Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6286

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
18-670437-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hogere straf dan was geeist door de officier van justitie voor man die zijn ex-vriendin wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en het haar van die ex-vriendin tegen haar wil heeft afgeknipt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/670437-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

17 oktober 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],[adres 1].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op 3 oktober 2013. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Pellinkhof, advocaat te Assen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 juli 2012 te Hoogkerk opzettelijk[slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet haar aan haar arm uit haar auto heeft getrokken en/of haar stevig bij haar arm heeft vastgepakt en/of heeft gehouden en vervolgens haar richting zijn, verdachtes, auto heeft getrokken en vervolgens een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, heeft getoond en dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Je stapt nu in." en vervolgens is weggereden nadat zij in de auto plaats had genomen;

2.

hij op of omstreeks 18 augustus 2012 te Groningen, [slachtoffer] door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen[slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft verdachte haar op de bank gedrukt en/of gehouden en vervolgens (een deel van ) het haar van [slachtoffer] heeft afgeknipt;

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken en de verklaring van verdachte ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van beide feiten bepleit.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte aangeefster wellicht op enig moment bij de arm heeft vastgepakt, maar dat daarmee nog geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte heeft het feit ontkend en het bewijs is evenmin af te leiden uit de opgenomen getuigenverklaringen. Getuige [getuige 1] heeft zelfs verklaard dat hij de indruk had dat aangeefster weg had kunnen lopen (p. 87). Tegenover de verklaring van verdachte, die als betrouwbaar kan worden aangemerkt, staat de verklaring van aangeefster van wie bekend is dat zij problemen heeft met fictie en realiteit.

Ten aanzien van feit 2 ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs. De WhatsApp-berichten zijn weliswaar afkomstig van de telefoon van verdachte, maar waarschijnlijk door een ander dan verdachte verstuurd.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van onder 1 ten laste gelegde

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 augustus 2012, opgenomen op pagina 13 e.v. van dossier nummer 2012082903, d.d. 1 oktober 2012, van Regiopolitie Groningen, inhoudende de verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

(p. 14) Op maandag 30 juli 2012, ergens na 00:00 uur, was ik in [plaatsnaam]. Ik zag dat ik twee gemiste oproepen van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) had. Ik ben in de auto van mijn moeder gestapt en wilde op de oprit van de apotheek aan de[straatnaam 1] draaien. Ik hoorde toen een harde knal. Ik zag toen dat het bestuurdersportier werd opengetrokken en ik voelde dat ik met kracht met mijn gezicht op het stuur werd gedrukt. Ik hoorde aan de stem dat het [verdachte] was. Ik voelde toen dat ik door [verdachte] aan mijn linkerarm uit de auto werd gesleurd. Ik voelde dat hij mij stevig vasthield en zei dat ik naar de woning van[getuige 2]moest lopen en aan moest bellen. (..) Ik voelde dat [verdachte] mij wegtrok en mij naar zijn eigen auto bracht. Ik heb wel tien keer gezegd: "Laat me los, ik wil niet mee, ik wil naar huis." Ik heb de hele weg geprobeerd me los te trekken, maar dat lukte me niet omdat hij te sterk is voor mij. Ik hoorde [verdachte] tot drie keer toe op dreigende toon zeggen: "Je stapt nu in." En terwijl hij dat zei had hij een soort zwaard of een extreem groot mes in zijn hand dat hij uit de kofferbak had gepakt. Tijdens de wandeling van de woning van [getuige 2] naar de auto heb ik de hele weg gegild. Ik was op dat moment erg bang en ben daarom rechtsvoor in de auto gaan zitten. Toen we beiden in de auto zaten, begon hij heel hard te rijden.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, zakelijk weergegeven:

Ik zag haar toen naar de auto lopen en ik ben naar haar toe gegaan. Ik deed de deur van haar auto open. Ze begon toen te huilen en hysterisch te doen. Ik heb haar arm gepakt. Ze was half uit de auto toen ik haar vast hield. Ik had haar bij de arm beet toen we wegliepen.

Ik heb uit de kofferbak een wielsleutel gepakt. Zij stond daar bij. Ik wilde praten. Het was geen gezellige situatie. Toen ze bij mij in de auto zat hebben we een hele tijd rondgereden.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 27 augustus 2012, opgenomen op pagina 85 e.v. van voornoemd dossier nummer, inhoudende de verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

(p. 85) Ik woon aan [adres 2] en heb vanuit mijn woning zicht op de ventweg van de [straatnaam 2]. Op een gegeven moment hoorde ik geschreeuw buiten. Ik ben toen vanuit mijn raam gaan kijken. Op straat zag ik een jongen en meisje lopen. De jongen had het meisje met beide handen bij haar bovenarmen vast. Ik hoorde dat het meisje huilde. Ze liepen naar een grijze geparkeerde auto toe. Ik zag dat de jongen de kofferbak van de auto opende en het meisje tegenhield met zijn benen. Ik zag dat de jongen de kofferbak dicht deed en dat ze vervolgens naar de passagierszijde liepen. Ik zag dat het meisje instapte. Ik zag dat de jongen achter het stuur plaats nam. Ik heb vervolgens 112 gebeld.

(p. 87) Op het moment dat ze bij de auto stonden en de jongen het meisje vast hield, had ik het idee dat het meisje gedwongen mee moest. Bij de kofferbak schreeuwde het meisje huilend 'nee, nee'.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 28 augustus 2012, opgenomen op pagina 91 van voornoemd dossier nummer, inhoudende de verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] was op zondagavond 29 juli 2012 bij mij thuis aan[adres 3], op bezoek. [slachtoffer] ging weg en even later werd er aangebeld en[slachtoffer] stond met een jongen op de stoep.

(p. 91) De jongen zei dat hij haar nu mee ging nemen. Toen ik de hoek omkwam, zaten ze al in zijn auto. Bij de deur zag ik dat[slachtoffer] huilde. Toen[verdachte] zei dat [slachtoffer] met hem meeging ontstond er een nietes-welles spel. Eerst hield [verdachte] haar bij de arm vast, later werd het touwtrekkerij.[slachtoffer]s auto stond er nog. In de auto stond haar tasje op de passagiersstoel. Na vier uur kwamen ze terug.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 6 september 2012, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier nummer, inhoudende de verklaring van [getuige 3], zakelijk weergegeven:

Ik woon aan de[adres 4].

(p. 107) Ik zag dat hij langs ons liep en dat hij een meisje bij haar pols vasthield.

(p. 108) Eigenlijk meteen daarna zag ik hem samen met dit meisje lopen die hij bij de onderarm vasthield. Ik hoorde toen dat het meisje huilde. Ze liepen in de richting van de [straatnaam 2]. Ik denk dat ze mee moest omdat hij snel naar haar auto liep en haar vasthield. Daarbij huilde ze ook nog. Ik denk dat ze weinig kans had om weg te komen. Dat maak ik op uit wat ik gezien heb.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 27 augustus 2012, opgenomen op pagina 102 van voornoemd dossier nummer, inhoudende de verklaring van [getuige 4], zakelijk weergegeven:

Zondagavond 29 juli 2012 om 23:00 uur werd er bij ons aangebeld. Mijn man deed de deur open. Het bleek een jongen te zijn die vroeg naar ene [slachtoffer]. Mijn man is vervolgens gaan kijken. Ik hoorde van hem dat dezelfde jongen die had aangebeld, de straat overstak. Ik hoorde vervolgens dat iemand schreeuwde: "Niet doen, niet doen. Raak me niet aan." Ik hoorde van mijn man dat hij iemand uit de auto had gesleurd.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat verdachte aangeefster wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat aangeefster vrijwillig met hem is meegegaan naar zijn auto, wordt naar het oordeel van de rechtbank weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat getuige [getuige 1] het idee had dat aangeefster weg had kunnen lopen, overweegt de rechtbank dat juist deze getuige op grond van zijn waarnemingen reden heeft gezien 112 te bellen. Dit gegeven sterkt de rechtbank in de overtuiging dat aangeefster aan de wil van verdachte was overgeleverd en geen mogelijkheid had zich daaraan te onttrekken.

Ten aanzien van onder 2 ten laste gelegde

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 augustus 2012, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier nummer, inhoudende de verklaring van[slachtoffer], zakelijk weergegeven:

(p. 15) Op zaterdag 18 augustus 2012 omstreeks 21:15 uur, was ik thuis in mijn woning aan [adres 5] Er werd gebeld en ik deed open. Ik zag toen [verdachte] staan. (..) Toen hij dat sms-bericht had gelezen, zag ik dat hij uit de keuken een schaar pakte. Met de schaar in zijn hand liep hij naar mij toe. Ik zag en voelde toen dat [verdachte] mij met mijn gezicht in de bank drukte en ik voelde en hoorde dat hij mijn haren begon te knippen. Ik heb toen gegild dat hij moest ophouden, maar ik voelde dat hij zo hard aan mijn haren trok, dat ik niets kon doen. Toen hij het grootste deel van mijn haar had afgeknipt is hij weggegaan.

(p. 16) Ik zal een aantal foto's opsturen, zowel van voor1 als na2 de knippartij.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 11 januari 2013, nummer PL01KN 2012082903-33, inhoudende de verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

De volgende WhatsApp-communicatie vond op 30 december 2012 plaats tussen mij en [verdachte], vanaf zijn nieuwe telefoonnummer 06-30017198.

[verdachte]: wil je die verklaring nog intrekken????

[verdachte]: miss k dan je haar wel wil dokken

[slachtoffer]: Maar je hoeft me haar niet te betalen

[verdachte]: K heb het ook gedaan

(..)

[verdachte]: Zorry

Een schriftelijk stuk, te weten een ongedateerde handgeschreven brief van verdachte aan aangeefster, opgenomen op pagina 145 van voornoemd dossier nummer,

Waarin verdachte de woorden zorrie zorry zorry bezigt.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, zakelijk weergegeven:

Ik ben die bewuste avond bij haar in de woning geweest. Ik heb de schaar in handen gehad.

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is van mij. Ik leen mijn telefoon eigenlijk nooit uit. (opmerking: de voorzitter houdt verdachte de hiervoor genoemde handgeschreven brief voor) Deze brief heb ik geschreven.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht het feit op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen bewezen. Verdachte heeft verklaard dat hij die bewuste avond bij aangeefster in de woning is geweest en een schaar in handen heeft gehad. De verklaring van aangeefster gecombineerd met de foto's in het dossier die plukken haar tonen en het haar van aangeefster van voor en na het feit, maken dat de rechtbank niet twijfelt aan de betrouwbaarheid van de aangifte. Dit volgt ook uit de WhatsApp-berichten. Deze berichten zijn afkomstig van de mobiele telefoon van verdachte en gericht aan [slachtoffer]. Dat deze door een ander dan verdachte zijn verzonden acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op de zeer opmerkelijk wijze waarop het woord sorry ("zorry") in de ongedateerde brief, waarvan verdachte zegt dat hij die heeft geschreven, is gespeld en deze zelfde spelwijze "zorry" ook in de WhatsApp-berichten voorkomt.

Bewezenverklaring

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 30 juli 2012 te Hoogkerk opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met dat opzet haar aan haar arm uit haar auto heeft getrokken en haar stevig bij haar arm heeft vastgepakt en heeft gehouden en vervolgens haar richting zijn, verdachtes, auto heeft getrokken en vervolgens een op een mes gelijkend voorwerp heeft getoond en dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Je stapt nu in." en vervolgens is weggereden nadat zij in de auto plaats had genomen.

2.

hij op 18 augustus 2012 te Groningen, [slachtoffer], door geweld gericht tegen [slachtoffer], wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, immers heeft verdachte haar op de bank gedrukt en gehouden en vervolgens een deel van het haar van [slachtoffer] afgeknipt.

De rechtbank acht hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

2.

Een ander door geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot het volgende wordt veroordeeld:

- een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis;

- een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank tot een strafoplegging zal overgaan, ervoor gepleit deze te beperken tot een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede met de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en aan het wederrechtelijk iemand dwingen iets te dulden. Bij het eerste feit heeft verdachte aangeefster tegen haar wil uit haar auto getrokken en haar naar zijn auto meegetrokken en vervolgens een op een mes gelijkend voorwerp getoond en haar gedwongen bij hem in de auto plaats te nemen. Bij het tweede feit heeft verdachte aangeefster in haar eigen woning in de bank gedrukt en een deel van haar haar afgeknipt.

De rechtbank acht voor dergelijke feiten een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend. Gelet op de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 10 september 2013in het recente verleden niet eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld en hij zijn leven volgens het reclasseringsrapport op orde heeft, ziet de rechtbank aanleiding thans een forse werkstraf op te leggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal een hogere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, nu deze vordering geen recht doet aan de ernst van de feiten. Nu verdachte voorts ter terechtzitting op geen enkele wijze inzicht heeft getoond in het laakbare en het vernederende van zijn handelen, ziet de rechtbank daarin aanleiding een stevige voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, van langere duur dan door de officier van justitie is gevorderd, teneinde verdachte te doordringen van de ernst van de feiten en om te voorkomen dat hij zich in de toekomst wederom aan dergelijk gedrag schuldig maakt.

Wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 282 en 284 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 220 (tweehonderd en twintig) uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 110 (honderd en tien) dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht. De rechtbank waardeert de dagen die veroordeelde in verzekering heeft doorgebracht op twee uren werkstraf per dag.

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 3 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. F. de Jong, voorzitter, L.M.E. Kiezebrink en

D.M. Schuiling, rechters, in tegenwoordigheid van W. Brandsma als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2013.

1 Zie foto's op pagina 146 en 147 van voornoemd dossier.

2 Zie foto's op pagina 149 tot en met 151 en 153 van voornoemd dossier.