Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6950

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
C18/144271/PR RK 13-429
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

2e wrakingsverzoek:

gronden:

* rechter houdt de verdachte stukken voor die negatief voor de verdachte zijn

* rechter heeft geweigerd getuige te horen

* rechter en verdachte liggen elkaar niet

Wrakingsverzoek is afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Locatie Groningen

Meervoudige wrakingskamer

Zaaknummer / rekestnummer: C18/144271/PR RK 13-429

Datum beslissing: 28 oktober 2013

Beslissing op het mondelinge verzoek van [verdachte], wonende te [woonplaats], [adres], verder te noemen[verdachte], tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

1 Het procesverloop

1.1

Dankbaar heeft op de zitting van 28 oktober 2013 een (tweede) verzoek tot wraking ingediend van mr. H.L. Stuiver als politierechter die de strafzaak onder parketnummer 18/650651-12 tegen[verdachte] behandelt.

1.2

Op 28 oktober 2013 is het (tweede) verzoek van[verdachte] tot wraking behandeld ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank. Ter zitting heeft[verdachte] zijn (tweede) verzoek toegelicht. Mr. Stuiver heeft meegedeeld dat hij niet berust in het (tweede) wrakingsverzoek en heeft zijn standpunt ter zitting mondeling toegelicht. Voorts is de officier van justitie gehoord.

Na beraad in raadkamer heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

2 Het standpunt van[verdachte]

Dankbaar heeft, samengevat en zakelijk weergegeven, de volgende drie gronden aan zijn (tweede) wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:

  • -

    mr. Stuiver heeft bij het voorhouden van de stukken overwegend die stukken voorgehouden die negatief voor[verdachte] uitpakken;

  • -

    mr. Stuiver heeft geweigerd een getuige te horen die in de zittingszaal aanwezig was;

  • -

    mr. Stuiver en[verdachte] liggen elkaar overduidelijk niet en desondanks wil mr. Stuiver de strafzaak van[verdachte] per se behandelen.

3 Het standpunt van mr. Stuiver

Mr. Stuiver stelt zich op het standpunt dat[verdachte] niet-ontvankelijk is in zijn tweede wrakingsverzoek omdat hij aan dit tweede verzoek dezelfden gronden ten grondslag heeft gelegd als aan zijn eerste – inmiddels afgewezen – wrakingsverzoek. Voorts heeft mr. Stuiver aangevoerd dat hij zich in de strafzaak tegen[verdachte] onpartijdig en onafhankelijk heeft opgesteld.

4 De beoordeling

4.1

Mr. Stuiver heeft betoogd dat[verdachte] niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek omdat dit verzoek is gestoeld op dezelfde gronden als het eerder gedane – en inmiddels afgewezen – wrakingsverzoek. De rechtbank volgt mr. Stuiver hierin niet volledig omdat het onderhavige wrakingsverzoek deels nieuwe gronden bevat.

4.2

Ingevolge artikel 512 Sv kan op verzoek van een verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.3

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

4.4

De eerste wrakingsgrond is dat mr. Stuiver bij het voorhouden van de stukken alleen zaken naar voren heeft gehaald die in het nadeel van[verdachte] pleiten. De rechtbank stelt vast dat de politierechter op grond van artikel 301 Sv de verdachte de stukken moet voorhouden. De politierechter heeft daarbij een zekere keuzevrijheid, omdat het niet (altijd) doenlijk is om de verdachte álle stukken voor te houden. Dat uit het voorhouden van de stukken een overwegend “negatief” beeld van de verdachte oprijst is niet vreemd, er wordt de verdachte immers een strafbaar feit ten laste gelegd. Het voorhouden van de belastende stukken geeft de verdachte de mogelijkheid de inhoud hiervan ter zitting te weerleggen. Door bij het voorhouden van de stukken te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft mr. Stuiver naar het oordeel van de rechtbank geen blijk gegeven van vooringenomenheid, dan wel van de schijn daarvan. De eerste wrakingsgrond kan daarom niet tot toewijzing van het onderhavige wrakingsverzoek leiden.

4.5

De tweede wrakingsgrond ziet op het niet horen van een in de zittingszaal aanwezige benadeelde partij als getuige. De weigering om onder andere deze getuige te horen was voor[verdachte] reeds eerder reden om een wrakingsverzoek in te dienen. Dit eerdere verzoek is afgewezen en[verdachte] heeft in dit kader aan het huidige wrakingsverzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd.[verdachte] is daarom in zoverre niet-ontvankelijk in het onderhavige wrakingsverzoek.

4.6

De derde wrakingsgrond betreft de stelling van[verdachte] dat hij en mr. Stuiver elkaar overduidelijk niet liggen en dat mr. Stuiver desondanks er op staat om de strafzaak tegen[verdachte] te behandelen. De rechtbank stelt voorop dat het niet noodzakelijk is dat een politierechter en de verdachte wiens zaak hij behandelt elkaar aardig vinden. Bepalend is of er daadwerkelijk sprake is van vooringenomenheid of de schijn daarvan. Daarvan is de rechtbank – mede gehoord hebbende de officier van Justitie – niet gebleken. Ook de derde wrakingsgrond kan daarom niet leiden tot toewijzing van het onderhavige wrakingsverzoek.

4.7

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat mr. Stuiver jegens[verdachte] een vooringenomenheid koestert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

4.8

Het onderhavige (tweede) wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

1. wijst het verzoek tot wraking af;

2. bepaalt dat het proces, bekend onder parketnummer 18/650651-12, wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het onderhavige (tweede) verzoek tot wraking;

3. beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan[verdachte], mr. Stuiver en de officier van justitie.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J.A.M. Dijkers, voorzitter, P.H.M. Smeets en
S.M. Schothorst, rechters, in tegenwoordigheid van W.A. Jager als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2013.

wj