Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6932

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
18/830347-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank legt TBS met dwangverpleging op aan man die een vrouw met een balpen in het hoofd heeft gestoken. De rechtbank acht de veroordeelde volledig ontoerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830347-13

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 14 november 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum][geboorteplaats]),

verblijvende aan de Helperlinie 2 te Groningen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

31 oktober 2013.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.P. Klaasen, advocaat te Helden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 april 2013, in de gemeente Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[aangeeftser], althans een ander, van het leven te beroven, althans opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die[aangeeftser] een (vulling

van een) balpen, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd heeft

gestoken en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat uit de medische verklaring die zich in het dossier bevindt, niet blijkt dat er bij het slachtoffer een slagader of een bot is geraakt. Als verdachte het slachtoffer echt met een pen had willen doden of zwaar lichamelijk letsel had willen toebrengen, dan had hij haar wel met de pen in haar gezicht of slaap gestoken en niet op haar hoofd. Het lijkt erop dat het ten laste gelegde door de officier van justitie zwaarder is aangezet om te bewerkstelligen dat aan verdachte een TBS maatregel kan worden opgelegd. De raadsman is van mening dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een proces verbaal aangifte d.d.12 april 2013, opgenomen in dossier met nummer PL01 KG 2013035821 d.d. 21 mei 2013, inhoudende de verklaring van [aangeeftser], zakelijk weergegeven:

Ik ben werkzaam als wachtcoördinator/ploegleider bij de beveiliging van de Mesdag aan de Helperlinie 2 te Groningen. We wilden [verdachte] gereedmaken om vervoerd te worden naar zijn shock-therapie in Emmen. Dit was op 5 april 2013 omstreeks 06.15 uur op de afdeling Eems 2. Op een gegeven moment zag ik dat [verdachte] zijn kamer uit kwam lopen. Ik zag dat [verdachte] niet wilde en tegenwerkte en weerstand bood. Plotseling zag en voelde ik,

dat ik door[verdachte] werd geslagen met zijn linkerhand/vuist. Ik werd geraakt op mijn hoofd. Dit deed mij pijn. Direct daarop zag en voelde dat ik werd geraakt door de rechterhand van [verdachte] en wel boven op mijn hoofd. Dit was een harde klap en deed mij erge pijn op de bovenkant van mijn hoofd. Ik had nog niet precies in de gaten wat er gebeurd was. [getuige 1] zei dat ik een balpen in mijn hoofd had en dat de balpen nog in mijn hoofd zat. Ik ben daarop naar het Martini Ziekenhuis gegaan/gebracht. Ik had de balpen nog steeds in mijn hoofd. De balpen is in het Martini Ziekenhuis verwijderd. In mijn hoofd bleek de vulling van een balpen, alsmede de resten van een balpen te zitten. De balpen(resten) zijn operatief verwijderd. Ik ben in totaal 6 keer verdoofd. Er waren geen vitale delen geraakt. Ik heb wel een slagaderlijk bloeding opgelopen, welke moest worden dichtgebrand.

Foto 2 opgenomen in voornoemd dossier, zijnde een foto met een afbeelding van de pen in het hoofd van [aangeeftser]

Foto 3, opgenomen in voornoemd dossier, zijnde een foto met een afbeelding van de pen en het achtergebleven gedeelte in de schedel van [aangeeftser]

Een medische verklaring d.d. 12 april 2013, betreffende de medische gegevens van [aangeeftser], opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 5 april 2013 is[aangeeftser] in het Martini ziekenhuis gezien door een arts. Deze heeft op het formulier ingevuld: Op 5 april 2013 zag ik [aangeeftser]. Letsel: steekwond in behaarde hoofd met balpen; Behandeling: balpenresten verwijderd. Wond gehecht. Tetanus spuit.

Een proces-verbaal d.d. 21 mei 2013, opgenomen in voornoemd dossier blad 2, inhoudende een relatering van verbalisant, inhoudende zakelijk weergegeven:

Bij medisch onderzoek in het Martini Ziekenhuis te Groningen kwam naar boven dat een slagader was geraakt, die moest worden dichtgebrand.

Een proces-verbaal d.d. 10 april 2013, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1]zakelijk weergegeven:

Ik zag verder dat [aangeeftser], een van de beveiligers, die vlak voor [verdachte] stond, plotseling een afwerende beweging maakte. Direct hierop zie ik dat [verdachte] nog een beweging in de richting van[aangeeftser] maakte. Ik zag dat er bloed over het gezicht van [aangeeftser] stroomde. Hierop zie ik dat [aangeeftser] [verdachte] om zijn nek pakt en hem, [verdachte], samen met andere beveiligers naar de grond brengt.

Ik zag toen dat de vulling van een balpen in de schedel van [aangeeftser] haar hoofd zat.

Een proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 2 mei 2013, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik was in mijn kamer. Ik heb reeds lang een soortgelijk Bic-pen in mijn kamer. Ik had een opdracht om iemand pijn te doen. Ik had de Bic-pen in mijn zak gestoken en ik moest iemand pijn doen. Ik weet nog dat ik de Bic-pen in het hoofd stak van een werknemer van de Mesdag. Ik moest iemand dood maken om eruit te komen. Ik heb met kracht de pen in het hoofd gestoken van een medewerker van de Mesdag. Ik wilde iemand vermoorden.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bewijs het volgende.

De rechtbank acht de tenlastegelegde poging tot doodslag gelet op voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft aangeefster met een bic- balpen in haar hoofd gestoken, waarbij de pen in het hoofd van aangeefster is blijven zitten.

Anders dan de raadsman heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat het met kracht met de punt naar voren steken met een bic-balpen boven op het hoofd een geëigend middel is om de dood tot gevolg te hebben. In casu is ook een slagaderlijke bloeding het gevolg geweest van dit steken. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is het gevolg van medisch ingrijpen.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 5 april 2013, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangeeftser] van het leven te beroven, met dat opzet die [aangeeftser] een (vulling van een) balpen in het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feiten op:

Poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben aangevoerd dat verdachte - gelet op de inhoud van de rapportages van de psycholoog en de psychiater - volledig ontoerekingsvatbaar moet worden beschouwd en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het pro justitia rapport d.d. 21 september 2013, opgemaakt door psychiater D.T. van der Werf en het

pro justitia rapport d.d. 5 september 2013, opgemaakt door de forensisch psycholoog D. Breuker.

De conclusies van deze rapportages zijn, dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van schizofrenie van het paranoïde type als gevolg waarvan hij continu verkeert in een chronische psychotische toestand met imperatieve hallucinaties en paranoïde wanen. De schizofrenie is de hoofddiagnose van waaruit het algeheel functioneren wordt bepaald. De psychiatrische stoornis was ook aanwezig ten tijde van het plegen van hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd. Verdachte voelt zich vanuit zijn psychotische waarnemingen en gedachten uitgedaagd dan wel gedwongen tot het plegen van gewelddadig gedrag tegenover medewerkers van de kliniek waar hij verblijft. Hij krijgt opdracht van stemmen in zijn hoofd om mensen aan te vallen. Er kan een volledig en rechtstreeks verband worden vastgesteld tussen de psychotische waarnemingen inherent aan de schizofrenie waar betrokkene aan lijdt en het plegen van het ten laste gelegde feit.

Door de deskundigen wordt geadviseerd om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren voor hetgeen hem is ten laste gelegd.

De rechtbank kan zich, gelet op de onderbouwing daarvan, met de adviezen verenigen en neemt deze over. De rechtbank concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezenverklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend. Verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Motivering maatregel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het opleggen van een TBS met dwangverpleging de enige maatregel is die toereikend is om het risico op geweldsrecidive te verkleinen en om aan verdachte de benodigde zorg te kunnen bieden. De officier vordert dan ook dat aan verdachte een TBS met dwangverpleging wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat, indien het ten laste gelegde bewezen wordt, aan hem geen TBS- maatregel dient te worden opgelegd. Verdachte hoort thuis binnen een GGZ- instelling. Binnen de GGZ kan tegenwoordig ook voldoende beveiliging worden geboden. Aan verdachte is op 5 september 2013 de extreem beheers- en /of vluchtgevaarlijke status (EVBG) voor 1 jaar toegekend. Verdachte kan worden verpleegd op een EVGB-afdeling. De TBS is niet bedoeld voor het type psychiatrische patiënten dat lijdt aan een AS-I stoornis, zoals bij verdachte het geval is.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het navolgende. Verdachte heeft een medewerker van de Van Mesdagkliniek met een balpen in het hoofd gestoken. Verdachte heeft zich in het verleden eveneens schuldig gemaakt aan strafbare feiten die geweld inhielden jegens hulpverleners. Zijn gedrag is onvoorspelbaar en agressief. Het recidivegehalte is hoog, zelfs in een TBS kliniek.

De rechtbank overweegt voorts dat zij haar oordeel mede heeft gegrond op de adviezen van voornoemde psychiater en forensisch psycholoog. Deze houden zakelijk weergegeven onder meer in:" Er is sprake van een sombere behandelprognose in die zin dat de geboden psychofarmica de invloed van de psychotische verschijnselen op het gedrag waarschijnlijk niet meer zullen kunnen verminderen dan nu het geval is. Verdachte ondergaat electroconvulsietherpie (ECT). Het effect van deze therapie op het verminderen van de psychotische verschijnselen is nog niet objectief gemeten. Zijn behandelaar en de behandelcoördinator geven wel aan dat ze vinden dat hij beter contact maakt met zijn omgeving sinds de ECT is gestart. Er is ook vermindering van suïcidale uitlatingen. Dit kan betekenen dat er bij betrokkene minder lijdensdruk aanwezig is. De psychotische verschijnselen blijven echter op de voorgrond staan ondanks de voorzichtige vooruitgang. Het bieden van een zeer intensieve structuur en veilige leegomgeving blijft daardoor een belangrijke behandelinterventie om te proberen het toestandbeeld verder te stabiliseren en de kans op een geweldsrecidive te beperken. Dit alles vraagt om een (super) gespecialiseerde aanpak binnen een voorziening die een dergelijk specifieke en hoge zorgintensiteit en tevens hoog beveiligingsniveau kan garanderen. Een dergelijke setting is binnen de reguliere GGZ niet beschikbaar. Het is raadzaam dat verdachte eerst nader gestabiliseerd en zo veilig mogelijk stapsgewijs gemobiliseerd wordt binnen een FPC, welke daartoe veel beter geoutilleerd is. Vervolgens kan verdachte op een veilige manier naar de reguliere GGZ (bijvoorbeeld via een FPA) teruggeleid worden. Vanuit een strafrechtelijk optiek resteert er gelet op vorengaande in dezen alleen nog een TBS met dwangverpleging."

De rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusies van de adviezen verenigen en neemt deze over.

Met betrekking tot voornoemde feit, alsmede onder de hiervoor beschreven omstandigheden met betrekking tot de persoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een zodanige beveiliging van de maatschappij plaats dient te vinden dat de kans op herhaling maximaal wordt voorkomen, omdat bij herhaling gevreesd moet worden dat verdachte wederom (soortgelijke) strafbare feiten zal gaan plegen.

De rechtbank stelt vast dat hetgeen door de rechtbank thans is bewezen verklaard een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een andere persoon. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van de maatregel.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat uit het oogpunt van de beveiliging van de maatschappij, in deze situatie een TBS met bevel tot verpleging van overheidswege geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart de bewezenverklaarde feiten strafbaar.

Verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte terzake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, L.M.E. Kiezebrink en D.M. Schuiling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. de Jong, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2013.