Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6283

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
564544 CV EXPL 12-11582
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Rijksuniversiteit Groningen vs Judkins-Nugteren. Geen besluit in de zin van art. 1:3 AWB genomen tav onverschuldigd betaalde bezoldiging aan ambtenaar (art 116a ambtenarenwet). Kantonrechter: vordering niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 564544 CV EXPL 12-11582

Vonnis d.d. 17 oktober 2013

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon Rijksuniversiteit Groningen,

gevestigd te Groningen,

eiseres, hierna de RUG te noemen,

gemachtigde Flanderijn en Bouwman gerechtsdeurwaarders te Appingedam,

tegen

[naam],

blijkens verificatie in de GBA d.d. 5 oktober 2012 wonende in de gemeente [gemeente] op een adres waarvan zij aan de gemeente heeft verzocht dit geheim te houden voor derden, gedaagde, hierna [gedaagde] te noemen,

in persoon procederende.

PROCESGANG

De procesgang blijkt uit het volgende:

- dagvaarding

- conclusie van antwoord

- brief d.d. 14 maart 2013 met producties van de RUG.

Partijen hebben producties in het geding gebracht.

Ingevolge het tussenvonnis van 17 januari 2013 heeft op 14 maart 2013 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen zijn, de RUG deugdelijk vertegenwoordigd en vergezeld van haar gemachtigde, ter zitting verschenen. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

Ter comparitie is de zaak verwezen naar de rolzitting van 28 maart 2013 teneinde de RUG de gelegenheid te geven zich uit te laten. De RUG heeft zich op 28 maart 2013 middels een akte uitgelaten. [gedaagde] heeft op 11 april 2013 een antwoordakte genomen.

Vonnis is nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1 De feiten

1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van

de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.1

Tussen de RUG en [gedaagde] heeft een dienstbetrekking voor bepaalde tijd bestaan tot

1 juli 2009, waarbij [gedaagde] was aangesteld als ambtenaar. Op deze aanstelling was de CAO de Ziekte- en Arbeidsongeschiktheidsregeling Nederlandse Universiteiten (ZANU) van toepassing.

1.2

Op het moment dat de dienstbetrekking eindigde, was [gedaagde] ziek.

1.3

De RUG heeft vanaf 1 juli 2009 de laatst genoten bezoldiging doorbetaald.

2 De vordering

De RUG vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.881,95 aan hoofdsom, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten (€ 357,00 inclusief BTW) en rente (tot

16 oktober 2012 becijferd op € 120,19).

3 Het standpunt van de RUG

3.1

[gedaagde] had recht op volledige loondoorbetaling voor een periode van 1 juli 2009 tot

1 september 2009. Vanaf 1 september 2009 had [gedaagde] conform de ZANU recht op doorbetaling van 76% van de laatstgenoten bezoldiging. De RUG heeft echter door een administratieve fout ook na 1 september 2009 de bezoldiging volledig doorbetaald. Dit heeft er in geresulteerd dat [gedaagde] over de periode vanaf 1 september 2009 een bedrag van

€ 1.881,95 ten onrechte heeft ontvangen. [gedaagde] dient dit bedrag terug te betalen, nu dit onverschuldigd aan haar betaald is.

3.2

[gedaagde] dient eveneens de wettelijke vertragingsrente, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten te betalen.

3.3

[gedaagde] had een aanstelling als ambtenaar. Er geldt, zoals uit de jurisprudentie blijkt, een open systeem op basis waarvan de RUG de keuze heeft om haar vordering aan de civiele rechter of aan de bestuursrechter voor te leggen. Noch in de aanstellingsbrief noch in de cao is hierover iets vermeld. Uit de jurisprudentie blijkt dat de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen over de onderhavige vordering, aangezien de RUG onverschuldigde betaling aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. De RUG heeft met betrekking tot de onderhavige onverschuldigde betaling geen besluit genomen in de zin van artikel 1:3 Algemene Wet Bestuursrecht (AWB). Van een bestuursrechtelijke rechtsbescherming voor [gedaagde] is dan ook geen sprake. Mocht de correspondentie richting [gedaagde] toch aangemerkt worden als besluit in de zin van de AWB, dan zijn de termijnen voor bezwaar en beroep inmiddels verlopen.

4 Het standpunt van [gedaagde]

4.1

[gedaagde] is in augustus 2008 met ziekteverlof gegaan, omdat haar auto-immuun thyreoïdie weer actief werd. [gedaagde] heeft eind 2008 via het intranet van de RUG de op haar situatie toepasselijke onderdelen van de CAO nageslagen.

4.2

In april / mei 2010 ontving [gedaagde] bericht van de RUG dat er een fout gemaakt was bij het berekenen van haar salaris tijdens haar periode van ziekte. [gedaagde] ging in eerste instantie akkoord met terugbetaling. Zij was op dat moment nog niet volledig hersteld en de stukken grondig bestuderen kostte haar teveel energie. Nadat [gedaagde] was hersteld heeft zij zich in de vordering verdiept en is zij tot de conclusie gekomen dat zij het niet eens is met de terugvordering. Conform de informatie van het intranet waren de betalingen die zij had ontvangen gewoon terecht. Wellicht zijn de betalingen – achteraf gezien – onjuist geweest, maar dat was bij de RUG zelf ook niet bekend. De RUG is onduidelijk geweest in haar berichtgeving. [gedaagde] kon derhalve niet weten dat er sprake was van onverschuldigde betalingen. Zij is ook niet gewezen op de mogelijkheid om formeel bezwaar te maken. Doordat zij te goede trouw was kan de RUG, gelet op de jurisprudentie, de betalingen niet meer terug vorderen. Mocht er al terugbetaald moeten worden, dan zal dit maximaal in termijnen van € 75,00 per maand kunnen.

4.3

[gedaagde] betwist de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn, aangezien de fout van de betalingen bij de RUG ligt.



5. De beoordeling

5.1

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of [gedaagde] het bedrag van

€ 1.881,95 aan bezoldiging dient terug te betalen aan de RUG. Voorafgaand aan de beantwoording van deze vraag dient beoordeeld te worden of het wel terecht is dat de vordering voorgelegd is aan de kantonrechter, nu [gedaagde] een aanstelling had als ambtenaar. De kantonrechter oordeelt als volgt.

5.2

De RUG heeft gesteld dat de kantonrechter bevoegd is te beslissen op de onderhavige rechtsvraag, omdat zij onverschuldigde betaling aan de vordering ten grondslag heeft gelegd.

5.3

Met ingang van 1 juli 2009 is in artikel 116a van de Ambtenarenwet expliciet bepaald dat een door een openbaar lichaam onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden teruggevorderd.

5.4

In artikel 44 van de ZANU is omtrent terugvordering het volgende bepaald:

1. De werkgever kan al hetgeen op grond van deze regeling onverschuldigd of teveel is betaald geheel of gedeeltelijk terugvorderen (…)

  1. gedurende vijf jaren na de dag van de betaalbaarstelling indien de werkgever door toedoen van betrokkene onverschuldigd heeft betaald; en

  2. gedurende twee jaren na de dag van de betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de werkgever onverschuldigd betaalde.

5.5

Conform artikel 4:86 AWB dient de verplichting tot betaling van een geldsom bij beschikking te worden vastgesteld. Deze beschikking vermeldt in ieder geval de te betalen geldsom en de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden. Artikel 4:87 AWB bepaalt dat betaling dient te geschieden binnen een termijn van zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

5.6

Onder beschikking wordt conform artikel 1:3 AWB een besluit verstaan dat niet van algemene strekking is. De RUG heeft gesteld dat met betrekking tot de onderhavige vordering geen besluit is genomen in de zin van artikel 1:3 AWB. Dit wordt ook bevestigd door de overgelegde correspondentie. In de brief van 29 juli 2010 wordt [gedaagde], voorafgaand aan een door de RUG definitief te nemen besluit, in de gelegenheid gesteld haar zienswijze ten aanzien van de terugvordering naar voren te brengen. Er is vervolgens echter geen definitief besluit genomen. De RUG heeft het bedrag van € 1.881,95 per brief d.d.

22 december 2010 teruggevorderd met een betalingstermijn van slechts drie weken, te weten tot 15 januari 2011. In deze brief is [gedaagde] ook niet gewezen op de mogelijkheid van het indienen van bezwaar. Dit, terwijl een terugvorderingsbeschikking een besluit betreft tot vaststelling van een financiële verplichting waar de ambtenaar bezwaar tegen kan aantekenen. De kantonrechter is van oordeel dat deze bestuursrechtelijke bescherming, die expliciet in het leven is geroepen voor vorderingen als de onderhavige, niet zomaar ter zijde kan worden geschoven. Indien [gedaagde] de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar was geboden en zij het niet met de beslissing op het bezwaar eens zou zijn, zou voor haar de weg naar de bestuursrechter open hebben gestaan middels een beroepsprocedure. De bestuursrechter is de aangewezen instantie om in dat geval vorderingen als de onderhavige te beoordelen, gelet ook op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.

5.7

Vorenstaande leidt er toe dat de RUG niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering.

5.8

De RUG zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart de RUG niet-ontvankelijk in haar vordering;

veroordeelt de RUG tevens in de kosten van het geding, aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 17 oktober 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: ko