Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6185

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
584144 - CV EXPL 13-4690
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verevening pensioenrechten bij 'koude uitsluiting', uitleg huwelijkse voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak/rolnummer: 584144 CV EXPL 13-4690

vonnis d.d. 10 oktober 2013

inzake

[naam] ,

wonende te[woonplaats],

eiser, hierna [eiser] te noemen,

in persoon procederend,

tegen

de Stichting Ondernemingspensioenfonds KPN,

statutair gevestigd te Groningen en kantoorhoudende te Den Haag,

gedaagde, hierna het Fonds te noemen,

gemachtigde mr. J.W. de Bruin, advocaat te Amsterdam.

PROCESGANG

Bij beschikking van 14 maart 2013 heeft de kantonrechter bevolen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. Vervolgens heeft [eiser] een conclusie van repliek genomen, waarna het Fonds een conclusie van dupliek heeft genomen.

Vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1 De vaststaande feiten

1.1

Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.2

[eiser] en zijn huidige ex-partner zijn op 14 augustus 1985 gehuwd. Bij akte van 12 augustus 1985 zijn zij huwelijkse voorwaarden overeengekomen, waarin elke gemeenschap van goederen werd uitgesloten (zgn. ‘koude uitsluiting’). In artikel 2 lid 5 van de akte staat, voor zover hier van belang, het volgende:

‘Voor het geval op de inkomsten uit hoofde van een arbeidsovereenkomst pensioenpremies worden ingehouden zal de verrekening van deze premies gedurende het huwelijk niet gevorderd kunnen worden. De verrekening van deze premies wordt verschoven naar het tijdstip van ontbinding van het huwelijk en wel door middel van verrekening van de premies dan wel door middel van verrekening van de pensioenuitkering, zulks ter keuze van partijen.’

1.3

Het huwelijk is op 8 januari 1996 ontbonden door inschrijving op die datum van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Groningen van 7 november 1995 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

1.4

[eiser] is gedurende de huwelijkse periode tot 1 oktober 1994 werkzaam geweest voor Koninklijke PTT Nederland (hierna: KPN). Zijn pensioenaanspraken tot 1 oktober 1994 zijn ondergebracht bij het Fonds.

1.5

In augustus 2006 doet [eiser] navraag bij TKP pensioen, de uitvoeringsorganisatie van het Fonds (hierna: TKP), over de gevolgen van zijn echtscheiding voor zijn pensioenaanspraken. Bij e-mail van 13 september 2006 geeft TKP aan dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: Wvps) in het geval van [eiser] van toepassing is, aangezien er van uitsluiting (bij huwelijkse voorwaarden of elders) niet is gebleken. TKP geeft voorts aan dat er binnen twee jaar na de scheiding een mededeling van de scheiding is gedaan bij de pensioenuitvoerder, hetgeen betekent dat het Fonds op grond van de Wvps gehouden is het verevend deel van het pensioen rechtstreeks uit te keren aan de ex-echtgenoot.

1.6

In de zomer van 2010 verzoekt [eiser] om een afschrift van de aan hem of zijn ex-partner verzonden correspondentie aangaande de verevening. TKP deelt [eiser] mee dat zijn dossier zoek is geraakt waardoor hij geen afschrift kan krijgen van de papieren die zich in het dossier bevinden.

1.7

Op 21 oktober 2010 ontvangt [eiser] een brief van TKP. In de brief wordt teruggekomen op het e-mailbericht van 13 september 2006, in zoverre dat TKP aangeeft dat er geen mededeling van de scheiding is ontvangen en dat het Fonds dus niet zal overgaan tot het rechtstreeks uitkeren aan de ex-partner van [eiser].

1.8

Op 16 juni 2011 stuurt TKP, namens het Fonds een brief aan [eiser] met betrekking tot het aanvragen van zijn ouderdomspensioen. In de brief staat vermeld dat [eiser] met ingang van 1 december 2011 recht heeft op ouderdomspensioen van het Fonds, dat zijn voorlopige pensioen (indien hij geen keuze maakt) vanaf december 2011 € 2.106,75 bruto per maand bedraagt en dat op dit bedrag reeds het pensioen voor zijn ex-partner in mindering is gebracht.

1.9

Bij e-mail d.d. 18 juli 2011 verzoekt [eiser] om intrekking en herziening van de brief van 16 juni 2011, aangezien hem bij brief van 21 oktober 2010 was toegezegd dat er geen rechtstreekse uitkering door het Fonds aan zijn ex-partner zou plaatsvinden. Bij e-mail d.d. 18 juli 2011 laat TKP weten dat [eiser] een aangepaste brief zal ontvangen van het Fonds, waarin zijn totale pensioen zal worden opgenomen en waarbij zal worden aangegeven welk deel door zijn ex-partner kan worden geclaimd.

1.10

Op 4 augustus 2011 stuurt TKP namens het Fonds een nieuwe brief aan [eiser] waarin het volgende staat:

‘Uit nader onderzoek is gebleken dat er in 1996 een door u en uw ex-partner ondertekend formulier “Mededeling van scheiding in verband met verdeling van ouderdomspensioen” door ons fonds is ontvangen. Uw ex-partner heeft daarom recht op een verevend ouderdomspensioen vanuit ons fonds.

Onze brief van 16 juni 2011 wijzigt niet.’

1.11

Naar aanleiding van een aantal e-mailberichten van [eiser], stuurt TKP namens het Fonds op 10 augustus 2011 opnieuw een brief waarin wordt aangegeven dat de ex-partner een kopie van het betreffende formulier en de reactie daarop van het Fonds van april 1997 heeft aangeleverd. In de brief vermeldt TKP dat uit deze documenten volgt dat er sprake is van een standaard verdeling van de aanspraak op ouderdomspensioen en dat dit tijdig aan het Fonds is gemeld en verwerkt, waardoor het Fonds gehouden is het verevende deel van het ouderdomspensioen rechtstreeks uit te keren aan de ex-partner van [eiser]. De betreffende documenten zijn bij de brief gevoegd.

1.12

Op 14 augustus 2011 komt [eiser] in beroep bij de Geschillencommissie van het Fonds tegen de beslissing van het Fonds van 10 augustus 2011.

1.13

Bij brief van 11 november 2011 laat de Geschillencommissie weten dat het beroep van [eiser] wordt afgewezen en dat het bestreden besluit d.d. 10 augustus 2011 in stand blijft. De Geschillencommissie overweegt daarbij als volgt:

‘De commissie deelt de mening van TKP dat aan het feit dat afschriften van het vereveningsformulier en het bewijsstuk van opgebouwde aanspraken waarop de verevening is gebaseerd pas in een laat stadium aan de heer [eiser] zijn gezonden, niet de conclusie kan worden verbonden dat de verevening niet meer plaats zou kunnen vinden. De brief van april 1997 aan de ex-partner van de heer [eiser] maakt voldoende aannemelijk dat binnen de wettelijke termijn van twee jaar het vereveningsformulier aan het fonds is gezonden en hiermee door de ex-partner jegens het fonds het recht is ontstaan op uitbetaling van het verevende deel van het ouderdomspensioen van de heer [eiser].

Het betoog dat het vereveningsformulier niet echt en niet geldig zou zijn, wordt door de commissie niet gedeeld. Hetgeen ingevuld bij ‘Pensioenuitvoerder, te weten “Stichting Pensioenfonds PTT” geeft geen aanleiding om het formulier niet geldig te achten, evenals het, in tegenstelling tot hetgeen ingevuld op het formulier, vermeende ontbreken van een echtscheidingsconvenant.’

2 De vordering

[eiser] vordert vernietiging van de beslissing van de Geschillencommissie d.d.

11 november 2011 en veroordeling van het Fonds tot beëindiging van de reeds in gang gezette verevening met terugwerkende kracht tot 1 december 2011.

3 Het standpunt van [eiser]

3.1

Naast de vaststaande feiten legt hij het volgende aan zijn vordering ten grondslag.

3.2

[eiser] stelt dat het Fonds ten onrechte is overgegaan tot het uitkeren van het verevend deel van zijn ouderdomspensioen aan zijn ex-partner. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat uit de in 1985 gesloten huwelijkse voorwaarden volgt dat er sprake is van een ‘koude uitsluiting’. De bedoeling van deze huwelijkse voorwaarden was volgens [eiser] dat partijen over en weer geen enkele aanspraak op elkaar hadden, ook niet met betrekking tot elkaars pensioenen. Daar de huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt voor de inwerkingtreding van de Wvps, kon er geen rekening worden gehouden met de eisen die de wet thans stelt.

In de tweede plaats voert [eiser] aan dat de mededeling van scheiding, waarop het Fonds haar verplichting tot rechtstreekse uitkering aan de ex-partner baseert, onjuist is ingevuld. Het bevat het verkeerde pensioenfonds, er wordt geen melding gemaakt van de tijdens het huwelijk geboren kinderen, er wordt aangegeven dat er bij huwelijkse voorwaarden geen andere verdeling van pensioenen is afgesproken en de handtekening van [eiser] is ongedateerd. Gelet op deze fouten betwist [eiser] dat hij degene is geweest die dit formulier heeft ondertekend. Nu het Fonds bovendien niet meer beschikt over het originele exemplaar, kan het Fonds haar stellingen niet bewijzen.

Tot slot stelt [eiser] dat het Fonds niet heeft voldaan aan haar wettelijke verplichting om (tijdig) aan [eiser] een afschrift te verstrekken van de beslissing tot verevening van zijn pensioenaanspraken. Gelet op het feit dat deze wettelijke verplichting niet is nageleefd is de rechtshandeling niet afgerond en kan het besluit niet in stand blijven.

4 Het standpunt van het Fonds

4.1

Het Fonds voert in de eerste plaats aan dat [eiser] geen petitum heeft opgenomen in zijn conclusie van repliek hetgeen dient te leiden tot afwijzing van de vordering, althans tot niet-ontvankelijkheid.

Voorts stelt het Fonds dat zij op grond van de Wvps verplicht is tot rechtstreekse uitkering van het verevende deel van het pensioen aan de ex-partner van [eiser]. De in de huwelijkse voorwaarden opgenomen ‘koude uitsluiting’ doet daar niet aan af, omdat er niet expliciet is bepaald dat van de Wvps zal worden afgeweken.

Het Fonds stelt ten aanzien van de mededeling van scheiding dat het ingevulde formulier is aangekomen bij het Fonds en dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden die de Wvps aan de mededeling stelt. De vraag of [eiser] het formulier al dan niet heeft ondertekend kan in het midden blijven, nu het blijkens artikel 2 lid 1 Wvps voldoende is dat één van de ex-partners de mededeling doet. Met het kopie van het formulier en de reactie daarop van het Fonds van april 1997 is afdoende bewezen dat de ex-partner het formulier heeft ingezonden en dat het Fonds het heeft ontvangen. In de pensioenwetgeving wordt immers nergens vermeld dat bewijzen slechts met originele documenten kunnen worden geleverd.

Het Fonds geeft aan dat zij niet meer in staat is om te bewijzen of zij al dan niet heeft voldaan aan haar informatieverplichting uit artikel 2 lid 5 Wvps. Indien zij dat niet heeft gedaan, stelt zij dat het toesturen van een afschrift geen constitutief vereiste is voor verevening, zodat de gestelde onregelmatigheid niet kan leiden tot het door [eiser] gewenste resultaat. Tot slot stelt het Fonds dat [eiser] op geen enkele manier schade heeft geleden, aangezien zijn ex-partner op grond van de Wvps recht heeft op het verevende deel ook indien het Fonds het niet rechtstreeks aan haar uitkeert. Aldus ontbreekt het procesbelang van [eiser] en dient zijn vordering te worden afgewezen.

5 Beoordeling

5.1

Het Fonds stelt dat de vordering van [eiser] reeds aanstonds kan worden afgewezen nu het geen petitum bevat. Naar het oordeel van de kantonrechter is het in het verzoekschrift geformuleerde verzoek van eiser, die in persoon procedeert, voldoende duidelijk geformuleerd en onderbouwd. Het in het verzoekschrift geformuleerde verzoek zal derhalve worden aangemerkt als het petitum.

5.2

De kantonrechter stelt voorop dat de Wvps, welke van toepassing is op alle scheidingen die plaatsvinden op of na 1 mei 1995, als uitgangspunt heeft dat echtgenoten bij echtscheiding beiden een recht hebben op pensioenverevening. In artikel 11 Wvps is bepaald dat slechts dan geen pensioenverevening overeenkomstig die wet plaatsvindt indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding ‘uitdrukkelijk’ anders hebben bepaald, waarmee wordt gedoeld op een bepaling die expliciet op het verevenen van pensioenrechten betrekking heeft (vgl. HR 24 oktober 1997, NJ 1999/395). Niet vereist is dat de echtgenoten in een zodanige bepaling met zoveel woorden de pensionverevening als voorzien in de Wvps hebben uitgesloten. Van een uitdrukkelijk uitsluiten in de zin van artikel 11 Wvps kan daarom eveneens sprake zijn ingeval de echtgenoten in hun huwelijkse voorwaarden met het oog op een eventuele scheiding hebben bepaald dat pensioenrechten niet worden verrekend (HR 19 november 2010, LJN: BN7893).

5.3

De kantonrechter is van oordeel dat uit het bepaalde in artikel 2 lid 5 van de akte van huwelijksvoorwaarden zoals weergegeven in rov. 1.2, niet is af te leiden dat [eiser] en zijn ex-partner de bedoeling hebben gehad pensioenverevening – zoals die later wettelijk is geregeld – uitdrukkelijk uit te sluiten. In de betreffende bepaling wordt immers slechts verwoord dat verrekening van de pensioenpremies wordt verschoven naar het tijdstip van ontbinding. Uit niets blijkt dat [eiser] en zijn ex-partner de bedoeling hebben gehad de pensioenrechten van verrekening dan wel verevening uit te sluiten. Ook heeft [eiser] niet weersproken dat er in nieuwe huwelijkse voorwaarden dan wel in een echtscheidingsconvenant is afgesproken dat [eiser] en zijn ex-partner niet tot verevening wilden overgaan.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de door [eiser] gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenrechten verevend dienen te worden in de zin van de Wvps.

5.4

[eiser] stelt voorts dat het Fonds ten onrechte is overgegaan tot rechtstreekse uitkering aan zijn ex-partner aangezien de mededeling van scheiding die het Fonds van zijn ex-partner heeft ontvangen een aantal onjuistheden bevat en hij die mededeling niet heeft ondertekend. Het Fonds betwist dit.

5.5

De kantonrechter overweegt als volgt. Blijkens artikel 2 lid 2 Wvps heeft de vereveningsgerechtigde ex-echtgenoot jegens het uitvoeringsorgaan een recht op uitbetaling van het verevende deel indien binnen twee jaar na het tijdstip van de echtscheiding een mededeling van die scheiding is gedaan aan het uitvoeringsorgaan middels het daarvoor bestemde formulier. Vereist is volgens datzelfde artikel dat één van beide echtgenoten het formulier ondertekent. Nu vaststaat dat de ex-partner het formulier heeft ondertekend, is het voor de verdere beoordeling niet van belang of [eiser] het formulier al dan niet heeft ondertekend.

Wat betreft de door [eiser] gestelde onjuistheden in de mededeling overweegt de kantonrechter als volgt. Blijkens hetgeen hiervoor in rov. 5.3 is overwogen is terecht op het formulier ingevuld dat er bij huwelijkse voorwaarden geen andere verdeling van de pensioenaanspraken is overeengekomen, zodat in zoverre geen sprake is van een onjuistheid. Voorts is het vermelden van de tijdens het huwelijk geboren kinderen blijkens het formulier alleen noodzakelijk indien het een scheiding betreft van vóór 27 november 1981, hetgeen in deze niet het geval is. Aldus kan het niet vermelden van de tijdens het huwelijk geboren kinderen niet worden aangemerkt als een fout in de mededeling van scheiding. De enige feitelijke onjuistheid in de mededeling, hetgeen ook door het Fonds wordt erkend, is de naam van de pensioenuitvoerder. Op het formulier staat vermeld dat ‘Stichting Pensioenfonds PTT’ de pensioenuitvoerder is, terwijl dat het Fonds had moeten zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter kan een dergelijke onjuistheid niet de gevolgtrekking dragen dat de mededeling van scheiding haar beoogde rechtsgevolgen ontbeert. De mededeling van scheiding heeft immers, ondanks de gestelde fout, binnen de wettelijke termijn de juiste pensioenuitvoerder bereikt en is ook door deze pensioenuitvoerder in behandeling genomen. Aldus is het Fonds terecht overgegaan tot het rechtstreeks uitkeren van het verevende deel van het pensioen van [eiser] aan de ex-partner van [eiser]. Daaraan doet niet af dat het Fonds de originele mededeling van scheiding niet meer in het bezit heeft. De kopie van de mededeling, in combinatie met de reactie daarop van het Fonds van april 1997 in de vorm van ‘het bewijs van aanspraken in verband met echtscheiding’, is naar het oordeel van de kantonrechter in deze voldoende om aan te nemen dat het Fonds op goede gronden is overgegaan tot rechtstreekse uitkering aan de ex-partner van [eiser]. Dit geldt te meer nu niet ter discussie staat dat de mededeling van scheiding door de ex-partner van [eiser] is gedaan en door haar is (mede)ondertekend.

5.6

[eiser] heeft tot slot gesteld dat het besluit tot rechtstreekse uitkering van het verevende deel niet in stand kan blijven, nu het Fonds heeft verzuimd tijdig een afschrift van ‘het bewijs van aanspraken in verband met echtscheiding’ aan [eiser] te verstrekken zoals voorgeschreven door artikel 2 lid 5 Wvps. Het Fonds heeft betwist dat het gestelde verzuim dient te leiden tot het door [eiser] gewenste resultaat.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft het Fonds onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij geen afschrift van het aan de ex-partner van [eiser] afgegeven ‘bewijs van aanspraken in verband met echtscheiding’ aan [eiser] heeft verstrekt. Zij heeft immers enkel aangegeven dat zij niet meer in staat is te bewijzen of zij aan deze informatieverplichting heeft voldaan. Nu vaststaat dat zij het afschrift niet aan [eiser] heeft verstrekt, dient te worden beoordeeld welk rechtsgevolg hieraan moet worden verbonden. De kantonrechter is van oordeel dat het niet tijdig verschaffen van het afschrift geen grond kan zijn om de rechtstreekse uitkering van het verevende deel van het pensioen van [eiser] met terugwerkende kracht te beëindigen. Weliswaar heeft het Fonds op grond van artikel 2 lid 5 Wvps een wettelijke plicht tot het verstrekken van een afschrift en verdient het handelen van het Fonds in deze zaak geen schoonheidsprijs, maar daarmee is niet gezegd dat de rechtstreekse uitkering ten onrechte heeft plaats gevonden. Uit de Wvps volgt immers niet dat het verstrekken van een afschrift van het bewijsstuk een constitutief vereiste is voor het tot stand komen van een recht op uitbetaling jegens het Fonds.

5.7

Bovenstaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Fonds worden begroot op € 450,00 voor het salaris van de gemachtigde (3 punten x tarief € 150,-).

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van het Fonds tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 450,00 voor salaris gemachtigde, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en voor het geval betaling niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Bootsma, kantonrechter, en op 10 oktober 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: sz