Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6756

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
C-17-121213 - HA ZA 12-227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Volmachtverlening in periode tussen beschikking tot instellen bewind en ingangsdatum, verdeling nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/121213 / HA ZA 12-227

Vonnis van 6 november 2013

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [plaats],

2. [eiser 2],

wonende te [plaats],

3. [eiser 3],

wonende te[plaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,

tegen

1 [verweerders 1],

wonende te [plaats],

2. [verweerster],

wonende te [plaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M. Breur te Utrecht.

Partijen zullen hierna voor zover zij gezamenlijk worden bedoeld [eisers] c.s. en [verweerders 1] c.s. genoemd worden, en voor het overige individueel met hun voornamen worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat op grond van hetgeen door partijen over en weer is gesteld en niet, dan wel onvoldoende is weersproken, uit van de navolgende, samengevat weergegeven en van belang geachte, feiten.

2.2.

Partijen zijn de kinderen van [A] en [B] (verder aan te duiden als [B]).[A] is overleden op[datum] en [B] op[datum]. [B] verbleef sinds medio 2007 in de [X] te [plaats].

2.3.

Op enig moment hebben [verweerders 1] en [verweerster] administratieve- en (mantel)zorgtaken ten behoeve van [B] op zich genomen. Per 12 november 2007 hebben zij deze taken neergelegd. [eiser 1] heeft daarop de financieel-administratieve taken op zich genomen. Hij was op 19 november 2007 gevolmachtigd ten aanzien van het verrichten van betalingen ten laste van de bankrekening van [B] bij de Rabobank te [plaats]. Deze volmacht is opgeheven op 27 maart 2009.

2.4.

Op 16 april 2009 hebben [eiser 1] en [eiser 2] bij de kantonrechter een verzoek tot het instellen van bewind over de goederen van [B] ingediend. De behandeling ter zitting van dit verzoek heeft plaatsgevonden op 8 juni 2009. In het proces-verbaal van deze behandeling staat, voor zover van belang, vermeld:

" De kantonrechter geeft aan dat hij op zoek zal gaan naar een onafhankelijke derde om te benoemen tot bewindvoerder. Op het moment dat de bereidverklaring van deze te benoemen bewindvoerder ter griffie binnenkomt zal de beschikking opgemaakt worden. De te benoemen bewindvoerder zal na een bepaalde periode verslag doen van de financiën van rechthebbende. De kantonrechter wil dan tevens van de bewindvoerder horen hoe het met de financiën van rechthebbende was gesteld voor het instellen van het bewind.

Gelet op hetgeen ter zitting is verklaard, is de kantonrechter van oordeel dat rechthebbende momenteel niet in staat is toestemming te geven aan de bewindvoerder voor het verrichten van rechtshandelingen die anders slechts met machtiging van de kantonrechter kunnen worden verricht zoals bedoeld in artikel 1:441 BW."

2.5.

Het bewind is ingesteld bij beschikking van 15 juli 2009, welke beschikking is verzonden op 21 augustus 2009. Bij deze beschikking is CSI Bewindvoeringen B.V. tot bewindvoerder benoemd. [B] is tegen deze beschikking in beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden. Deze procedure is als gevolg van het overlijden van [B] geëindigd met een niet-ontvankelijk verklaring.

2.6.

Bij akte van 28 juli 2009 door notaris mr. L.A. Detmar heeft [B] [verweerders 1] als haar algemeen gevolmachtigde aangesteld. Hieraan voorafgaande hebben [B], [verweerders 1], [verweerster] en [eiser 3] mr. Detmar op 15 juli 2009 bezocht met het verzoek om de volmacht op te maken. Mr. Detmar heeft verder op 21 juli 2009 met [B] gesproken. Mr. Detmar heeft schriftelijk verklaard dat bij geen enkele gelegenheid is gesproken over de aanhangig zijnde procedure tot onderbewindstelling.

2.7.

Op 3 augustus 2009 is een spaarrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer], ten name van [B], opgeheven en het saldo van € 6.137,45 overgemaakt naar het bankrekeningnummer van [verweerster]. De bewindvoerder heeft [verweerster] bij brieven van 20 november 2009 en 5 februari 2010 aangeschreven om dit bedrag op de beheerrekening te storten.

2.8.

[verweerders 1] was bij testament van 25 oktober 2007 door [B] benoemd tot executeur testamentair. [eiser 1] en [eiser 2] hebben bij verzoekschriften, bij de rechtbank binnengekomen op 24 december 2010, verzocht om [verweerders 1] ontslag te verlenen als executeur-testamentair en bij wijze van voorlopige voorziening de executeur te schorsen, alsmede om mr. Detmar tot vereffenaar te benoemen. De kantonrechter heeft naar aanleiding hiervan bij beschikking van 7 maart 2011 overwogen dat de taak van [verweerders 1] als executeur per datum beschikking van rechtswege is geëindigd op grond van uitleg van het bepaalde in artikel 4:149 lid 1, aanhef en onder d, BW, in samenhang met artikel 4:202 lid 1, aanhef en onder a, BW, alsmede dat de gezamenlijke erfgenamen, partijen in de onderhavige procedure, vanaf datum beschikking vereffenaars van de nalatenschap zijn. De kantonrechter heeft partijen daarbij de aanwijzing gegeven om over te gaan tot het opmaken van en (voorlopige) boedelbeschrijving, alsmede om te trachten in onderling overleg tot een aanvaardbare afwikkeling van de nalatenschap te komen.

Bij beschikking van 2 april 2012 heeft de kantonrechter de opheffing van de vereffening van de nalatenschap bevolen.

2.9.

De rechtbank heeft, nadat mr. Detmar te kennen had gegeven niet tot vereffenaar benoemd te willen worden, bij beschikking van 28 juni 2011 H.A.M. van der Veen als vereffenaar benoemd. Bij beschikking van 2 april 2012 is Van der Veen op zijn verzoek van 12 juli 2011 als vereffenaar ontslagen.

2.10.

Op verzoek van [eiser 1] c.s. heeft notaris mr. Van Lieshout op 7 april 2011 een boedelbeschrijving opgesteld. Bij brief van 21 september 2011 heeft mr. Van Lieshout te kennen gegeven een eerder gedane bereidverklaring om als vereffenaar van de nalatenschap op te treden, in te trekken.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser 1] c.s. vordert  samengevat -;

met betrekking tot de volmacht van 28 juli 2009 een verklaring voor recht dat [B] niet bevoegd was tot het verlenen van de volmacht en tot vernietiging van deze volmacht en de rechtshandelingen die [verweerders 1] heeft verricht, een verklaring voor recht dat [verweerders 1] onrechtmatig heeft gehandeld bij het aanvaarden van de volmacht, het opheffen van de spaarrekening en het overboeken van het saldo, alsmede dat [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld bij de aanvaarding en het behouden van het door [verweerders 1] aan haar overgemaakte saldo en de schade van deze onrechtmatige daden vast te stellen op € 6.137,45, alsmede een verklaring voor recht dat het bedrag van € 6.137,45 onverschuldigd aan [verweerster] is betaald en [verweerders 1] en [verweerster] te veroordelen tot terugbetaling van € 6.137,45, alsmede [verweerders 1] te veroordelen tot rekening en verantwoording ten aanzien van het gevoerde beheer over het vermogen van [B] over de periode van 28 juli 2009 tot 22 augustus 2009 en [verweerster] te veroordelen tot rekening en verantwoording ten aanzien van het gevoerde beheer over het vermogen van [B] vanaf 3 augustus 2009 tot aan het moment dat de gelden aan de boedel zijn voldaan;

met betrekking tot de vereffening/verdeling van de nalatenschap het vaststellen van de boedelbeschrijving en vaststelling en vereffening c.q. verdeling van de nalatenschap;

[verweerders 1] en [verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[verweerders 1] c.s. voert verweer.

in reconventie

3.3.

[verweerders 1] c.s vordert  samengevat -: [eiser 3] en [eiser 1] te veroordelen tot teruglevering van alle goederen die zij op 9 juni 2009 hebben weggenomen uit de woning van [B], [eiser 3] te veroordelen tot teruggave van eigendomsbewijzen van graven, een verklaring voor recht dat [eiser 1] € 349,92 verschuldigd is aan de nalatenschap en hem te veroordelen om dat bedrag te betalen, een verklaring voor recht dat [eiser 2] een bedrag van € 260,55 verschuldigd is aan de nalatenschap en hem te veroordelen om dat bedrag te betalen, de boedelomschrijving vast te stellen met inachtneming van de standpunten van [verweerders 1] en [verweerster], partijen te veroordelen tot gezamenlijke uitvoering van de boedelomschrijving en te bepalen dat, indien [eiser 1] c.s. geen medewerking verlenen aan de uitvoering van de boedelomschrijving, [verweerders 1] bevoegd is om de vereffening tot stand te brengen, met veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten van de procedure.

3.4.

[eiser 1] c.s. voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

Algemeen

4.1. Partijen zijn al meerdere jaren in een (juridische) strijd verwikkeld, waarbij sinds het overlijden van [B] haar nalatenschap onderwerp van geschil is geworden. In de onderhavige procedure zijn door partijen allerlei stellingen betrokken, waarvan de relevantie voor de beoordeling van de vorderingen over en weer de rechtbank niet in alle gevallen duidelijk is. De rechtbank zal zich bij de beoordeling beperken tot datgene dat zij daartoe van belang acht.

De volmacht

4.2.

[eiser 1] c.s. heeft de rechtmatigheid van de aan [verweerders 1] op 28 juli 2009 gegeven volmacht bestreden en daarbij de onderbewindstelling betrokken. De rechtbank stelt voorop dat de onderbewindstelling op zichzelf geen onderwerp van geschil in deze procedure is en hetgeen partijen hebben aangevoerd omtrent de vraag of de onderbewindstelling wel of niet terecht is gevraagd en uitgesproken zal buiten de beoordeling blijven. Voor het overige oordeelt de rechtbank als volgt. De beschikking van 15 juli 2009, waarbij het bewind over de goederen van [B] is ingesteld, is blijkens het daarop geplaatste stempel van de griffier verzonden op 21 augustus 2009. Volgens het bepaalde in artikel 1:434, tweede lid, BW treedt, voor zover in dit geval van belang, de onderbewindstelling in werking daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden. De wetgever heeft daarmee de dag van aanvang van de onderbewindstelling bepaald en dit betekent dat de onderbewindstelling ten aanzien van [B] is aangevangen op 22 augustus 2009. Dat [B], al dan niet als gevolg van de wijze waarop de post in het [X] werd verspreid, mogelijk pas enkele dagen na 22 augustus 2009 kennis heeft kunnen nemen van de beschikking doet daar niet aan af. Ook de omstandigheid dat de kantonrechter ter zitting van 8 juni 2009 zich erover zou hebben uitgelaten dat er een onderbewindstelling zou gaan plaatsvinden maakt niet dat deze daarmee een feit was, nu voor onderbewindstelling een beschikking is vereist en deze beschikking blijkens het proces-verbaal niet ter zitting van 8 juni 2009 is gegeven maar, blijkens de beschikking, eerst op 15 juli 2009.

4.3.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat op de datum van de volmachtverlening, 28 juli 2009, de onderbewindstelling nog niet in werking was getreden en deze volmachtverlening niet op de grond zoals door [eiser 1] c.s. is betoogd, kan worden aangetast.

4.4.

Uit het proces-verbaal van de zitting 8 juni 2009, zoals dat onder rechtsoverweging 2.4 hiervoor verkort is aangehaald, kan naar het oordeel van de rechtbank wel worden afgeleid dat de kantonrechter bij die gelegenheid kenbaar heeft gemaakt dat hij voornemens was om de onderbewindstelling uit te spreken, waarbij de (datum van de) formele uitspraak nog slechts afhankelijk was van het vinden van een bewindvoerder. De kantonrechter heeft daarbij tevens als oordeel uitgesproken dat hij [B] niet in staat achtte tot het verlenen van de toestemming als bedoeld in de aanhef van het tweede lid van artikel 1:441 BW. Uit het proces-verbaal blijkt dat alle partijen, uitgezonderd [eiser 2], daarbij aanwezig waren en van de mededelingen van de kantonrechter dienaangaande kennis hebben kunnen nemen.

4.5.

De vraag is of onder deze omstandigheden had moeten worden afgezien van (het meewerken aan) het opheffen van de spaarrekening van [B] bij de Rabobank en het overboeken van het saldo naar een bankrekening van [verweerster]. Uit hetgeen daaromtrent door partijen is aangevoerd en aan stukken is overgelegd, in het bijzonder de brieven van de Rabobank van 3 augustus 2009 en 16 november 2009 kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [verweerders 1] betrokken is geweest bij het opheffen van de rekening en het overboeken van het saldo, maar onvoldoende is komen vast te staan dat hij de rekening heeft opgeheven en opdracht heeft gegeven tot de overboeking. Niet kan worden uitgesloten dat de overboeking nog bevoegdelijk door [B] is gedaan, nu de verlening van de volmacht op 28 juli 2009 daaraan niet in de weg stond.

4.6.

Dat er sprake zou zijn van misbruik van omstandigheden, bedrog of een onrechtmatige daad is door [eiser 1] c.s. slechts met gissingen en speculaties ten aanzien van met name de persoon van [verweerders 1] onderbouwd en dat is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor toewijzing van de hierop gebaseerde vorderingen. De rechtbank wijst er in dit kader nog op dat [eiser 3] bij de volmachtverlening betrokken is geweest en zich op dat moment kennelijk nog in het "kamp [verweerders 1]" bevond. Indien er sprake was van feiten en omstandigheden zoals door [eiser 1] c.s. zijn gesteld had [eiser 3] zich daarover nader kunnen en ook moeten uitlaten, maar dat heeft zij niet gedaan.

Er is dan ook geen grondslag om de betaling van het spaarsaldo aan [verweerster] aan te tasten.

4.7.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat alle vorderingen van [eiser 1] c.s. die betrekking hebben op de volmacht en de opheffing van het spaarsaldo als zijnde ongegrond zullen worden afgewezen.

De boedelbeschrijving

5.1.

Partijen hebben in conventie en in reconventie vaststelling van een boedelbeschrijving gevorderd en daarbij de over en weer voorgestelde activa en passiva deels betwist. De rechtbank zal bij de beoordeling in verband met de overzichtelijkheid uitgaan van de opbouw van de in conventie weergegeven opstelling, aangevuld met die uit de reconventie.

De activa

5.2.

Het eindsaldo van de beheerrekening van bewindvoerder CSI is door beide partijen als actiefpost genoemd. [eiser 1] c.s. is daarbij uitgegaan van een saldo van € 6.214,61, zoals is vermeld op een eindafrekening van CSI van 30 juli 2010, en [verweerders 1] c.s. van een PM-post. [verweerders 1] c.s. heeft de juistheid van deze eindafrekening betwist. De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt.

5.3.

In deze procedure ligt niet de controle en beoordeling van het bewind door CSI voor en de rechtbank zal daarom uitgaan van de juistheid van deze eindafrekening.

Dat CSI, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de opname van dit spaarsaldo op 3 augustus 2009, ten onrechte dit spaarsaldo bij het "saldo begin periode" heeft opgenomen doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de eindafrekening nu het "saldo einde periode" van de spaarrekening nihil is en het opgenomen bedrag naar het oordeel van de rechtbank niet aan de nalatenschap terug behoeft te worden betaald.

5.4.

Op de datum van overlijden was [B] nog in het bezit van enige roerende zaken, bestaande uit inboedel en huisraad.De rechtbank leidt uit het verweer van [eiser 1] c.s. af dat hij zich op het standpunt stelt dat de inboedel en huisraad als gevolg van een verdeling ervan tussen betrokkenen op 9 juni 2010 niet meer in de boedelbeschrijving en vereffening/verdeling behoeven te worden opgenomen. Omtrent de gang van zaken rond het leeghalen van haar kamer in het [X] op 9 juni 2010 verschillen partijen van mening, waarbij [eiser 1] c.s. gemotiveerd stelt dat dit in gezamenlijkheid is gedaan, waarbij de zaken in overleg zijn verdeeld. [verweerders 1] c.s. heeft gesteld dat [eiser 1] en [eiser 3] de kamer hebben leeggehaald. De rechtbank is van oordeel dat [eiser 1] c.s. voldoende consistent en gemotiveerd heeft gesteld dat de kamer door partijen gezamenlijk, met uitzondering van [eiser 2], is leeggehaald en dat de inboedel en huisraad in overleg is verdeeld. [verweerders 1] c.s. heeft daar niets gemotiveerd tegenover gesteld. De rechtbank is hierbij van oordeel dat bij wijze van verweer niet met een simpele verwijzing naar een productie kan worden volstaan. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de huisraad en inboedel geacht worden te zijn verdeeld over de erfgenamen en buiten de boedelbeschrijving en vereffening/verdeling zullen blijven.

5.5.

Met betrekking tot de sieraden zijn partijen het er over eens dat deze zich thans bevinden onder notaris Detmar en dat zij conform de wil van [B] toekomen aan het Koningin Wilhelmina Fonds. De rechtbank zal deze sieraden zoals zij zich thans onder notaris Detmar bevinden als actiefpost opnemen. Het betreft de navolgende door [verweerders 1] c.s. gegeven en door [eiser 1] c.s. niet betwiste opsomming: zeven halskettingen, een vierkante armband, vijf ringen, twee horloges, twee kettingen met medaillon één gulden koningin Wilhelmina, zes broches, twee polskettinkjes, een hanger (ovaal met vogel), een paar oorbellen, een goudkleurige halsketting en een parelketting.

5.6.

[verweerders 1] c.s. heeft voorts een tweetal vorderingen op [eiser 2] en [eiser 1] als actiefpost gesteld. Het betreft hier blijkens de in de conclusie van eis in reconventie gegeven toelichting een tweetal door bewindvoerder CSI tijdens de bewindsperiode aan [eiser 2] en [eiser 1] verrichte betalingen. De rechtbank leidt hieruit af dat de bewindvoerder indertijd kennelijk voldoende grond heeft gezien om deze betalingen te verrichten. [verweerders 1] c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd waarom CSI onjuist heeft gehandeld en dat er thans aanleiding is om deze betalingen als actiefpost op te nemen. De rechtbank zal deze vorderingen daarom buiten beschouwing laten.

De passiva

5.7.

De rechtbank begrijpt dat de kosten van de begrafenis door [eiser 1] zijn betaald en de kosten van de grafsteen door [eiser 3]. [verweerders 1] c.s. heeft gesteld dat deze kosten voor hun rekening en niet die van de nalatenschap dienen te blijven omdat zij de desbetreffende opdrachten hebben verstrekt, in weerwil ervan dat [verweerders 1] op dat moment testamentair executeur was. De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt. De door [verweerders 1] c.s. overgelegde opdrachtbevestiging en begroting van uitvaartverzorger Yarden noemt [eiser 1] inderdaad als opdrachtgever, terwijl [verweerders 1] bij testament van 25 oktober 2007 door [B] is benoemd tot executeur en hem als taak ondermeer was toebedeeld het zorgdragen voor haar uitvaart. Uit de opdrachtbevestiging blijkt echter ook dat [B] een uitvaartverzekering bij Yarden had lopen en klaarblijkelijk ook lid was van Yarden. Met de uitkeringen daaruit is een deel van de kosten van de uitvaart voldaan. Hieruit kan niet anders worden afgeleid dat het de wil van [B] was om voor haar uitvaart deze uitvaartverzorger in te schakelen. Dat [eiser 1] en niet [verweerders 1] na het overlijden kennelijk het contact met Yarden heeft gelegd en de opdracht heeft gegeven maakt naar het oordeel van de rechtbank onder de genoemde omstandigheden niet dat [eiser 1] de kosten van de uitvaart dient te dragen, nu het slechts een handeling betrof ter uitvoering van de wil van [B]. [verweerders 1] c.s. heeft niet gesteld dat de wijze waarop de uitvaart vorm is gegeven anders, en duurder, is geweest dan die zou zijn geweest indien [verweerders 1] de opdracht zou hebben gegeven. [verweerders 1] c.s. heeft voorts ook geen verklaring gegeven waarom [verweerders 1] na het overlijden van [B] de hem gegeven taak met betrekking tot het verzorgen van de uitvaart niet heeft uitgeoefend, dan wel deze zo snel als mogelijk van [eiser 1] heeft overgenomen. Onder die omstandigheden behoren de gevolgen daarvan niet voor rekening van [eiser 1] te komen. Dit laatste geldt eveneens ten aanzien van de door [eiser 3] voldane kosten van de grafsteen. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de kosten van de begrafenis en de grafsteen ten laste van de nalatenschap dienen te komen en als schuldenpost zullen worden opgenomen.

5.8.

De rekening van notaris Detmar betreft een declaratie van 3 augustus 2010 betreffende de kosten van afwikkeling van de nalatenschap van [B]. [verweerders 1] c.s. heeft deze nota betwist met de stelling dat Detmar geen functie had gelet op de positie van [verweerders 1] als executeur en dat Detmar zich slechts op instigatie van [eiser 1] met de afwikkeling bemoeide. [eiser 1] c.s. heeft dit niet weersproken. Gelet op het niet door [eiser 1] c.s. weersproken verweer van [verweerders 1] c.s. tegen die post moet worden aangenomen dat de werkzaamheden waarvoor Detmar kosten in rekening heeft gebracht, waarbij het de rechtbank ook niet duidelijk is geworden waaruit die werkzaamheden precies hebben bestaan, in opdracht van [eiser 1] zijn verricht. [eiser 1] c.s. heeft onvoldoende gesteld en aannemelijk gemaakt dat en waarom de nalatenschap met deze rekening belast zou moeten worden. De rechtbank zal deze rekening daarom buiten beschouwing laten.

5.9.

De kosten betreffende de belastingaanslagen (groot € 331,--) en de facturen van Van der Veen (groot € 260,60) en zorggroep Tellens (groot € 34,78) zullen worden opgenomen nu partijen het daarover eens zijn.

5.10.

De rechtbank begrijpt dat de bijdrage onderhoudskosten van € 750,-- voor de begraafplaats in [plaats] samenhangt met de vijf grafrechten. De rechtbank kan [verweerders 1] c.s. volgen in zijn stelling dat degene die de grafrechten bezit, deze onderhoudsbijdrage gezien de samenhang ook moet betalen. Nu deze grafrechten kennelijk toebehoorden aan [B] is de rechtbank van oordeel dat deze rechten in de nalatenschap vallen. Partijen verschillen hierover ook niet van mening. Daarmee vallen ook de samenhangende onderhoudskosten in de nalatenschap. Partijen zijn het er over eens dat één grafrecht moet worden overgeschreven op naam van de heer[Y] en dit zal dienen te geschieden. Verder heeft [eiser 1] afstand gedaan van zijn aanspraak op een grafrecht. Voor het overige verschillen partijen van mening over de verdeling van de grafrechten. Nu er vier grafrechten resteren en er buiten [eiser 1] vier kinderen als erfgenaam resteren komt het de rechtbank juist voor dat aan [verweerders 1], [verweerster], [eiser 3] en [eiser 2] elk een grafrecht wordt toegedeeld. Verwoerd zal als eerste een grafrecht mogen aanwijzen en de overige vier zullen door de genoemde partijen in overleg moeten worden verdeeld. Als zij daarin niet slagen zullen de grafrechten verloot worden. De onderhoudskosten zullen gelet op de samenhang met de grafrechten gezamenlijk daarmee worden toegedeeld.

5.11.

Het door [verweerders 1] c.s. gevorderde herstel van het graf conform de wens van [B] zal worden afgewezen. Onvoldoende is komen vast te staan dat het bestaande graf niet conform haar wens is gerealiseerd. Verder geldt ook hier hetgeen hiervoor al is overwogen aan het eind van rechtsoverweging 5.7. omtrent de gevolgen van het kennelijke tekortschieten van [verweerders 1] in zijn taak met betrekking tot de uitvaart.

5.12.

De facturen van Tulp advocaten in verband met de hoger beroepsprocedure tegen de beschikking tot onderbewindstelling dienen volgens [verweerders 1] c.s. tot een bedrag van

€ 964,64 als passiefpost te worden opgenomen. [eiser 1] c.s. heeft bij wijze van aanvulling van eis gevorderd dat twee reeds door de bewindvoerder CSI aan Tulp advocaten betaalde facturen, van € 75,68 en € 132,45, als actiefpost moeten worden opgenomen en dat deze facturen door [verweerders 2] c.s. dienen te worden voldaan omdat hij opdracht tot de appelprocedure heeft gegeven. Hieromtrent oordeelt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor ook al is geoordeeld ten aanzien van de gestelde vorderingen op [eiser 1] en [eiser 2] heeft CSI kennelijk ook in dit geval grond gezien om deze facturen te voldoen en de rechtbank zijn onvoldoende gronden gebleken om deze facturen desondanks nu nog als vordering in de nalatenschap op te nemen. Voorts heeft [verweerders 1] onbetwist gesteld dat [eiser 1] de (griffie)kosten van deze procedure in eerste aanleg bij CSI heeft gedeclareerd en ook betaald heeft gekregen en aldus ten laste van het vermogen van [B] heeft gebracht. Gelet hierop ontgaat het de rechtbank zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, waarom de kosten van een door [B] geëntameerde appelprocedure voor rekening van [verweerders 1] c.s. zou moeten komen. De facturen van Tulp advocaten zullen daarom zoals door [verweerders 1] c.s. is gevorderd worden opgenomen als passiefpost.

De vaststelling van de boedelbeschrijving

6.1.

Als gevolg van hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld zal de boedelbeschrijving als volgt worden vastgesteld:

Actief

- het saldo van de beheerrekening van CSI; € 6.214,61

- de onder notaris mr. Detmar rustende sierraden; te weten zeven halskettingen, een vierkante armband, vijf ringen, twee horloges, twee kettingen met medaillon één gulden koningin Wilhelmina, zes broches, twee polskettinkjes, een hanger (ovaal met vogel), een paar oorbellen, een goudkleurige halsketting en een parelketting;

- vijf grafrechten op de kerkelijke begraafplaats te [plaats]; te weten [nummer].

Passief

- de kosten van de begrafenis van [B]; € 3.442,19;

- de kosten van een grafsteen; € 1.467,27;

- de belastingaanslagen 2009/2010 € 331,00, te vermeerderen met

wettelijke rente;

- de factuur d.d. 8 juni 2010 van zorggroep Tullens € 34,78;

- de factuur d.d. 24 februari 2010 van Van der Veen € 260,60;

- de facturen nrs. 2011208, 20100592 en 20101083

van Tulp advocaten € 964,64;

- de onderhoudskostenbijdrage begraafplaats € 750,00.

Afgezien van de nog te berekenen wettelijke rente totaal: € 7.250,48.

6.2.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vorderingen in reconventie strekkende tot teruggave van inboedel/huisraad, verklaring voor recht en veroordeling van respectievelijk [eiser 1] en [eiser 2] ten aanzien van bedragen van € 349,92 en € 260,55 zullen worden afgewezen. [eiser 1] c.s. heeft gesteld dat hij akkoord gaat met 'teruggave' van de grafrechten. De rechtbank ziet gelet daarop geen aanleiding om [eiser 3] daartoe te veroordelen. Ook dat deel van de vordering in reconventie zal worden afgewezen.

6.3.

Partijen zullen, zoals door hen is gevorderd, gezamenlijk de nalatenschap moeten vereffenen en verdelen, conform het hiervoor bepaalde. Voor het geval partijen daartoe niet in staat zijn heeft [eiser 1] c.s. gevorderd dat [eiser 1] zal worden aangewezen om de vereffening en verdeling tot stand te brengen en [verweerders 1] c.s. heeft gevorderd dat [verweerders 1] daartoe zal worden aangewezen. Gelet op de tussen deze personen bestaande animositeit is de rechtbank van oordeel dat zij daartoe beiden niet de aangewezen personen zijn. Ook [verweerster] en [eiser 2] zijn naar het oordeel van de rechtbank daarvoor niet de geschikte personen, gelet op hun rol in het verleden zoals door partijen is geschetst. Het komt de rechtbank gezien de omvang van de nalatenschap verder voor dat niet een persoon van buiten de familie met de vereffening en verdeling moet worden belast. Alvorens eindvonnis zal worden gewezen zullen partijen zich er, met inachtneming van het voorgaande, over moeten uitlaten wie als vereffenaar/verdeler zal worden aangewezen, voor het geval partijen daarin zelf niet slagen. De rechtbank geeft partijen in overweging om daarover in overleg te treden en een gezamenlijke voordracht te doen. Mochten zij daarin niet slagen zal de rechtbank bij eindvonnis een aanwijzing doen.

7. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

7.1.

bepaalt dat partijen zich bij akte zullen moeten uitlaten over hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 6.3. en verwijst de zaak daarvoor naar de rol van woensdag 20 november 2013,

7.2.

houdt ieder verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.1

1 type: 439 coll: