Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6509

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
C-19-101260 - KG ZA 13-199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het beslag dat een kunstenares heeft gelegd op de bezittingen van een galerie die haar kunstwerken uitleent, is gedeeltelijk opgeheven. Dat bepaalde de rechter op maandag 28 oktober in de zittingslocatie Assen. Ook heeft de rechter de vordering van de kunstenares tot overlegging van de administratie door de galerie afgewezen. De kunstenares mag, zoals zij eerder met de galerie heeft afgesproken, de administratie die betrekking heeft op haar kunstwerken wel door haar accountant laten controleren. De rechter heeft de galerie hiervoor geen dwangsom opgelegd omdat zij de kunstenares hiervoor al verschillende keren heeft uitgenodigd. Daarnaast moet de kunstenares zich houden aan een afspraak uit 2005 dat zij zich niet negatief zal uitlaten over de galerie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/101260 / KG ZA 13-199

Vonnis in kort geding van 28 oktober 2013

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

(X) V.O.F.,

die gevestigd is in (woonplaats),

2. (Y), vennoot van eiseres sub 1,

die woont in (woonplaats),

3. (Z), vennoot van eiseres sub 1,

die woont in (woonplaats),

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.L. de Hoop, die kantoor houdt in Groningen,

tegen

(A),

die woont in (woonplaats),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.C. van Driel, die kantoor houdt in Assen.

Partijen worden hierna de VOF en (A) genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 oktober 2013 met producties;

  • -

    de conclusie van eis in reconventie van 14 oktober 2013 met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling van 14 oktober 2013;

  • -

    de pleitnota in conventie van de VOF;

  • -

    de pleitnota van (A).

1.2.

Ten slotte heeft de voorzieningenrechter bepaald dat dit vonnis vandaag wordt uitgesproken.

2 De feiten

2.1.

De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de navolgende feiten.

2.2. (

A) is kunstenares. Zij exploiteert sinds 1992 een galerie en een kunstuitleen op (adres). De VOF, die wordt gevormd door een zoon en schoondochter van (A), doet hetzelfde op het landgoed (adres II).

2.3

De galerie en kunstuitleen in (woonplaats I) behoorden tot 1992 tot de eenmanszaak van (A). Zij is in 1992 een vennootschap onder firma aangegaan met de VOF. Daarin zijn aanvankelijk alle activiteiten in (woonplaats I) en (woonplaats II) ondergebracht. In 1998 is (A) de galerie in (woonplaats II) zelfstandig gaan voortzetten. De vennootschap onder firma omvatte vanaf dat moment alleen nog de galerie in (woonplaats I) en de kunstuitleen in (woonplaats I) en (woonplaats II). De VOF leidde de activiteiten in Hooghalen.

2.4.

De kunstuitleen heeft vrijwel geheel betrekking op werken van (A). Klanten kunnen met hun uitleenvergoedingen een spaartegoed opbouwen, dat zij bij aankoop van een werk van (A) in (woonplaats I) of (woonplaats II) kunnen verzilveren.

De galerie en de kunstuitleen in (woonplaats I) zijn in verschillende gebouwen gesitueerd. De galerie is gevestigd in het hoofdgebouw. Hier worden (in ieder geval sinds 1992) werken van andere kunstenaars dan (A) tentoongesteld en voor verkoop aangeboden. De kunstuitleen is in een van de bijgebouwen ondergebracht. De werken van (A) bevinden zich daar in rekken of in een voor voorraadopslag bestemde, geïsoleerde container.

2.5. (

A) treedt na gerezen conflicten, per 1 januari 2005 uit de vennootschap onder firma. De VOF zet de activiteiten in (woonplaats I) zelfstandig voort en betaalt aan (A) een uittreedvergoeding. Partijen hebben sindsdien alleen nog een contractuele samenwerking inzake de uitleen van kunstwerken van (A) in (woonplaats I).

2.6.

Partijen maken in het kader van de uittreding en ter beëindiging van tussen hen bestaande geschillen, diverse afspraken, die op 9 maart 2005 worden neergelegd in een vaststellingsovereenkomst. De afspraken zien onder meer op de afwikkeling van reeds bestaande kunstuitleencontracten, de verplichtingen van partijen met betrekking tot het aanhouden en aanbieden van een courante kunstuitleencollectie in (woonplaats I), en de financiële administratie en afrekening van de kunstuitleen door de VOF. In artikel 11 van de vaststellingsovereenkomst staat dat er ter zake van deze overeenkomst geen persberichten of andere openbare mededelingen zullen worden gedaan. Ook komen partijen overeen dat zij zich zullen onthouden van het doen van negatieve en/of schadelijke mededelingen over de andere partij.

Aan de vaststellingsovereenkomst worden lijsten gehecht waarop de op dat moment bestaande voorraad kunstuitleen is beschreven.

2.7.

Partijen komen overeen dat van de ontvangen kunstuitleenvergoedingen 60% naar (A) gaat en 40% naar de VOF. Die afspraak geldt voor alle reeds op 31 december 2004 bestaande uitleencontracten, en voor nieuwe uitleencontracten die de VOF na die datum sluit. De opbrengst van nieuwe uitleencontracten die in (woonplaats II) worden gesloten, zijn geheel voor (A). Artikel 7.6 van de vaststellingsovereenkomst bepaalt, voor zover van belang, het volgende over de door de VOF te voeren administratie:

“(Z en Y) zijn verplicht tot het voeren en bijhouden van een administratie betreffende de Bestaande Contracten zoals zij dat tot aan de Uittrededatum deden, alsmede tot het onderhouden van contracten met de Bestaande Uitleenrelaties. (A) is gerechtigd om door een door haar aan te wijzen externe accountant deze administratie te doen inzien, zulks na voorafgaande schriftelijke aankondiging met in achtneming van een redelijke termijn.” (onderstrepingen door de voorzieningenrechter)”

Deze afspraak geldt voor bestaande en nieuwe uitleenrelaties; in de praktijk is het één administratie. In artikel 8.11 wordt aangegeven hoe de afrekening van nieuwe uitleencontracten plaats moet vinden:

“(Z en Y) zullen eenmaal per maand een afrekening ter zake van de Nieuwe Uitleencontracten opstellen, met in achtneming van de Bemiddelaarsregeling. Deze afrekening zal uiterlijk op de 25ste van elke maand worden toegezonden aan de in artikel 7.6 bedoelde accountant, onder gelijktijdige betaling aan (A) van het ingevolge de afrekening aan haar toekomende bedrag. Deze accountant zal de maandelijkse afrekening rekenkundig controleren en deze vervolgens ter goedkeuring voorleggen aan (A). Indien (A) meent dat een afrekening rekenkundig niet juist is, zal zij (Z en Y) daarover binnen twee weken na ontvangst van de betreffende afrekening schriftelijk per telefax informeren, bij gebreke waarvan zij zich er niet meer op kan beroepen dat de betreffende afrekening rekenkundig onjuist zou zijn.”

De toenmalige accountant van (A) geeft na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst aan dat het hem efficiënter lijkt om de afrekeningen/administratie eenmaal per jaar te controleren. Hij vraagt ook om op de afrekening een staatje op te nemen waaruit de mutatie van het aantal contracten (schilderijen) blijkt. De VOF neemt die gegevens op.

2.8. (

A)s accountant controleert in maart 2006 in (woonplaats I) de administratie van de kunstuitleen over 2005. In zijn brief van 12 april 2006 schrijft hij (A) dat de VOF de administratie perfect op orde heeft, dat deze zeer inzichtelijk te volgen is en dat geen onvolkomenheden zijn aangetroffen. De accountant geeft aan dat hij volledig inzage heeft gehad in de financiële administratie en de daarbij behorende subadministraties en excelbestanden (spaarsaldo en voorraadmutaties), en dat hij een aantal mappen met daarin alle essentiële informatie heeft meegekregen. Middels steekproef is de actuele voorraadlijst van de schilderijen gecheckt met de aanwezige voorraad. De staat van de schilderijen en de opslag is volgens hem goed geregeld, en ook aan de eis dat er tenminste één schilderij van (A) moet hangen is voldaan.

2.9.

De VOF brengt in mei 2005 een deel van de voorraad kunstuitleen naar (woonplaats II) en neemt andere werken mee terug. Hiervan worden lijsten opgemaakt. Partijen hebben nadien geen contact meer gehad over de kunstuitleenactiviteiten.

2.10.

In de afgelopen tien jaren hebben meerdere artikelen over (A) in de krant gestaan. In het Dagblad van het Noorden van 14 november 2009 staat een interview met (A). (A) wordt daarin onder meer als volgt geciteerd:

“Ik had mijn zoon en zijn vriendin betrokken bij de galerie. Ik ging op (locatie) aan het werk; zij zouden (woonplaats I), het theehuis en de lijstenmakerij runnen. Maar ze hebben de galerie gewoon van mij afgepakt. … “

2.11.

Eerst in 2010 controleert de (nieuwe) accountant van (A) de administratie weer. De VOF verstrekt hem bij die gelegenheid ook een overzicht van de voorraad kunstuitleen. De accountant schrijft de VOF op 8 september 2010 dat hij graag een overzicht wil (re-)produceren waaruit vanaf het moment van uittreding van (A), per schilderij blijkt welke huur- en verkoopopbrengst is gegenereerd, en aan wie de schilderijen zijn verhuurd en/of verkocht, zodat op basis daarvan aansluiting kan worden gezocht met de afrekeningen die maandelijks aan (A) werden verzonden. De VOF laat weten dat zij een dergelijk overzicht niet kan verstrekken omdat de uitleenadministratie niet op die manier, per schilderij, wordt bijgehouden en daar ook nooit om is gevraagd. De VOF licht verder toe waarom een dergelijk overzicht ook weinig zinvol is. De accountant wordt uitgenodigd om contact op te nemen als er nog onduidelijkheden mochten zijn.

2.12.

Bij brief van 12 september 2012 stelt de advocaat van (A) de VOF ingebreke. (A) heeft geconstateerd dat haar inkomsten sinds het afsluiten van de vaststellingsovereenkomst in 2005 drastisch zijn teruggelopen, en zij wijt dit aan het niet deugdelijk nakomen van gemaakte afspraken door de VOF. (A) verwijt de VOF dat zij de kunstuitleen niet deugdelijk heeft ondersteund en dat zij ondanks herhaalde verzoeken en aanmaningen geen deugdelijke administratie heeft overgelegd.

(A) geeft aan dat de maandelijkse vergoeding bij deugdelijke nakoming van de vaststellingsovereenkomst tenminste op het niveau van 2005 was gebleven, becijfert dat zij in de afgelopen 7 jaar € 546.000,00 minder heeft ontvangen, en vordert binnen drie weken een betaling van € 250.000,00 als voorschot op haar schade. Verder wordt de VOF gesommeerd om per direct de vaststellingsovereenkomst na te komen, om binnen een week na datum van de brief onvoorwaardelijk te verklaren dat een door (A) aangewezen accountant volledig inzage in de administratie krijgt en om eveneens binnen een week in overleg te treden over een definitieve regeling van de schade.

2.13.

In reactie daarop schrijft de VOF op 19 september 2012 dat zij zich van geen kwaad bewust is, dat zij de gemaakte afspraken zoals neergelegd in de vaststellingsovereenkomst nakomt, en dat de achteruitlopende economie ook bij haar voor financiële achteruitgang zorgt. Zij nodigt (A) uit om de boeken te komen controleren en stelt voor om op korte termijn samen te bespreken over hoe nu en in de toekomst om te gaan met de kunstuitleen.

(A) gaat niet op het voorstel in. Zij sommeert de VOF bij monde van haar advocaat om diverse schriftelijke stukken te overleggen. De VOF doet dat niet. Zij herhaalt haar uitnodiging voor een accountantscontrole, en stelt data voor een bespreking voor.

Beide vinden niet plaats.

2.14.

Bij brief van 5 september 2013 roept (A) de bevoegdheid in om de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, op de grond dat de VOF tekort is geschoten in de nakoming van de volgende verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst:

- de expositieverplichting;

- de relatiecontact- en promotieverplichting;

- de zorgplicht voor de Kernvoorraad;

- de verplichting voor het voeren van periodiek gezamenlijk overleg over de uitleencontracten;

- de financiële administratie- en vergoedingsplicht.

(A) vordert een volledige lijst van alle kunstwerken die op dat moment in (woonplaats I) aanwezig zijn en afgifte daarvan. Bij brief van 9 september 2013 schrijft de VOF dat (A) ten onrechte de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst heeft ingeroepen.

2.15.

Bij verzoekschrift van 13 september 2013 verzoekt (A) de voorzieningenrechter onder meer om ten laste van de VOF conservatoir beslag te mogen leggen tot afgifte van al haar kunstwerken die zich in (woonplaats I) bevinden, om conservatoir beslag te mogen leggen op de voertuigen van de VOF en haar inventaris (exclusief handelsvoorraad) en om conservatoir derdenbeslag te mogen leggen onder een aantal banken. In het beslagrekest wordt de schadevordering begroot op € 529.087,05. Een bedrag van € 521.253,00 bestaat uit het verschil tussen de werkelijk ontvangen uitleenvergoeding en de vergoeding die (A) zou hebben ontvangen indien de maandelijkse uitleenvergoeding op het niveau van januari 2005 zou zijn gebleven. Het resterende bedrag van € 7.834,05 betreft een bedrag dat volgens een in augustus 2013 door de accountant van (A) opgemaakt rapport, in 2009 te weinig aan (A) is uitbetaald.

Het verlof wordt op dezelfde dag verleend, waarbij de termijn voor het instellen van de hoofdzaak is bepaald op 14 dagen.

2.16.

Op 16 september 2013 worden de conservatoire (derden)beslagen gelegd. De deurwaarder legt in (woonplaats I) verhaalsbeslag op twee voertuigen, de persoonlijke kunstvoorraad en een aantal meubelstukken van de VOF, en neemt 258 werken van (A) mee. In het proces-verbaal wordt beschreven welke kunstwerken/schilderijen in het atelier en daarvoor geschikte container zijn aangetroffen. Daarin staat ook dat een schilderij voor de overige schilderijen op een ezel stond geëxposeerd.

Er zijn nog 127 kunstwerken uitgeleend aan klanten, 5 gemist bij het beslag en 6 op zicht bij derden.

2.17. (

A) brengt een persbericht uit waarin staat dat zij bij de rechtbank een dagvaarding tegen de VOF heeft ingediend en beslag heeft laten leggen op een aantal roerende goederen. Zij geeft aan dat zij zich genoodzaakt heeft gezien om stappen te nemen en hoopt met een onafhankelijke uitspraak duidelijkheid te krijgen over een in de jaren ’90 ontstaan conflict. (A) benadrukt dat eerdere pogingen van haar om het conflict onderling op te lossen niet zijn gelukt. Zij hoopt en vertrouwt erop dat met een gerechtelijke uitspraak partijen nu alsnog tot een goede oplossing zullen komen.

3 Het geschil in conventie

3.1.

De VOF vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter de ten laste van haar gelegde verhaalsbeslagen op roerende zaken en bankrekeningen opheft en dat de voorzieningenrechter bepaalt dat er op dezelfde gronden geen nieuwe beslagen mogen worden gelegd. De VOF stelt in de eerste plaats dat voor de gelegde beslagen zowel feitelijk als juridisch geen grond bestaat, omdat zij de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst altijd is nagekomen. De verschuldigde uitleenvergoeding is aan (A) betaald (zelfs meer dan dat), en ook aan de verplichting om een kernvoorraad van 200 tot 500 kunstwerken aan te bieden en de verplichting om tenminste één kunstwerk in het gebouw van de kunstuitleen te exposeren is voldaan. De VOF heeft (A) de afgelopen jaren steeds afrekeningen gestuurd en meegewerkt aan accountantscontrole. Volgens de VOF is (A) degene die zich niet aan de overeenkomst heeft gehouden, onder meer door zich in de media negatief uit te laten over de VOF. (A) heeft (woonplaats I) nooit gepromoot, is nooit met de VOF in contact getreden over nieuwe werken en heeft tegen de afspraken in contracten met bestaande uitleenrelaties op haar eigen naam overgezet. Dit en de financiële crisis die de cultuursector de afgelopen jaren treft, hebben tot de omzetdaling geleid. Bovendien uit (A) pas na een periode van zeven jaar voor het eerst een klacht over de uitvoering van de overeenkomst over de gehele voorafgaande periode. Dit is niet binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW en het recht om te klagen is dan ook vervallen. De VOF heeft ook als een goed huisvader voor de kunstwerken gezorgd. De deurwaarder heeft bij de beslaglegging geen beschadigingen geconstateerd en deze blijken ook niet uit de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s. Het verwijt van (A) dat bij de omruilactie in 2005 een aantal kunstwerken beschadigd zou zijn geraakt gaat niet op. Die werken dateren uit de tijd van de vof en bovendien kan daar zoveel jaar later niet meer over worden geklaagd.

De VOF voert verder aan dat zij het geld op de bankrekeningen nodig heeft voor haar onderneming. Met name het beslag op haar rekening bij de Rabobank brengt haar in problemen, omdat daarop voor derden bestemde opbrengsten staan.

De VOF vordert daarnaast dat de voorzieningenrechter (A) verbiedt om persberichten uit te brengen of andere (negatieve) mededelingen te doen, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van (A) in de proceskosten. Zij geeft aan dat de negatieve uitlatingen van (A) het vertrouwen van klanten in de VOF beschadigen en dat verdere schade moet worden voorkomen.

De VOF vordert geen opheffing van het beslag op de kunstwerken van (A). Zij merkt wel op dat dit beslag ondeugdelijk is en haar voor problemen plaatst, en dat (A) een contractuele boete verschuldigd wordt van € 10.000,00 per kunstwerk waarvan de levering niet kan worden bewerkstelligd.

3.2. (

A) voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Daartoe voert (A) aan, samengevat weergegeven, dat van ondeugdelijkheid van het door haar ingeroepen recht geen sprake is. De VOF heeft niet voldaan aan haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst en heeft de kunstuitleen laten doodbloeden. Het klantenbestand van 900 klanten is teruggelopen naar 90 en op de website wordt sinds 2006 niet meer vermeld dat werken van (A) worden uitgeleend. (A) heeft van een klant vernomen dat hij in (woonplaats I) heeft rondgekeken, maar toen geen werk van haar aantrof. Een door haar ingeschakelde detective heeft op 18 januari 2013 een bezoek gebracht aan de galerie in (woonplaats I) en evenmin werk van haar gezien. De VOF gaf aan dat ze in de galerie geen werken van (A) hebben of verkopen omdat dit een belangenverstrengeling in de familie zou zijn.

(A) heeft daardoor schade geleden. Zij betwist dat artikel 6:89 BW van toepassing is, omdat de VOF wat betreft de expositieplicht en de relatiecontact- en promotieplicht in het geheel niet heeft gepresteerd. Ook was (A) gedurende langere tijd niet op de hoogte van de schending van de overeenkomst en heeft de VOF onderzoek naar de oorzaak van de achterblijvende opbrengsten onmogelijk gemaakt. Bovendien is in de vaststellingovereen-komst opgenomen dat het achterwege blijven van een beroep door een van partijen op een of meer artikelen van die overeenkomst, niet kan worden aangemerkt als afstand van de daaruit voortvloeiende rechten en het recht om daarop een beroep te doen.

(A) voert verder verweer tegen het verbod om opnieuw beslag te mogen leggen; een dergelijk verbod gaat te ver. Zij betwist dat zij zich in het recente persbericht negatief over de VOF heeft uitgelaten en stelt dat de door de VOF gewraakte media-uitingen een dermate groot tijdvak bestrijken en zo divers zijn, dat niet vast te stellen is welk verwijt haar nu precies wordt gemaakt. De gevraagde voorziening is een substantiële inbreuk op het elementaire recht van vrijheid van meningsuiting en kan alleen aan de orde zijn in extreme gevallen. Nu de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, kan deze vordering niet daarop worden gebaseerd.

4 Het geschil in reconventie

4.1. (

A) vordert primair van de VOF: volledige rekening en verantwoording van het beheer over de kunstuitleen vanaf maart 2005, inzage van alle administratie en financiële bescheiden van de kunstuitleen en kunstverkoop, een administratieve en financiële verklaring van het verloop per kunstwerk en per klant van de kunstuitleen vanaf maart 2005 tot heden, overlegging van verhuuroverzichten met alle huurders vanaf 2005 en van alle verkoopfacturen van verkochte werken en een verklaring van de verblijfplaats van niet verkochte werken.

Subsidiair vordert (A) ex artikel 834a Rv hoofdelijke veroordeling van de VOF tot het verlenen van inzage in alle administratieve en financiële bescheiden van de kunstuitleen en kunstverkoop als genoemd bij de primaire vordering.

Een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van

€ 200.000,00, en met veroordeling van de VOF in de proceskosten.

Daartoe stelt (A), samengevat weergegeven, dat er ondanks herhaalde verzoeken geen inzicht wordt gegeven in de administratie en het verloop van de verhuurcollectie, en dat een goederenstroomcontrole daardoor niet mogelijk is. Zij voert verder aan dat er volgens de vaststellingsovereenkomst sprake is van een gemeenschap tussen partijen en dat op grond van artikel 3:173 BW voor de deelgenoten een verplichting bestaat om jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen aan de andere deelgenoten. Op grond van artikel 3:15j sub b BW is (A) gerechtigd om openlegging van de administratie te vorderen.

4.2.

De VOF voert verweer en concludeert tot afwijzing van de primaire vordering tot overlegging van stukken. De VOF voert aan dat er geen verplichting op haar rust om de administratie over te leggen. De afspraak was nu juist dat de accountant van (A) een controle bij de VOF zou kunnen uitvoeren en zo is dat in het verleden ook gegaan. De VOF wil dat dit nu ook gebeurt, zodat zij zonodig direct een toelichting en aanvullende informatie kan geven, en verdere misverstanden kan voorkomen. Een ‘kunstwerkvolgsysteem’ zoals (A)s accountant in 2010 dat graag wilde zien, is er niet. De uitleenadministratie werd ook voor 2005 bijgehouden per debiteur en niet per kunstwerk. Dit is in overeenstemming met de vaststellingsovereenkomst.

Tegen de subsidiair gevorderde inzage in de administratie van de kunstuitleen heeft de VOF geen bezwaar. Wel tegen de gevorderde dwangsom; de VOF heeft (A) steeds laten weten dat haar accountant welkom was.

5 De beoordeling

In reconventie

5.1.

Voor de leesbaarheid zullen eerst de tegenvorderingen van (A) worden behandeld.

5.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen al geruime tijd met elkaar in conflict zijn. In 2005 hebben zij hun zakelijke samenwerking grotendeels beëindigd en beperkt tot het uitlenen van kunstwerken van (A) door de VOF, tegen een vooraf overeengekomen vergoeding. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin zij gedetailleerd hebben vastgelegd welke verplichtingen er op hen rusten. In artikel 7.6 is vastgelegd dat de VOF de administratie voor de kunstleen moet voeren zoals zij dat voor 2005 ook deed en dat zij na schriftelijke vooraankondiging de accountant van (A) in de gelegenheid moet stellen om die administratie in te zien. (A) geeft in haar conclusie van eis in reconventie zelf aan dat dit artikel zowel voor bestaande als voor nieuwe contracten geldt.

De voorzieningenrechter ziet geen gronden om de VOF tot meer te verplichten dan hetgeen partijen – vermoedelijk ter voorkoming van nieuwe geschillen – destijds met zoveel woorden zijn overeengekomen. Dat betekent dat het (A) vrij staat om haar accountant, na schriftelijke vooraankondiging, bij de VOF in (woonplaats I) de administratie te laten controleren. De VOF is – anders dan (A) bepleit - niet verplicht om overzichten op te stellen per kunstwerk en per klant. Volgens artikel 7.6. van de vaststellingsovereen-komst moet de VOF de administratie van de kunstuitleen op dezelfde wijze voeren als zij voor 2005 deed, en de VOF heeft onbetwist gesteld dat die overzichten ook toen niet werden gemaakt. (A) mag die overzichten aan de hand van de aanwezig stukken zelf laten vervaardigen, maar kan de administratieve verplichtingen van de VOF niet verzwaren.

5.3.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter bepalen dat de VOF een door (A) aangewezen vertegenwoordiger inzage moet geven in alle administratieve en financiële bescheiden van de kunstuitleen en de kunstverkoop, binnen zeven dagen na schriftelijke aankondiging door (A).

Daarnaast zal de voorzieningenrechter de VOF opdragen om (A) binnen 7 dagen na het in deze te wijzen vonnis een actueel overzicht te verstrekken van de tot de Kunstuitleen in (woonplaats I) behorende kunstwerken van (A). Zij overweegt dat partijen zich bij de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst redelijk en billijk jegens elkaar dienen te gedragen, en (A) heeft gemotiveerd toegelicht dat zij er als kunstenaar belang bij heeft om te weten welke van haar kunstwerken nog aanwezig zijn en verkocht kunnen worden. Omdat het proces-verbaal van beslaglegging alleen de 258 fysiek in (woonplaats I) aanwezige kunstwerken noemt, terwijl ook werken bij klanten zijn, geeft dat geen compleet beeld.

Nu de VOF aangeeft dat zij een voorraadoverzicht beschikbaar heeft, voert het te ver om de verstrekking van die informatie afhankelijk te stellen van de komst van (A)s accountant. Dat betekent overigens niet dat de VOF op de lijst moet gaan invullen waar kunstwerken zijn, als die informatie daar niet reeds op is vermeld.

Dwangsom

5.4.

De vordering van (A) om de VOF te veroordelen tot betaling van een dwangsom indien de VOF zich niet aan het gevorderde zal houden, zal worden afgewezen. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de VOF zich zal houden aan wat de voorzieningenrechter in haar vonnis beslist, ook zonder de dreiging van het verbeuren van dwangsommen. Te meer omdat de gevorderde inzage al herhaaldelijk aan (A) is aangeboden.

Proceskosten

5.5.

Het feit dat de VOF (A) heeft uitgenodigd om de administratie van de kunstuitleen te komen controleren, en (A)s vordering tot overlegging van stukken, afgezien van de actuele voorraadlijst, is afgewezen, vormt ook aanleiding om (A) te veroordelen in de proceskosten in reconventie. Die kosten zijn naar oordeel van de voorzieningenrechter onnodig gemaakt. Voor salaris gemachtigde zal 0,5 punt worden gerekend. De kosten aan de zijde van de VOF worden aldus begroot op:

- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 x € 816,00)

Totaal €  408,00

In conventie

Opheffing verhaalsbeslagen

5.6.

Als eerste ligt voor of het door (A) gelegde verhaalsbeslag geheel of gedeeltelijk moet worden opgeheven. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

5.7.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient een conservatoir beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ((A)) ingeroepen recht blijkt. Het ligt in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing vordert (de VOF) om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het gelet op de gemotiveerde betwisting door de VOF bepaald onzeker is dat de rechter in een bodemzaak zal oordelen dat de VOF toerekenbaar in de nakoming van de vaststellingovereenkomst met (A) tekort is geschoten en (nog volledig) voor eventuele schade door (A) aansprakelijk kan worden gesteld. (A) heeft vooralsnog ook niet duidelijk kunnen maken dat de VOF haar de afgelopen jaren te weinig uitleenvergoeding heeft uitbetaald. De in het beslagrekest vermelde conclusie van (A)s accountant dat in 2009 te weinig is uitbetaald, heeft de VOF in deze procedure met bewijsstukken weerlegd en is door (A) ook niet meer herhaald. Dat in andere jaren nog bedragen openstaan is gesteld nog gebleken. Hier wreekt zich dat (A) zich – naar voorlopig oordeel ten onrechte - op het standpunt is blijven stellen dat de VOF haar diverse stukken diende te verstrekken, en niet in is gegaan op uitnodiging van de VOF om de administratie van de kunstuitleen te laten controleren.

5.8.

Het feit dat (A) de deugdelijkheid van haar vordering vooralsnog niet aannemelijk heeft kunnen maken, is echter op zichzelf onvoldoende om de ter verzekering van die vordering gelegde beslagen op te heffen. Bij de beoordeling of opheffing aangewezen is dienen volgens vaste rechtspraak de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat indien een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van zijn vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken. Beoordeeld moet worden of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag (HR 14 juni 1996, nr. 16008, NJ 1997, 481).

5.9.

Ter zitting is gebleken dat de VOF met name belang heeft bij opheffing van de op de bankrekeningen van de VOF gelegde beslagen en dan vooral het beslag onder de Rabobank. De VOF heeft toegelicht dat op de rekening bij die bank een bedrag van circa

€ 50.000,00 staat dat zij aan kunstenaars moet afdragen. Over de beslagen op de roerende zaken en de vier andere bankrekeningen maakt de VOF zich (ogenschijnlijk) minder druk. Twee van die rekeningen, te weten bij de Friesland Bank en de ING Bank, zijn volgens informatie van (A) leeg, zodat die beslagen geen doel hebben getroffen. Welke bedragen op de rekeningen bij de ABN AMRO Bank en de SNS Bank staan konden partijen niet aangeven. De waarde van de voertuigen is ter zitting door de VOF geschat op € 20.000,00. Over de waarde van de overige roerende zaken kon geen uitspraak worden gedaan.

5.10.

De voorzieningenrechter zal, alles afwegende, het beslag op de rekening bij de Rabobank opheffen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat niet zonder meer valt uit te sluiten dat bij een eventuele accountantscontrole alsnog onvolkomenheden naar voren komen, en/of dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat van de VOF toch meer inspanningen voor de kunstuitleen hadden mogen worden verwacht. Dat de vordering in buurt komt van het door (A) becijferde bedrag van € 521.000,00 ligt gelet op de ontwikkelingen in de cultuursector, het tijdsverloop en de verwijten die de VOF op haar beurt aan (A) maakt, naar voorlopig oordeel echter niet voor de hand. Temeer niet nu (A) ter zitting heeft verklaard dat zij zelf ook last heeft van de recessie.

Een en ander brengt met zich dat het belang van de VOF bij opheffing van het beslag op de rekening bij de Rabobank zwaarder dient te wegen dan het belang van (A) bij handhaving daarvan.

Verbod op nieuwe beslagen

5.11.

De vordering om (A) te verbieden om op dezelfde gronden nieuwe beslagen ten laste van de VOF te leggen zal als te verstrekkend worden afgewezen. Belanghebbenden zoals (A) hebben een wettelijk recht om hun belangen via conservatoir beslag te waarborgen, en de voorzieningenrechter zal op het moment dat dit recht wordt ingeroepen aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die er dan liggen moeten beoordelen of daarvoor verlof kan worden gegeven. Ter zitting is door (A) in dit verband aangegeven dat bij een eventueel nieuw verzoek beslag te mogen leggen, melding zal worden gemaakt van de standpunten van partijen zoals die tot op heden naar voren zijn gebracht. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat ook melding zal worden gemaakt van het verloop van deze procedure.

Verbod op perspublicaties en negatieve uitlatingen

5.12.

De vordering van de VOF om (A) te verbieden om zich in de media negatief over haar uit te laten betreft een vordering tot nakoming van artikel 11 van de vaststellingsovereenkomst. De voorzieningenrechter zal deze vordering toewijzen. Uit het in rechtsoverweging 2.10 aangehaalde interview dat (A) in 2009 aan het Dagblad van het Noorden heeft gegeven blijkt dat (A) zich in strijd met gemaakte afspraken negatief over de VOF heeft uitgelaten. Haar opmerking dat de VOF haar galerie heeft “afgepakt”, kan moeilijk anders worden verstaan. Ook in het door (A) uitgebrachte persbericht van september 2013 wordt de VOF in een negatief licht geplaatst. (A) schetst het beeld dat zij haar best heeft gedaan om een langlopend conflict met de VOF uit de wereld te helpen en dat zij de gang naar de rechter moet maken omdat de VOF daaraan niet mee wil werken. De correspondentie die in deze procedure is overgelegd biedt daaraan geen steun.

Het verweer van (A) dat zij de vaststellingsovereenkomst inmiddels buitengerechtelijk heeft ontbonden leidt niet tot een ander oordeel. De VOF heeft die ontbinding niet aanvaard en het is vooralsnog onvoldoende zeker dat deze, ook voor wat betreft deze afspraken, door de bodemrechter zal worden gehonoreerd.

5.13.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat een dwangsom gerechtvaardigd is. Deze zal echter wel gemaximeerd worden zoals in het dictum is bepaald.

Proceskosten

5.14.

Omdat de vordering tot opheffing van het verhaalsbeslag gedeeltelijk is toegewezen, zal de voorzieningenrechter (A) veroordelen in de kosten van de procedure in conventie. Voor salaris gemachtigde zal 1 punt worden gerekend.

De kosten aan de zijde van de VOF worden begroot op:

- dagvaarding €  76,71

- griffierecht 589,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.481,71

De gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zullen daarbij worden toegewezen als hierna opgenomen.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

1. heft het op verzoek van (A) ten laste van de VOF gelegde beslag op de bankrekening van de VOF bij de Rabobank op;

2. verbiedt (A) om ter zake van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 9 maart 2005 persberichten of andere openbare mededelingen te doen, en om over de VOF negatieve en/of schadelijke mededelingen te doen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per keer dat zij na betekening van dit vonnis in strijd handelt met dit verbod, met een maximum van € 20.000,00;

3. veroordeelt (A) in de proceskosten in conventie, aan de zijde van de VOF tot op heden begroot op € 1.481,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening;

4. veroordeelt (A) in de nakosten, begroot op een bedrag van € 131,- zonder betekening en, indien en voor zover betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met een bedrag van € 68-, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na aanzegging van de nakosten aan (A) tot de dag van volledige voldoening;

5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6. wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

7. veroordeelt de VOF hoofdelijk om binnen zeven dagen na schriftelijke aankondiging door (A) een door (A) aangewezen vertegenwoordiger inzage toe te staan in alle administratieve en financiële bescheiden van de kunstuitleen en kunstverkoop;

8. veroordeelt de VOF hoofdelijk om binnen zeven dagen na heden aan (A) een actueel overzicht te verstrekken van de tot de Kunstuitleen in (woonplaats I) behorende kunstwerken van (A);

9. veroordeelt (A) in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van de VOF tot op heden begroot op € 408,00;

10. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

11. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. van Rossum en in tegenwoordigheid van mr. A. Hut, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2013.1

1 type: coll: