Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6273

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
426554 - CV EXPL 13-2137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wie is partij; verrekening met gecedeerde schadeclaim, geen overschrijding klacttermijn Weens Koopverdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 2, p. 88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 426554 \ CV EXPL 13-2137

vonnis van de kantonrechter d.d. 22 oktober 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOUTHANDEL VAN DER STADT B.V.,

gevestigd te Zaandam,

eiseres,

gemachtigde: Flanderijn & Van Eck,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.A. van Beilen.

Partijen zullen hierna Van der Stadt en [gedaagde] worden genoemd.

Procesverloop

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 16 juli 2013

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 19 september 2013.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

2.De feiten

2.1. In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.2. Van der Stadt drijft een groothandel in hout.

2.3. [gedaagde] is producent van houten vloerdelen. [gedaagde] produceert voornamelijk voor de firma Baeten P. bvba te Erpe-Mere in België (hierna: Baeten).

2.4. Bij e-mail van 6 april 2012 heeft Van der Stadt een partij hout aan [gedaagde] aangeboden. Hierin is de kwaliteit van het hout omschreven als "een nette mix van 1-3, spint valt reuze mee". Vervolgens heeft Van der Stadt deze partij aan Baeten - die werd vertegenwoordigd door [gedaagde] - verkocht. Van der Stadt heeft ter zake van deze partij hout een factuur ad € 12.488,90 aan Baeten verzonden, die deze factuur heeft voldaan aan Van der Stadt. De partij hout was afkomstig van een Duitse leverancier, de firma Ufra Hölzer und Furniere (hierna: Ufra), met wie Van der Stadt zaken had gedaan. De partij hout is naar [gedaagde] getransporteerd voor verdere bewerking. Daar is gebleken dat het hout veel spint bevat en grote noesten tot 15 centimeter groot. In een e-mail van 15 juni 2012 heeft [gedaagde] het volgende aan Van der Stadt geschreven:

"in de eerste bijlage het hout wat wij doorstapelden met [X] in Duitsland (gelieve ook graag de mail te lezen die [X] naar ons stuurde, betreffende de kwaliteitsverdeling), in de tweede en derde bijlage het hout wat wij mochten ontvangen, ronduit een schade, als ik het moet normeren is er zelf QF 26 bij.

Mijnheer [Y] heeft dit ook gezien, en hij wil dat de duitser volgende week komt kijken, dit gaat nergens meer over, Baeten is altijd correct van betalen en in steun hem in de gedachte dat hij gewoon opgelicht is, noesten tot 16 cm, spint tot over de gehele plank en hier zit zeker 60% van in, de gehele partij buiten 2 pakken staat nog keurig ingepakt, dus de duitser kan zich uitleven volgende week donderdag.

Wij hebben 2 pakken doorgesorteerd en er is gewoon niet geleverd wat wij met [X] hebben afgesproken, ik stel voor om volgende week donderdag af te spreken in Leeuwarden, met jou, Dhr [Y] en de duitser, er moet duidelijkheid in deze situatie komen."

2.5. Van der Stadt heeft de klachten doorgeleid naar Ufra. In een fax van 25 juli 2012 heeft Van der Stadt onder meer het volgende aan Ufra geschreven:

"Was bleibt ist Brennholz und absolut nicht mehr an zu wenden für welche Benutzung auch. Es handelt sich um eine Menge von 3,836 m3 und das Holz wünschen wir zu reklamieren bei Ufra."

Ufra heeft niet op de klachten gereageerd en is evenmin tot terugbetaling aan Van der Stadt overgegaan.

2.6. In juli 2012 heeft Van der Stadt een andere partij hout bij [gedaagde] afgeleverd. Ter zake hiervan heeft Van der Stadt de volgende facturen aan [gedaagde] verzonden:

- factuur d.d. 5 juli 2012 € 8.153,82

- factuur d.d. 20 juli 2012 € 2.864,57

- factuur d.d. 20 juli 2012 € 2.114,61

Totaal € 13.133,00.

2.7. Blijkens een e-mail van 13 september 2012 van Van der Stadt aan [gedaagde] is ter zake van deze facturen de volgende betalingsregeling tussen partijen getroffen:

"De helft van het openstaande bedrag ad € 6500,-- wordt uiterlijk 21 september betaald. Het restant ad € 6633,-- wordt uiterlijk 5 oktober betaald."

2.8. Tot op heden zijn de facturen onbetaald gebleven. Naar aanleiding van de aanmaningen van Van der Stadt en haar kredietverzekeraar Atradius Collections B.V. heeft [gedaagde] het volgende in een e-mail van 5 november 2012 aan Atradius geschreven:

"door Houthandel Van der Stadt is een lading hout aangeleverd welke onder de categorie brandhout kan worden onderverdeeld, dit heeft Dhr [Z] van Houthandel Van der Stadt ook zelf aangegeven tijdens zijn meerdere bezoeken aan onze productie in Leeuwarden, deze lading hout is door een relatie van ons in België vooruit betaald (…)

Door deze levering hebben wij een schade opgelopen in onze productie, hiervan hebben wij redelijkerwijze nog geen factuur van gestuurd, echter met wat er nu plaatsvindt zullen wij dit zeker gaan doen.

Wij hebben destijds vervangend hout aangekocht bij Houthandel Van der Stadt (…) er is nooit sprake geweest dat wij de factuur naar Houthandel Van der Stadt niet wilden betalen, het was allen een kwestie van tijd, deze tijd wordt zoals nu blijkt niet naar ons gegeven.

Tevens is het zo, dat de lading slecht hout voor afhaling gereed staat voor afhaling door uw cliënt, wij zien hier dan ook graag een credit nota van tegemoet."

2.9. Op 13 november 2012 heeft [gedaagde] een factuur ad € 13.133,00 aan Baeten verstuurd ter zake van "vervangende lading eiken hout van Houthandel Van der Stadt". Baeten heeft dit bedrag aan [gedaagde] voldaan.

2.10. Bij cessieakte van 13/18 november 2012 heeft Baeten een vordering op Van der Stadt aan [gedaagde] overgedragen wegens:

- betaling vervangende partij hout aan [gedaagde], in totaal een bedrag van € 13.133,00

- vergoeding schade [gedaagde] als gevolg van stilstand, in totaal € 16.142,29.

3.Het standpunt van Van der Stadt

3.1. Van der Stadt vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Van der Stadt te voldoen een bedrag van € 16.006,08, met de overeengekomen rente ad 1% per maand - subsidiair de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW - over € 13.133,00 vanaf 19 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander een bedrag van € 25.000,00 niet te boven gaande en kosten rechtens.

3.2. Volgens Van der Stadt heeft [gedaagde] in juli 2012 het hout gekocht, en niet Baeten. Bij de bestelling in juli 2012 heeft [gedaagde] er geen melding van gemaakt dat deze ter vervanging van de in april 2012 door Baeten gekochte partij hout was. Deze twee zaken staan geheel los van elkaar. Het is daarom [gedaagde] die de facturen van 5 en 20 juli 2012 aan Van der Stadt dient te voldoen. Ingevolge toepasselijke algemene voorwaarden is [gedaagde] rente van 1% per maand over de hoofdsom van € 13.133,00 verschuldigd, althans subsidiair de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW. Ten slotte maakt Van der Stadt aanspraak vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke kosten op grond van algemene voorwaarden, althans subsidiair op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW.

Het standpunt van [gedaagde]

3.3. [gedaagde] voert verweer. Volgens hem was de in juli 2012 bestelde partij hout bedoeld ter vervanging van de in april 2012 aan Baeten verkochte partij hout, zodat ten aanzien van de facturen van 5 en 20 juli 2012 niet hij maar Baeten contractspartij van Van der Stadt is. Subsidiair beroept [gedaagde] zich op verrekening met de aan hem door Baeten gecedeerde vorderingen op Van der Stadt.

4.De beoordeling van het geschil

4.1. Allereerst dient te worden beoordeeld of [gedaagde] als wederpartij van Van der Stadt moet worden aangemerkt wat betreft de in juli 2012 bestelde partij hout. De vraag of [gedaagde] bij het geven van de opdracht aan Van der Stadt al dan niet namens Baeten handelde, hangt af van een beoordeling van hetgeen [gedaagde] en Van der Stadt daaromtrent jegens elkander hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden - zie HR 11 maart 1977, LJN:AC1877, NJ 1977/521 (Kribbenbijter) en HR 17 mei 1991 LJN: ZC0239, NJ 1991/465 (Ontvanger/ Bokma). In het onderhavige geval zijn de litigieuze facturen, anders dan bij de bestelling in april 2012, niet op naam van Baeten gesteld. [gedaagde] heeft desgevraagd ter comparitie verklaard dat de facturatie anders is verlopen om de navolgende reden:

"Baeten diende van Van der Stadt de nieuwe partij hout vooruit te betalen, omdat het probleem van de slechte kwaliteit van het aan Baeten geleverde hout eerst met Ufra geregeld moest worden. Ik heb daarop gereageerd dat Baeten al had betaald. Ik kan niet vragen een klant vooruit te betalen voor een levering, omdat de voorgaande levering niet goed was. Er is toen gevraagd of ik het op mijn eigen naam kon bestellen, omdat ik wel kredietwaardig was. Ik ben daarmee akkoord gegaan om maar te kunnen leveren aan Baeten."

Gelet op deze verklaring is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] de contractspartij van Van der Stadt is en uit dien hoofde - in beginsel - tot betaling van de facturen van 5 en 20 juli 2012 van Van der Stadt gehouden is.

4.2. Vervolgens dient te worden beoordeeld of [gedaagde] zich met succes kan beroepen op verrekening met de aan hem door Baeten gecedeerde vorderingen op Van der Stadt. Van der Stadt bestrijdt deze vorderingen met de stelling dat er niet tijdig is gereclameerd. In dat verband doet Van der Stadt onder meer een beroep op algemene voorwaarden waarin een achtdagentermijn is opgenomen. [gedaagde] betwist de toepasselijkheid van algemene voorwaarden.

4.3. De kantonrechter stelt voorop dat de gecedeerde vorderingen een internationaalrechtelijk karakter hebben, aangezien Van der Stadt in Nederland gevestigd is en Baeten in België. Nu het gaat om schadevorderingen die voortvloeien uit een tussen Van der Stadt en Baeten tot stand gekomen koopovereenkomst ter zake van roerende zaken, wordt hun rechtsverhouding beheerst door het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken, ook wel aangeduid als het Weens Koopverdrag of CISG.

4.4. Van der Stadt betwist niet dat de in april 2012 aan Baeten verkochte partij hout niet de kwaliteit had die was overeengekomen. Daarmee staat vast dat de aan Baeten geleverde zaken niet aan de overeenkomst beantwoordden en is Van der Stadt ingevolge artikel 36, eerste lid CISG - in beginsel - jegens Baeten aansprakelijk.

4.5. Het voorgaande is anders indien er niet tijdig tegen het gebrek in de prestatie is geprotesteerd. In dat kader dient eerst de vraag te worden beantwoord of er algemene voorwaarden tussen Van der Stadt en Baeten zijn overeengekomen. De kantonrechter constateert dat in de e-mail van 6 april 2012, waarin Van der Stadt de betreffende partij hout heeft aangeboden, de algemene voorwaarden in het geheel niet worden genoemd. Gelet op de betwisting van de toepasselijkheid door [gedaagde] had het op de weg van Van der Stadt gelegen om op zijn minst te stellen wanneer en op welke wijze de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard. Bovendien heeft Van der Stadt die algemene voorwaarden ook niet in het geding gebracht. Nu Van der Stadt zijn stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, is niet vast komen te staan dat er algemene voorwaarden van toepassing zijn. Het beroep van Van der Stadt op de achtdagentermijn faalt om die reden.

Evenmin is er naar het oordeel van de kantonrechter sprake van schending van de in artikel 39, eerste lid CISG neergelegde klachtplicht. [gedaagde] heeft ter comparitie onweersproken gesteld dat de in april 2012 aan Baeten verkochte partij hout eind april/begin mei 2012 is opgehaald door [gedaagde], dat de bundels eerst gedurende zes tot acht weken zijn gedroogd en dat [gedaagde] pas rond half juni 2012 het hout is gaan bewerken. Naar het oordeel van de kantonrechter kon van [gedaagde] niet gevergd worden om direct na ontvangst van het hout, dat gebundeld was, de kwaliteit van elke plank te controleren. Blijkens de e-mail van 15 juni 2012 heeft [gedaagde] (namens Baeten) vrijwel direct - en binnen een naar het oordeel van de kantonrechter redelijke termijn - nadat hij het hout is gaan bewerken en het gebrek heeft ontdekt, geprotesteerd. Er is derhalve wel tijdig geklaagd.

4.6. Nu Van der Stadt voor het overige de door Baeten aan [gedaagde] gecedeerde vorderingen niet heeft betwist, slaagt het verrekeningsberoep van [gedaagde]. De slotsom is dat Van der Stadt per saldo niets (meer) van [gedaagde] te vorderen heeft, zodat haar vordering zal worden afgewezen.

4.7. Van der Stadt zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden vastgesteld op:

- salaris gemachtigde € 600,00 (2 punten x tarief € 300,00)

Totaal € 600,00.

Beslissing

5.De kantonrechter:

5.1. wijst de vordering van Van der Stadt af;

5.2. veroordeelt Van der Stadt in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 600,00;

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M. Sanna, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

292