Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6961

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
C/18/140389 / HA ZA 13-107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Gevaarscheppend gedrag. Achterop een fiets springen. Toestemming. Eigen schuld.

De rechtbank merkt het achterop een fiets springen aan als gevaarscheppend gedrag. Partijen verschillen met elkaar van mening over de vraag of eiseres ermee had ingestemd dat gedaagde bij haar achterop de fiets mocht meerijden. Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van gedaagde ook onrechtmatig als aangenomen wordt dat eiseres deze toestemming heeft gegeven. In de gegeven omstandigheden, te weten het postuur van gedaagde, de vaart waarmee hij vanaf de stoep kwam aanrennen en het zijdelings springen in combinatie met het alcoholgebruik van beide partijen, was de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval zo groot dat gedaagde naar maatstaven van zorgvuldigheid zich van zijn gedrag had behoren te onthouden. Het verweer van gedaagde dat er sprake is van eigen schuld bij eiseres omdat zij hem toestemming heeft gegeven om bij haar achterop mee te rijden, is een zogenoemd bevrijdend verweer. Bewijsopdracht aan gedaagde dat eiseres hem toestemming heeft gegeven achterop haar fiets mee te rijden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/43
JA 2014/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/140389 / HA ZA 13-107

Vonnis van 13 november 2013

in de zaak van

[eiseres.] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M.A. Pasma te Groningen,

tegen

[gedaagde.] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E. Bos-van den Berg te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 juni 2013,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 juli 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Op de voet van het bepaalde in artikel 15 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de enkelvoudige kamer de zaak ter behandeling en beslissing verwezen naar de meervoudige kamer.

2 De feiten

2.1.

In de nacht van 23 op 24 maart 2012 verliet [eiseres] met een vriendin, [naam], het café “[bedrijf]” in de [straatnaam] te Groningen. Ongeveer gelijktijdig verliet [gedaagde] het café met twee vrienden, [naam 2] en [naam 3]. [eiseres] en [naam] kenden [gedaagde], [naam 2] en [naam 3] niet.

2.2.

[naam 2] heeft aan [naam] gevraagd of zij en haar vriendin ook richting de[straatnaam] zouden gaan. Toen zij daarop bevestigend antwoordde, heeft hij gevraagd of ze bij hen op de fiets mee mochten. [naam] heeft ermee ingestemd [naam 2] een lift te geven. [naam 2] is vervolgens gaan fietsen op de fiets van [naam] met [naam] achterop.

2.3.

Op het moment dat [eiseres] op haar fiets was gestapt en reeds een stukje richting de Grote Markt had gefietst, sprong [gedaagde] zijwaarts achterop haar bagagedrager. [eiseres] is vervolgens ten val gekomen. Het achterwiel van de fiets van [eiseres] is daarbij verbogen. [eiseres] kwam met haar hoofd op straat terecht en brak haar rechterenkel.

2.4.

[eiseres] is na het ongeval per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd en nog

diezelfde dag aan haar enkel geopereerd. Zij is meerdere dagen opgenomen geweest. Volgens het verslag van het ziekenhuis had zij alcohol gedronken, te weten vijf eenheden.

2.5.

De verzekeraar van [gedaagde], Interpolis, heeft naar aanleiding van een telefoongesprek op 27 maart 2012 met [eiseres] een bedrag van € 300,00 aan haar uitgekeerd.

2.6.

Bij schrijven van 14 mei 2012 heeft [eiseres] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert  samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de materiële en immateriële schade die zij lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval op 24 maart 2012, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

[eiseres] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door zonder

toestemming bij haar achterop de fiets te springen. Ook indien [eiseres] de indruk zou hebben gegeven daartoe toestemming te hebben verleend, dan nog heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld door de wijze waarop hij bij [eiseres] achterop is gesprongen. Hij is een 34-jarige man met een zeer fors postuur. [gedaagde] had zich van dat gedrag dienen te onthouden. [eiseres] stelt dat het onwaarschijnlijk is dat de fiets het heeft begeven als gevolg van ondeugdelijkheid. [gedaagde] is aansprakelijk voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. De omvang van haar schade is op dit moment nog niet geheel te overzien. De revalidatie was langdurig. Voorts heeft zij op 18 augustus 2012 een dissectie (een scheurtje in de wand van de halsslagader ter hoogte van het oog) gehad, welke mogelijk het gevolg is van de val. Als gevolg van het ongeval heeft zij studievertraging opgelopen.

3.3.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van het gevorderde. Primair betwist hij dat hij

onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres]. Hij heeft geen gevaarlijk gedrag vertoond. [eiseres] heeft toestemming aan hem verleend om met haar mee te rijden. Terwijl zij langzaam reed, heeft hij een aanloopje genomen en is achterop haar fiets gesprongen. [eiseres] maakte vervolgens een stuurbeweging naar rechts en verloor de macht over het stuur. Relevant is dat [eiseres] kennelijk stevig had gedronken. Voor zover de fiets het heeft begeven, had [gedaagde] dit niet hoeven te verwachten. Een deugdelijke fiets bezwijkt niet bij het achterop springen, ook niet als iemand ongeveer 90 kilogram weegt. Er is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Subsidiair, voor het geval [gedaagde] aansprakelijk mocht zijn voor het ongeval, is er in elk geval sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] in die zin dat de vergoedingsplicht van [gedaagde] geheel dient te vervallen althans verminderd dient te worden. [eiseres] had "stevig" gedronken en heeft zelf toestemming gegeven voor het achterop haar fiets meerijden, waarbij zij kennelijk beschikte over een fiets die niet geschikt was om [gedaagde] te vervoeren.

Bij gebrek aan wetenschap betwist [gedaagde] dat sprake is geweest van een langdurige revalidatie en dat [eiseres] op 18 augustus 2012 een hersenbloeding of dissectie heeft gehad. Voor zover wel sprake is geweest van een hersenbloeding of dissectie, betwist hij dat deze het gevolg is geweest van het fietsongeval.

4 De beoordeling

4.1.

Ter beoordeling ligt voor of [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eiseres] op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van deze bepaling is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander daardoor lijdt te vergoeden.

4.2.

Partijen verschillen ten eerste van mening over het antwoord op de vraag of het handelen van [gedaagde] een onrechtmatige daad oplevert. De rechtbank merkt het achterop een fiets springen aan als gevaarscheppend. Zulk achterop springen kan immers de fiets in onbalans brengen met een valpartij als mogelijk gevolg. Het enkele gevaarscheppende gedrag maakt het handelen van [gedaagde] echter nog niet onrechtmatig. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat gevaarscheppend gedrag eerst onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had behoren te onthouden (Hoge Raad 9 december 1994, NJ 1996, 403). Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het handelen van [gedaagde] aan dit criterium. Zij overweegt daartoe het volgende.

4.3.

Partijen verschillen met elkaar van mening over de vraag of [eiseres] ermee had ingestemd (expliciet dan wel impliciet) dat [gedaagde] bij haar achterop de fiets mocht meerijden. De rechtbank stelt voorop dat als de stelling van [eiseres] juist is dat zij geen toestemming heeft gegeven, het handelen van [gedaagde] sowieso als onrechtmatig moet worden aangemerkt. In dat geval kon zij immers niet op het gedrag van [gedaagde] anticiperen en was de kans op een ongeluk zeer groot. Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van [gedaagde] echter ook onrechtmatig als aangenomen wordt dat [eiseres] deze toestemming wel heeft gegeven. De rechtbank overweegt hierbij dat het achterop een fiets springen op zich een handeling is die regelmatig plaatsvindt, maar het is een feit van algemene bekendheid dat deze handeling het risico met zich brengt dat de bestuurder van de fiets uit zijn evenwicht raakt waardoor de fiets gaat zwenken en de fiets kan omvallen. Het achterop een fiets springen moet daarom met de nodige behoedzaamheid gebeuren, waarbij de bestuurder en de meerijder hun gedrag op elkaar moeten afstemmen. De kans op zwenken is groter als de meerijder met beide benen aan één kant plaatsneemt dan met de benen aan weerszijden. Voorts spelen het postuur van de meerijder en de snelheid waarmee deze plaatsneemt op de bagagedrager een rol.

Uit de gang van zaken zoals geschetst door partijen blijkt dat [eiseres] nadat zij haar fiets van het slot had afgehaald, de straat is overgestoken en achter [naam 2] en [naam], die al vooruit waren gegaan, is aangereden. Op dat moment is [gedaagde] achter [eiseres] aangerend. Naar eigen zeggen deed hij dat met een aanloopje en heeft hij ongeveer 10 meter gerend. Wat betreft de snelheid waarmee [gedaagde] kwam aanrennen verschillen de (schriftelijke) getuigenverklaringen. Waar volgens [naam] sprake was van een "noodvaart", was volgens [naam 3] sprake van een "rustig drafje", terwijl [naam 2] spreekt van een "joggingspasje". Wat daar ook van zij, duidelijk is dat [gedaagde] in ieder geval enige vaart had, zoals hij zelf ook heeft verklaard. Vaststaat verder dat [gedaagde] ten tijde van het ongeval ongeveer 90 kilogram woog bij een lengte van 1.90 meter. Hij is daarbij zijwaarts (beide benen aan één zijde) op de bagagedrager van de fiets van [eiseres] gesprongen. Daar komt bij dat zij beiden zojuist uit een café waren gekomen. [gedaagde] had er daarom rekening mee moeten houden dat [eiseres] - net als hij - alcohol had genuttigd, hetgeen de reactiesnelheid en daarmee de rijvaardigheid beïnvloedt, waardoor de kans op een ongeval werd vergroot.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] ook in het geval dat [eiseres] hem toestemming heeft gegeven achterop haar fiets mee te rijden onvoldoende behoedzaam gehandeld. In de gegeven omstandigheden, te weten het postuur van [gedaagde], de vaart waarmee hij vanaf de stoep achter [eiseres] kwam aanrennen en het zijdelings springen in combinatie met het alcoholgebruik van beide partijen, was de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval zo groot dat [gedaagde] naar maatstaven van zorgvuldigheid zich van zijn gedrag had behoren te onthouden.

4.4.

Uit het voorgaande volgt tevens dat het onrechtmatig handelen van [gedaagde] aan hem moet worden toegerekend. Als gevolg van dit handelen, is [eiseres] gevallen en heeft zij schade geleden. Deze schade moet [gedaagde] in beginsel vergoeden.

4.5.

Ter beantwoording staat voorts de vraag of er sprake is van eigen schuld bij [eiseres] in die zin dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [eiseres] kan worden toegerekend. Op grond van artikel 6:101 BW moet in dat geval de vergoedingsplicht van [gedaagde] worden verminderd door de schade over [eiseres] en [gedaagde] te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

Naar het oordeel van de rechtbank kan een zekere mate van eigen schuld bij [eiseres] worden aangenomen als zou komen vast te staan dat zij [gedaagde] toestemming heeft gegeven om bij haar achterop mee te rijden. In haar afweging om de toestemming te geven had zij immers het postuur van [gedaagde] kunnen betrekken en de omstandigheid dat zijzelf alcohol had genuttigd. Voorts had [eiseres] in dat geval haar handelwijze op die van [gedaagde] kunnen en dus moeten afstemmen. Zij had [gedaagde] in de gelegenheid moeten stellen, rustig achterop de bagagedrager plaats te nemen.

Het verweer van [gedaagde] dat er sprake is van eigen schuld bij [eiseres] omdat zij hem toestemming heeft gegeven om bij haar achterop mee te rijden, is een zogenoemd bevrijdend verweer. Nu [gedaagde] zich beroept op de rechtsgevolgen van deze toestemming, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op hem de bewijslast hiervan. [gedaagde] heeft zijn stelling dat [eiseres] toestemming heeft gegeven met voldoende concrete feiten en omstandigheden onderbouwd en gestaafd met diverse schriftelijke verklaringen van zijn vrienden. [eiseres] heeft deze stelling gemotiveerd betwist. De rechtbank zal daarom [gedaagde] opdragen het bewijs te leveren.

4.6.

Het betoog van [gedaagde] dat het ongeval is veroorzaakt door de ondeugdelijkheid van de fiets van [eiseres], schuift de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd terzijde. [gedaagde] heeft geen concrete feiten of omstandigheden geduid waarop hij deze veronderstelling baseert. De enkele omstandigheid dat het een tweedehands fiets betrof en zijn stelling dat een deugdelijke fiets niet bezwijkt bij het achterop springen - wat daar ook van zij -, zijn daarvoor onvoldoende. Ook de door [eiseres] overgelegde foto's van de fiets bieden geen ondersteuning van zijn stelling dat het om een ondeugdelijke fiets gaat.

4.7.

De rechtbank concludeert dat er sprake is van een onrechtmatige daad die aan [gedaagde] moet worden toegerekend. Zij zal de zaak naar de rol verwijzen voor een bewijsopdracht aan [gedaagde]. Als [gedaagde] in deze bewijsopdracht slaagt, zal de rechtbank vervolgens beoordelen op welke wijze de schade over partijen moet worden verdeeld. Als [gedaagde] niet in de bewijsopdracht slaagt, zal [gedaagde] de schade van [eiseres], voor zover deze hem als gevolg van de gebeurtenis kan worden toegerekend, moeten vergoeden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [gedaagde] op te bewijzen dat [eiseres] hem toestemming heeft gegeven achterop haar fiets mee te rijden;

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 november 2013 voor uitlating door [gedaagde] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel;

5.3.

bepaalt dat [gedaagde], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen;

5.4.

bepaalt dat [gedaagde], indien hij het bewijs door getuigen wil leveren, dient op te geven welke getuigen zij wenst te horen en de verhinderdata van de getuigen, partijen en de advocaten in de maanden december 2013, januari en februari 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;

5.5.

het getuigenverhoor zal alsdan plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.M. Schothorst, in het gerechtsgebouw te Groningen aan Guyotplein 1;

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst, mr. W.J.A.M. Dijkers en mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2013.

typ: jc/sms