Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6893

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
18.930079-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De raadsvrouwe van verdachte heeft vraagtekens gezet bij de wijze van aantreffen door de politie van de hennepkwekerij op 9 juli 2012 en verzocht de rechtbank hieromtrent de zaak aan te houden voor een nader proces-verbaal van politie.

Bij de beraadslaging is de rechtbank evenwel niet gebleken van enige omstandigheid of aanleiding om te twijfelen aan datgene wat bij ambtsedige processen-verbaal is gerelateerd.

De rechtbank is van oordeel dat er geen gebreken kleven aan het opsporingsonderzoek en zal het verzoek dan ook niet honoreren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.930079-13

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 8 oktober 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te Coevorden op[geboortedatum] 1965,

wonende te [postcode] Coevorden, [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 24 september 2013.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 9 juli 2012 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in een pand aan [adres]) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 890, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 9 juli 2012 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) ongeveer 890, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 9 juli 2012 in de geeente Emmen meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen hoeveelheden en/of een hoeveelheid stroom, in elk geval (telkens)enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. B.D. van der Burg acht hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 2 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen. Zij vordert voor deze feiten een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 3 jaren.

De officier van justitie vorderde tenslotte dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] dient te worden toegewezen, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Bewijsmiddelen

Nu verdachte, hetgeen de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren, niet heeft weersproken en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsvrouwe vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank ten aanzien van dit feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

De rechtbank hanteert voor het bewijs de navolgende bewijsmiddelen:

1.

de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 september

2013.

2.

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van Politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Emmen, registratienummer: PL032V 2012048071 d.d. 17 oktober 2013 met bijlagen, onder meer inhoudende:

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van politie Drenthe, district Zuidoost, Basiseenheid Emmen, proces-verbaalnummer PL032V 2012048071-4 d.d. 30 augustus 2012 2011, houdende de eigen waarneming, wetenschap en bevinding van brigadier [verbalisant] (pagina’s 4 t/m 8);

- het aangifteformulier met bijlagen van[benadeelde 1], Afdeling Fraudebestrijding, met bijlagen, opgemaakt door [aangever], medewerkster fraudebestrijding

(pagina’s 21 t/m 30);

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouwe van verdachte heeft vraagtekens gezet bij de wijze van aantreffen door de politie van de hennepkwekerij op 9 juli 2012 en verzocht de rechtbank hieromtrent de zaak aan te houden voor een nader proces-verbaal van politie.

Bij de beraadslaging is de rechtbank evenwel niet gebleken van enige omstandigheid of aanleiding om te twijfelen aan datgene wat bij ambtsedige processen-verbaal is gerelateerd.

De rechtbank is van oordeel dat er geen gebreken kleven aan het opsporingsonderzoek en zal het verzoek dan ook niet honoreren.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 9 juli 2012,in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de[adres] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 890 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 9 juli 2012 in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, toebehorende aan [benadeelde 1].

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 primair en onder 2 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het onder 1 en onder 2 bewezen geachte levert respectievelijk op:

1.

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet;

2.

Diefstal, door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten; de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 29 augustus 2013, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld.

De officier van justitie heeft gevorderd een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 3 jaren.

De raadsvrouwe van verdachte heeft een taakstraf bepleit.

De rechtbank overweegt hierbij dat verdachte samen met een of meer anderen een hennepkwekerij heeft aangelegd en dat zij uit de kwekerij hebben geoogst.

De rechtbank is ervan overtuigd dat verdachte door zo te handelen zich enkel heeft laten leiden door de wens in korte tijd veel geld te verdienen, welk gewin hij heeft laten prevaleren boven de door de samenleving in wetten vastgelegde grenzen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat softdrugs ernstige schade kunnen toebrengen aan de gezondheid en het sociaal-maatschappelijk functioneren van diegenen die daaraan verslaafd zijn. Bovendien brengt de verslavingsproblematiek en de daarmee samenhangende criminaliteit van drugsgebruikers mee dat aan de maatschappij jaarlijks grote schade wordt berokkend. Verdachte heeft uit winstbejag gehandeld en heeft daarmee tevens de verslaving van gebruikers en de geschetste, daaraan gerelateerde problematiek gefaciliteerd.

Ten behoeve van de hennepkwekerij heeft verdachte bovendien tezamen en in vereniging met een of meer anderen stroom gestolen door dit buiten de meter om af te tappen.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 augustus 2013.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheden en achtergronden van de verdachte zoals omschreven in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland te Groningen van 13 september 2013.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden en mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting, van oordeel dat in dit geval het opleggen van een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, een passende bestraffing is voor deze verdachte.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot vergoeding van geleden schade ingediend ten bedrage van € 4.339,71 aan materiële schade.

De raadsvrouwe heeft een afrekening van energiebedrijf [benadeelde 2] in het geding gebracht betreffende levering van elektriciteit aan de verdachte over de tenlastegelegde periode ten bedrage van € 1.764,56. Zij stelt dat dit bedrag in mindering dient te worden gebracht op de vordering van[benadeelde 1] omdat niet kan worden uitgesloten dat een deel van de electriciteit ten behoeve van de kwekerij op legale wijze werd verkregen.

De rechtbank volgt de raadsvrouwe in haar betoog. De rechtbank is met de raadsvrouwe van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de door [benadeelde 2] geleverde elektriciteit aangewend werd voor de hennepkwekerij, zodat deze legaal geleverde elektriciteit in mindering dient te worden gebracht op de vordering van [benadeelde 1]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het onder 2 bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de mede-aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij, rekening houdende met het hiervoor overwogene, tot een bedrag van

€ 2.575,15 voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 1]

Met betrekking tot de in het onder 2 bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot een bedrag van € 2.575,15 aansprakelijk voor de schade, die door dat strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tevens tot een taakstraf bestaande uit 160 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde 1] van de som van € 2.575,15 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil, met dien verstande dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd.

De rechtbank wijst af het meer of anders gevorderde.

De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.575,15 ten behoeve van het slachtoffer[benadeelde 1] bij gebreke van betaling te vervangen door 35 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, en dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voor-meld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter en mrs. E. Läkamp en M.A.A. van Capelle, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 oktober 2013.