Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6851

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
Awb 13/1059
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsingsverzoek van marktondernemers van de Grote Martk, de Vismarkt en een individuele marktondernemer te Groningen. Het college van B&W van Groningen heeft de markten voor zaterdag 16 november 2013 verplaatst in verband met de intocht van Sint Nicolaas. De voorzieningenrechter deelt het standpunt van het college dat sprake is van een dringende reden in de zin van het Marktreglement. Verweerder mocht de bestreden besluiten baseren op het door de hulpdiensten opgestelde veiligheidsplan, waarin is ingegaan op de specifieke doelgroep van ouders met jonge kinderen en waarbij in het kader van 'crowdmanaging' de Vismarkt als overloopgebied bij calamiteiten is aangewezen. De belangenafweging door het college juist gemaakt. Financiele belangen van verzoekers, zoals omzetdaling, zijn op voorhand niet duidelijk en kunnen zo nodig in de beslissing op bezwaar of in een procedure op grond van de Nadeelcompensatie Verordening worden beoordeeld door het college.

Volgt afwijzing van het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: AWB 13/1059

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2013 in de zaak tussen

De vereniging Centrale vereniging voor de Ambulante Handel (CVAH), statutair gevestigd te Zeewolde
en

[tweede verzoeker], wonende te Groningen,
verzoekers,

(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink)

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Snel).

Procesverloop

Bij besluiten van 11 oktober 2013 en 15 oktober 2013 (de bestreden besluiten) heeft verweerder verzoekers meegedeeld dat op 16 november 2013 de warenmarkt op de Grote markt en de Vismarkt te Groningen wordt verplaatst naar de Ubbo Emmiussingel of, in overleg met verzoekers, een nog nader te bepalen locatie en dat de standplaats van [tweede verzoeker] op de Grote Markt op die dag wordt verplaatst.

Tegen dit besluit hebben verzoekers op 21 oktober 2013 bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij op 21 oktober 2013 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Op 6 november 2013 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Bij dit verweerschrift zijn gewijzigde besluiten gevoegd.

Het geschil is behandeld op de zitting van 7 november 2013. Voor verzoekers zijn verschenen P.J. Smink en T. Rozema. Verzoekers hebben zich laten bijstaan door hun gemachtigde mr. M.C. van Meppelen Scheppink. Voor verweerder zijn verschenen A. de Vries en R. Blaauw, bijgestaan door hun gemachtigde mr. R. Snel.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.1

De voorzieningenrechter gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

1.2

De door de CVAH vertegenwoordigde marktondernemers hebben op de zaterdagmarkt een marktkraam op de Grote Markt en de Vismarkt te Groningen.
[tweede verzoeker] heeft een standplaats op de Grote Markt.

1.3

Op zaterdag 16 november 2013 is Sint Nicolaas voornemens om in Groningen Nederland binnen te komen. Verweerder verwacht dat dit 50.000 bezoekers naar (het centrum van) de stad Groningen zal kunnen trekken. Dit aantal is beduidend hoger dan het aantal bezoekers dat andere jaren in Groningen voor de lokale intocht van Sint Nicolaas op de been is. Om die reden heeft verweerder een Veiligheidsplan Intocht Sint Nicolaas opgesteld. Daarin is de Vismarkt te Groningen aangewezen als zogenoemd overloopgebied. Dit gebied dient vrij te worden gehouden om het aantal bezoekers dat onverhoopt extra komt, of zich ondanks allerlei ‘side events’ op andere locaties in de stad toch verplaatst te kunnen opvangen. Ook is het bedoeld voor het geval zich een calamiteit op de route van de Sint voordoet. Verweerder vindt de Vismarkt hiervoor geschikt, omdat deze 8000 mensen kan opvangen, centraal ligt en van alle kanten goed bereikbaar is. Ook de Grote Markt is onderdeel van de feestelijkheden, in die zin dat daar een podium en een scherm geplaatst zullen worden, waarbij voor en na de intocht een programma wordt vertoond.

1.4

In verband met de functie die de beide genoemde markten bij de festiviteiten van 16 november 2013 hebben gekregen van verweerder, is het houden van een warenmarkt op die twee markten op die dag niet mogelijk.

1.5

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder dit aan verzoekers bericht, onder aanbieding van een alternatieve locatie aan de Ubbo Emmiussingel te Groningen.

1.6

Bij nadere besluiten van 6 november 2013 heeft verweerder de door de CVAH vertegenwoordigde marktondernemers en de [tweede verzoeker] bericht dat de alternatieve locatie voor de zaterdagsmarkt is gewijzigd. Aan de [tweede verzoeker] is door verweerder meegedeeld dat hij standplaats kan innemen op de locatie Damsterplein. Aan de overige marktondernemers is meegedeeld dat de warenmarkt van de Vismarkt in de branche non-food wordt verplaatst naar de locatie Damsterplein, dat de warenmarkt van de Grote Markt eveneens wordt verplaatst naar de locatie Damsterplein en dat de warenmarkt van de Vismarkt in de branche food wordt verplaatst naar de locatie Ossenmarkt/Guyotplein.

1.7

De standplaats van [tweede verzoeker] is gebaseerd op artikel 173 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Groningen (APVG). In de standplaatsvergunning van [tweede verzoeker] is vermeld dat op zijn situatie de Standplaatsvoorschriften 1996 van toepassing zijn. Verweerder heeft het besluit tot standplaatswijziging van [tweede verzoeker] gebaseerd op artikel 9 van deze Standplaatsvoorschriften 1996.

1.8

In artikel 9 van de Standplaatsvoorschriften 1996 is het volgende bepaald:

Artikel 9 Weg- en rioleringswerkzaamheden, evenementen
Indien een standplaats wegens bijzondere omstandigheden zoal bijvoorbeeld weg- en rioleringswerkzaamheden of bijzondere evenementen tijdelijk niet kan worden ingenomen, kunnen burgemeester en wethouders een andere plaats aanbieden voor de periode dat de standplaats niet kan worden bezet.

1.9 Verweerder heeft de overige besluiten gebaseerd op artikel 2, tweede lid van de Marktverordening Groningen 2010 en artikel 2, vijfde lid, van het Marktreglement Groningen 2010.

1.10 In artikel 2, tweede lid, van de Marktverordening Groningen 2010 (hierna: de Verordening) is bepaald:

Artikel 2 Inrichting van de markt; branche-indeling
1. (…)
2. Het college kan bepalen dat:
a. om een bijzondere reden er geen markt wordt gehouden;
b. een markt incidenteel geheel of gedeeltelijk op een andere locatie wordt gehouden.

1.11 In artikel 2, vijfde lid, van het Marktreglement Groningen 2010 (hierna: het Reglement) is bepaald:

Artikel 2 Dag, tijd en plaats van de markt
(…)
5. Een markt kan op grond van een dringende reden, dit ter beoordeling van het college, tijdelijk plaatsvinden op een andere dag, op een andere tijd, op een andere locatie dan wel geheel worden afgelast. Maximaal twee keer per marktdag per jaar kan de warenmarkt op de Grote Markt voor een grootschalig evenement geheel of gedeeltelijk worden verplaatst dan wel worden afgelast of op een andere tijd worden gehouden.

2.

De door de CVAH vertegenwoordigde marktondernemers en [tweede verzoeker] (hierna aan te duiden als: verzoekers) hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

2.1

Op grond van artikel 6:19 van de Awb is dit bezwaar thans gericht tegen de besluiten van verweerder van 6 november 2013.

3

De standpunten van partijen kunnen als volgt worden samengevat.

Ontvankelijkheid
3.1Verzoekers stellen als marktondernemers die op de zaterdagen actief zijn op de warenmarkten op de Grote Markt en de Vismarkt te Groningen rechtstreeks in hun belangen te worden getroffen door de bestreden besluiten. Nu de CVAH ten doel heeft om de belangen van de ondernemers in de ambulante handel, in ruimste zin, te behartigen, is de CVAH belanghebbende bij het bestreden besluit. Ook de [tweede verzoeker] wordt als marktondernemer door het bestreden besluit rechtstreeks in zijn belangen getroffen.


3.2 Verweerder heeft niet bestreden dat verzoekers door de bestreden besluiten rechtstreeks in hun belangen worden getroffen.

3.3 De voorzieningenrechter is met partijen van oordeel dat verzoekers belanghebbenden zijn bij de bestreden besluiten, zodat zij in hun bezwaar en hun verzoek kunnen worden ontvangen. Nu de bestreden besluiten geen overwegingen bevatten met betrekking tot de financiële consequenties voor verzoekers, is de spoedeisendheid van de verzoeken daarmee gegeven.

Rechtmatigheid besluit
3.4Verzoekers menen dat de bestreden besluiten de rechtmatigheidstoets niet kunnen doorstaan. Verzoekers vinden dat verweerder bepalingen aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft gelegd die niet kunnen dienen als rechtsgrondslag van deze besluiten.
Waar in artikel 2 lid 2 van de Verordening wordt gesproken van een bijzondere reden om geen markt te houden of deze op een andere locatie te houden, menen verzoekers dat er geen bijzondere reden is. Waar in artikel 2, vijfde lid, van het Reglement is bepaald dat sprake moet zijn van een dringende reden, vinden verzoekers dat ook daarvan geen sprake is. Verwezen is hiervoor naar de toelichting bij dit artikel die in de Modelverordening van de VNG wordt gegeven. Daaruit leiden verzoekers af dat bij dringende redenen gedacht moet worden aan zaken als bestratings- of rioleringswerkzaamheden.

3.5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ‘bijzondere reden’ als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a van de Verordening niet aan de orde is. Die bepaling ziet op de situatie dat er helemaal geen markt wordt gehouden. Aan de orde is artikel 2, tweede lid onder b van de Verordening, waarin is geregeld dat verweerder bevoegd is te bepalen dat een markt op een andere locatie wordt gehouden. In het verweerschrift en ter zitting is het standpunt van verweerder nader toegelicht, in die zin dat er in het geheel geen dringende reden nodig is om een markt te verplaatsen, maar voor zover geoordeeld zou moeten worden dat het Reglement met zich meebrengt dat een dergelijke dringende reden wel een vereiste is om te kunnen bepalen dat de markt naar een andere locatie wordt verplaatst is die dringende reden gegeven met de intocht van Sint Nicolaas en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s. Verweerder stelt zich daarbij overigens nog op het standpunt dat artikel 2, vijfde lid, van het Reglement zo gelezen moet worden dat de markt op de Grote markt in ieder geval twee maal per jaar mag worden verplaatst voor een grootschalig evenement. Verweerder vindt de intocht van Sint Nicolaas een grootschalig evenement. Het vereiste van een dringende reden is voor de Grote Markt niet nodig, in de visie van verweerder.

Dringende reden
3.6De voorzieningenrechter oordeelt ten aanzien van deze grond als volgt.
Wat er ook zij van de toelichting bij de Modelverordening, vast staat dat de situatie van verzoekers is geregeld in de Verordening zoals die voor de gemeente Groningen geldt en voorts in het Reglement. Ten aanzien van [tweede verzoeker] geldt een ander regime. Zijn rechtspositie is, zoals door verweerder is aangegeven, geregeld in de Standplaatsvoorschriften 1996. Dat brengt met zich mee dat verweerder ten aanzien van [tweede verzoeker] bevoegd is te bepalen dat zijn standplaats wijzigt indien sprake is van (onder meer) een evenement. De voorzieningenrechter is van oordeel dat buiten twijfel is dat de intocht van Sint Nicolaas een evenement in de zin van artikel 9 van deze voorschriften is.
Ten aanzien van [tweede verzoeker] is de conclusie van de voorzieningenrechter dan ook dat verweerder bevoegd was diens standplaats te wijzigen.

3.7 Ten aanzien van de andere marktondernemers dient de voorzieningenrechter, nu dit een grond van bezwaar is, allereerst de vraag te beantwoorden welk regime op hen van toepassing is. Als verweerder reeds op grond van de Verordening bevoegd is te bepalen dat de markt op een andere locatie wordt gehouden, hoeft niet meer getoetst te worden aan de vraag of zich een dringende reden voordoet.

2.8 De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het regime, zoals neergelegd in het Reglement bepalend is. In artikel 3 van de Verordening is immers bepaald dat verweerder bevoegd is nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in de Verordening, in het bijzonder met betrekking tot toewijzen en bezetten van standplaatsen (artikel 3, eerste lid aanhef en onder c) en het gebruik van standplaatsen (artikel 3, eerste lid aanhef en onder f).
Verweerder heeft het, blijkens de considerans van het Reglement, wenselijk geacht nadere regels vast te stellen met betrekking tot de uitvoering van de marktverordening en een ordelijk verloop van de markten. Verweerder heeft, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, met het Reglement dan ook nadere invulling gegeven aan de algemene bevoegdheid op grond van de Verordening, voor zover hier relevant de bevoegdheid om een andere locatie voor de markt te bepalen. Dat betekent dat verweerder, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, de bestreden besluiten van verzoekers (niet zijnde [tweede verzoeker]) terecht op artikel 2, vijfde lid, van het Reglement heeft gebaseerd. De grondslag van de bestreden besluiten, ook die van [tweede verzoeker], is derhalve juist.

2.9 De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2, vijfde lid, van het Reglement met zich mee brengt dat er altijd een dringende reden moet zijn voor een verplaatsing of een afgelasting van een markt. Dit leidt de voorzieningenrechter af uit de gekozen bewoording ‘een markt’. Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat ten aanzien van verplaatsing of afgelasting van de markt op de Grote Markt ook sprake moet zijn van een dringende reden en dat het enige verschil met andere markten is dat ten aanzien van de Grote Markt een limiet is gesteld aan het aantal mogelijke verplaatsingen of afgelastingen in verband met een ‘grootschalig evenement’.

2.10 Partijen zijn het erover eens dat de limiet van twee maal per jaar ten aanzien van de markt op de Grote Markt niet wordt overschreden. De vraag of de intocht van Sint Nicolaas geen ‘grootschalig evenement’ is, is dan ook niet meer relevant. Geconstateerd is immers dat ook voor de Grote Markt een dringende reden nodig is om de markt te mogen verplaatsen.

2.11 De vraag of de intocht van Sint Nicolaas als een dringende reden kan worden beschouwd dient de voorzieningenrechter terughoudend te toetsen. Dit, omdat de tekst van artikel 2, vijfde lid, van het Reglement de woorden ‘dit ter beoordeling van het college’ bevat. De vraag die beantwoord moet worden is dan ook de vraag of verweerder in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat de intocht van Sint Nicolaas een dringende reden oplevert.
Deze vraag beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend.
De gemachtigde van verzoekers heeft ter zitting in dit verband onderscheid gemaakt tussen de intocht zelf en de veiligheidsrisico’s. De voorzieningenrechter volgt deze redenering niet. De intocht van Sint Nicolaas heeft, net als andere evenementen waar veel mensen op af komen, veiligheidsimplicaties. Het één kan niet los worden gezien van het ander. De intocht en de daarbij behorende implicaties op het gebied van veiligheid en openbare orde kunnen niet los van elkaar worden beschouwd en konden door verweerder dan ook worden beschouwd als een dringende reden.

2.12 Dit betekent dat verweerder in beginsel bevoegd was om de verplaatsingsbesluiten te nemen.

Belangenafweging
2.13Verweerder dient bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid te handelen in overeenstemming met de beginselen van behoorlijk bestuur. Volgens verzoekers zijn een aantal van deze beginselen geschonden. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop verweerder de belangen heeft afgewogen. Met name het financiële belang van verzoekers is door verweerder niet of onvoldoende meegewogen.
De praktijk wijst uit, zo stellen zij, dat verplaatsing van de zaterdagsmarkt leidt tot een omzetdaling van 25% tot 30% . Zij menen dat kan worden volstaan met een ingedikte markt op de Grote Markt. Ook de Vismarkt zou niet vrijgehouden hoeven te worden. Verzoekers vinden dat verweerder ongemotiveerd de variant van een combinatie van markt en evenement ter zijde heeft geschoven.
Verzoekers vinden in dit verband dat verweerder niet af had mogen gaan op het veiligheidsadvies, omdat dit onvoldoende onderbouwd is. Verzoekers schatten de veiligheidsrisico’s voorts anders, namelijk lager, in dan verweerder dat doet.
Ook hebben verzoekers zich beklaagd over de wijze van communicatie. Verzoekers vinden dat zij in een veel te laat stadium betrokken zijn bij de organisatie van de intocht.
Ook over de locatiekeuze is, in hun ogen, gebrekkig gecommuniceerd. Datzelfde geldt voor flankerend beleid, dat ontbreekt.

2.14 Verweerder stelt zich op een ander standpunt. Dat is het volgende.
Het evenement is in Groningen, anders dan vorige jaren, extra groot omdat de ‘echte’ Sint Nicolaas in Groningen aankomt en dit evenement ook op televisie wordt uitgezonden. Dat betekent dat er substantieel meer belangstelling zal zijn voor het evenement. De hulpdiensten (brandweer, politie en gezondheidsdiensten) verwachten ongeveer 50.000 bezoekers.
Het spreekt volgens verweerder voor zich dat bij een evenement met een zodanige omvang, waarbij bovendien van een grote oververtegenwoordiging van jonge kinderen sprake zal zijn, zeer zorgvuldig moet worden omgesprongen met de veiligheid van de bezoekers, onder meer in het geval van calamiteiten. Mede om die reden is door de hulpdiensten van de gemeente Groningen een veiligheidsplan opgesteld. Bij evenementen als deze moet aan zogenoemd ‘crowdmanagen’ worden gedaan. De gedachte die daarover in het veiligheidsplan is beschreven is dat moet worden voorkomen dat teveel mensen tegelijk op dezelfde plek aanwezig willen zijn, waardoor (jonge) bezoekers in de verdrukking kunnen komen. Ook dient rekening te worden gehouden met onverwachte gebeurtenissen. De hulpdiensten hebben in hun veiligheidsadvies dan ook gepleit voor een zogeheten ‘overloopgebied’. Dit moet een centraal gelegen plek zijn die vrijgehouden wordt om het aantal bezoekers dat onverhoopt extra komt of zich ondanks de ‘side-events’ toch verplaatst of zich verplaatst als gevolg van een calamiteit, op te kunnen vangen. Volgens verweerder is de Vismarkt de enige geschikte plek daarvoor. De Vismarkt is centraal gelegen en vormt een schakel tussen de delen van de looproute. Bovendien heeft de Vismarkt een opvangcapaciteit van circa 8000 mensen. Omdat de Vismarkt de functie van overloopgebied krijgt, kunnen daar geen marktkramen staan.
De Grote Markt dient vrijgehouden te worden omdat ook hier mensen moeten worden ‘vastgehouden’. Er wordt een podium geplaatst waar voor en na de intocht een programma word getoond. Ook hier kunnen geen marktkramen meer staan.


Ten aanzien van de andere bezwaren van verzoekers heeft verweerder het volgende naar voren gebracht.
Aan de financiële belangen van verzoekers heeft verweerder bij de bestreden besluiten in die zin voorbij kunnen gaan dat verzoekers bij financieel nadeel een aanvraag bij verweerder kunnen indienen om nadeelcompensatie op grond van de Nadeelcompensatieverordening. Ter zitting is daar een tweede optie bijgekomen, nu verweerder heeft aangeboden financiële schade, indien aannemelijk, in bezwaar in de beoordeling te zullen betrekken.
Verweerder heeft aangegeven het te betreuren dat verzoekers de communicatie als slecht hebben ervaren. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting uiteengezet dat het late tijdstip van informeren van verzoekers werd veroorzaakt door het feit dat lange tijd niet duidelijk welke route de Sint zou gaan rijden. Verweerder heeft er op gewezen dat de locatie van de markt, op verzoek van verzoekers, is gewijzigd. Omdat verzoekers bezwaar hadden tegen de locatie aan de Ubbo Emmiussingel is (alsnog) gekeken naar de optie Ossenmarkt. Daar is uiteindelijk ook voor gekozen, samen met het Damsterplein, volgens verweerder dus zeer geschikte locaties, omdat beide boven een parkeergarage zijn gelegen. Over flankerend beleid, waarmee partijen bijvoorbeeld bedoelen: de wijze waarop het publiek wordt geïnformeerd over de wijzigingen van de marktlocaties en andere zaken waarmee bezoekers worden geattendeerd op de markt, valt nog alleszins te praten, aldus de gemachtigde van verweerder.

2.15 De voorzieningenrechter oordeelt hierover als volgt.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de bestreden besluiten mogen en kunnen baseren op het veiligheidsplan. Verweerder heeft toegelicht dat dit plan is geschreven door een vertegenwoordiging van politie, brandweer en gezondheidsdiensten. Deze instanties kunnen als deskundig op het gebied van veiligheid en openbare orde worden beschouwd.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag van de juistheid van een dergelijk advies worden uitgegaan, tenzij concrete aanknopingspunten zijn aangevoerd, die twijfel laten ontstaan aan de juistheid.
De voorzieningenrechter stelt vast dat van de kant van verzoekers wel kritische kanttekeningen bij het veiligheidsplan zijn geplaatst, zeer zware zelfs, want zij bestrijden dat er een veiligheidsprobleem is, maar dat zij geen concrete aanknopingspunten hebben aangedragen (bijvoorbeeld een tegen-rapport van een deskundige) die aanleiding zouden kunnen geven om te twijfelen aan de juistheid van het veiligheidsrapport.
Evenmin kan worden gezegd dat het rapport niet concludent is of dat verweerder om andere redenen in het kader van de vergewisplicht niet op de inhoud van het rapport had mogen afgaan.
Anders dan verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat de genoemde veiligheidsrisico’s en de keuze voor de Vismarkt als overloopgebied goed onderbouwd zijn. Datzelfde geldt voor de functie van de Grote Markt. De door verzoekers voorgestelde variant met een ingedikte markt, met uitloop in de Oude Ebbingestraat, heeft verweerder mogen passeren.

2.16 Verweerder heeft voorts mogen besluiten om een beoordeling van eventuele negatieve financiële gevolgen van de verplaatsing van de markt voor de marktondernemers als het ware naar voren te schuiven. Zo daar sprake van blijkt te zijn, heeft verweerder toegezegd daaraan bij de beslissing op bezwaar aandacht aan te zullen besteden. Mocht dat niet lukken, dan staat het verzoekers vrij om een aanvraag tot compensatie op grond van de nadeelcompensatieverordening bij verweerder in te dienen.

Dit aspect heeft verweerder bij de te maken belangenafweging buiten beschouwing mogen laten, althans verweerder hoefde dit aspect niet zwaar mee te laten wegen, omdat op voorhand niet vaststaat dat er omzetschade zal worden geleden.
De opmerking van verweerders gemachtigde ter zitting dat verweerder niet verwacht dat daar iets uit zal komen acht de voorzieningenrechter overigens voorbarig en niet bevorderlijk voor een uiteindelijke oplossing, waarover alle partijen tevreden kunnen zijn. Indien verzoekers schade aannemelijk maken en een claim indienen, zal verweerder daarop moeten beslissen.

2.17 De voorzieningenrechter is met verzoekers van oordeel dat de -laat op gang gekomen- communicatie met hen niet de schoonheidsprijs verdient. Hiervan kan evenwel niet gezegd worden dat verweerder zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld, dat hieruit consequenties voor de bestreden besluiten zouden moeten volgen. De voorzieningenrechter kan verweerder volgen in de gegeven verklaring dat pas op een laat moment de exacte route van de intocht bekend is geworden en dat verzoekers derhalve ook pas vrij laat konden worden geïnformeerd over de implicaties van het evenement voor de zaterdagsmarkt.
Ook met betrekking tot de door verweerder aangewezen alternatieve locaties blijkt dat pas zeer laat definitieve keuzes zijn gemaakt door verweerder, waarbij mogelijk ook bemoeilijkende factoren zijn geweest dat de totstandkoming van een veiligheidsplan op zich liet wachten, terwijl daarnaast bij verweerder de (kennelijk onterechte) indruk is ontstaan dat verzoekers helemaal niet wilden praten over een alternatieve locatie en slechts geïnteresseerd waren in een uitkoopbedrag.
De voorzieningenrechter constateert evenwel dat verweerder uiteindelijk bij de bestreden besluiten tot een alternatieve locatiekeuze is gekomen waarvan kan worden gezegd dat verweerder in redelijkheid tot die keuze heeft kunnen komen. De locaties bevinden zich allebei weliswaar net buiten de diepenring, maar nog steeds op loopafstand van het stadshart en in de nabijheid van of zelfs op parkeergarages die waarschijnlijk volop zullen worden gebruikt op de dag van de intocht. Tenslotte overweegt de voorzieningenrechter dat, naar ter zitting door de gemachtigde van verweerder is gesteld, verweerder bereid is met verzoekers te overleggen over flankerend beleid, waarvan beide partijen vinden dat dit moet worden ingevuld.


2.16 Bovenstaande overwegingen gelden mutatis mutandis voor zover het [tweede verzoeker] en zijn standplaats op de Grote Markt betreft.

2.17 De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat het verzoek moet worden afgewezen.

2.18 Er bestaat geen aanleiding om een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspaak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. H.W. Wind als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2013.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: