolging van de kantonrechter in diens beschikking van 20 juli 2011 inzake het vaststellen van de beheersregeling ten aanzien van de onroerende zaak, dat het [B] - in zijn hoedanigheid van, bij uitsluiting aangewezen, beheerder van de onroerende zaak en de gezamenlijke bankrekening vrij staat om zich bij het uitvoeren van zijn beheerstaak te laten bijstaan door derden, al dan niet door middel van volmachtverlening. [B] is dus niet gehouden om het beheer zelf (feitelijk) uit te voeren en was bevoegd om de heer [C]/[H] met het feitelijk beheer van de onroerende zaak en de bankrekening te belasten. Aan [A] kan worden toegegeven dat bij het vaststellen van de beide beheersregelingen de persoon van de heer [C] als feitelijk beheerder niet specifiek aan de beoordeling is onderworpen. In zoverre kan worden geoordeeld dat het feitelijk beheer van de gemeenschapsgoederen door [C] een onvoorziene omstandigheid betreft. Die enkele omstandigheid levert echter nog geen grond op voor de door [A] gevorderde wijziging van de beheersregeling, in die zin dat het niet (langer) is toegestaan dat [C] zich met het beheer bezighoudt. Daarvoor bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter alleen dan grond, indien in hoge mate aannemelijk is dat het (feitelijk) beheer bij [C] thans niet in goede handen is en dat ter zake in dit kort geding een ordemaatregel moet worden getroffen. Daartoe heeft [A] naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel onvoldoende zwaarwegende omstandigheden aangedragen. Het enkele feit dat de verhouding tussen [A] en [C] is verstoord, betekent nog niet dat [C] niet op behoorlijke wijze als feitelijk beheerder kan functioneren. Het betoog van [A] dat [C] niet voldoende vrij staat, treft naar voorlopig oordeel evenmin doel. Weliswaar is [C] in de verdelingsprocedure niet als deskundige benoemd voor het taxeren van de waarde van de onroerende zaak omdat hij onvoldoende vrij stond ten opzichte van beide partijen, maar dit is een hele andere kwestie dan die welke thans voorligt en waarin het slechts gaat om het feitelijk beheer van de gemeenschapsgoederen. Niet aannemelijk is geworden dat [C] daarbij de belangen van de gemeenschap niet behoorlijk zal behartigen. [A] heeft ook geen concrete voorbeelden aangedragen waaruit blijkt dat er onder vigeur van de thans bestaande beheersregelingen geen goed (feitelijk) beheer door [C] wordt gevoerd.

4.5.

De slotsom moet zijn dat er geen grond bestaat om de bestaande beheersregelingen bij wijze van voorlopige voorziening aan te passen in de door [A] verlangde zin. De daartoe strekkende vorderingen van [A] zullen derhalve worden afgewezen.

4.6.

Gelet op de familierelatie tussen partijen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de kosten van de procedure aldus tussen partijen te compenseren, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

1. weigert de gevraagde voorzieningen;

2. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.K. Hoogslag, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2013, in tegenwoordigheid van mr. M. Postma als griffier.

fn 343