Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6114

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
18/830261-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank legt aan verdachte, die inmiddels illegaal in Nederland verblijft, een gevangenisstraf op van 24 maanden wegens poging tot doodslag in AZC. Beroep op noodweer is verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafvordering 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830261-13

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

12 september 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

18 juli en 29 augustus 2013.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 maart 2013, te [plaats]

, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die

[slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

meermalen, althans eenmaal, in de rug heeft gestoken en/of in het hoofd heeft

gestoken/gesneden/gekrast,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 4 maart 2013, te [plaats]

, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan

[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of

puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de rug heeft gestoken en/of in

het hoofd heeft gestoken/gesneden/gekrast, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 4 maart 2013, te [plaats]

, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de

rug heeft gestoken en/of in het hoofd heeft gestoken/gesneden/gekrast,

waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, het primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak van het primair ten laste gelegde, omdat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Of verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de aard van de gedragingen. Uit de medische informatie is niet te halen dat er een aanmerkelijk kans op de dood was of dat verdachte deze kans op de koop toe heeft genomen. Daarnaast is niet duidelijk met welk mes is gestoken, omdat daar geen onderzoek naar is gedaan. Zelfs al zou zijn gestoken met het aangetroffen rode mes, dan nog is niet komen vast te staan met hoeveel kracht en hoe vaak is gestoken, wat de positie van verdachte en het slachtoffer is geweest en hoe dik de jas is geweest die het slachtoffer droeg toen hij is gestoken.

De raadsman heeft zich ten aanzien het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

Op de terechtzitting van 18 juli 2013 is het onderzoek ter terechtzitting geschorst en is op verzoek van de verdediging door de rechtbank aan de officier van justitie verzocht te onderzoeken of de verblijfplaats van de getuigen [getuige 3] en [slachtoffer] kon worden achterhaald. Deze getuigen zijn niet opgeroepen door het openbaar ministerie voor de zitting van 29 augustus 2013 omdat uit door het openbaar ministerie geïnitieerd onderzoek is gebleken dat van deze getuigen geen verblijfplaats in Nederland of elders bekend is geworden. Nadat de raadsman ter terechtzitting van 29 augustus 2013 heeft verklaard dat hij geen afstand van de getuigen deed, heeft de rechtbank op grond van artikel 288 van het Wetboek van Strafvorde-ring van de oproeping van bedoelde getuigen afgezien, omdat het onaannemelijk is dat deze binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zullen verschijnen en van hen geen woon- of verblijfplaats bekend is. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verklaring die de getuige [getuige 3] tegenover de politie heeft afgelegd mede voor het bewijs worden gebezigd, hoewel de verdachte niet in de gelegenheid kon worden gesteld deze getuige vragen te (doen) stellen, nu het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet voornamelijk steunt op de verklaring van [getuige 3] maar (mede) op hierna te vermelden andere bewijsmiddelen.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de bewijsvraag acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, telkens zakelijk weergegeven.

De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd:

Ik word ook wel [naam] genoemd.

Een proces-verbaal d.d. 4 maart 2013, opgenomen op pagina 22 en 23 van dossier nummer PL01PF 2013022654 d.d. 25 april 2013, inhoudende de verklaring van[getuige 1]:

Ik ben op 4 maart 2013 getuige geweest van een steekpartij op het AZC in [plaats]. Ik zag dat [slachtoffer] met een mes werd gestoken door [verdachte]. Ik zag dat [slachtoffer] in zijn rug werd gestoken. [slachtoffer] had geen mes. [verdachte] maakte ook steekbewegingen naar het gezicht van [slachtoffer]. De steekpartij was op het balkon voor nummer 34. Ik zag dat toen [verdachte] de trap op kwam hij direct op [slachtoffer] instak.

Een proces-verbaal d.d. 4 maart 2013, opgenomen op pagina 24 en 25 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2]:

Ik zag een jongen lopen. Deze jongen liep de trap op naar de galerij van de bovenverdieping. Ik zag vervolgens een andere jongen ook de trap oprennen. Toen deze jongen op de galerij was aangekomen zag ik, dat deze jongen een mes vast hield. Toen zij pal voor het raam waren waar ik naar buiten stond te kijken, zag ik dat de jongen van kamer B die andere jongen stak met het mes. Ik zag dat de jongen van kamer B met kracht, het mes onder in de rug stak van die andere jongen. Ik zag vervolgens dat hij met een ruk het mes er weer uit trok. Ik zag vervolgens dat hij voor de tweede keer met kracht het mes in de onderrug van die ander jongen stak. Ik zag vervolgens dat de jongen, die in zijn rug was gestoken, zich omdraaide en de jongen met het mes van zich afduwde.

Ik zag dat de jongen met het mes door de duw kwam te vallen, op zijn rug. De andere jongen boog zich over de jongen heen en begon met hem te vechten. Ik zag dat die jongen met het mes meerdere keren op die andere jongen bleef insteken.

Een proces-verbaal d.d. 5 maart 2013, opgenomen op pagina 31 t/m 35 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3]:

[verdachte] is de dader.

Een proces-verbaal d.d. 6 maart 2013, opgenomen op pagina 36 t/m 39 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3]:

Ik heb de laatste steek gezien waarna het mes van de trap viel.

Een proces-verbaal d.d. 17 april 2013, opgenomen op pagina 47 t/m 52 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

In het asielzoekerscentrum woonde ik in appartement 34B. Op 4 maart 2013 kwam die man naar mij toe. Ik ben naar de keuken gerend en heb daar een mes gepakt. Ik heb hem later met dat mes aan de zijkant gestoken. Tussendoor heeft hij mij ook nog een paar klappen gegeven.

Medische gegevens aangever d.d. 4 maart 2013, opgenomen op pagina 59 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Steekverwondingen in gelaat en rug. Oppervlakkig wondje li frontaal, oppervlakkig wondje onder de kin li, twee steekwonden 1 cm breed li in rug paravertebraal thv L1 en 5 cm naast de wervelkolom.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Verdachte heeft meerdere keren met een mes in de rug en het hoofd van het slachtoffer gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar en vitaal deel is van het menselijk lichaam en dat zich op de plek van de rug waar steekverwondingen zijn aangetroffen, vitale organen bevinden, zoals de nieren en de longen. Door met een mes in het hoofd en de rug te steken, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer willens en wetens

aanvaard. De manier waarop gestoken is, de positie van verdachte en het slachtoffer en de dikte van de jas van het slachtoffer, maken dat niet anders.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 4 maart 2013, te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die

[slachtoffer] met een mes meermalen in de rug en in het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

primair poging tot doodslag.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweer. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gestoken uit zelfverdediging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat er geen sprake was van zelfverdediging, zodat een beroep op noodweer niet kan slagen. Uit het dossier komt naar voren dat het slachtoffer niet in het bezit was van een mes, dat verdachte op het slachtoffer is afgerend en het slachtoffer in de rug heeft gestoken. Bovendien hebben alle getuigen verklaard over een eerdere ruzie tussen verdachte en het slachtoffer. Van een noodweersituatie is niet gebleken.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat een beroep op noodweer niet kan slagen. Niet aannemelijk is dat zich een situatie heeft voorgedaan waarin sprake was van reële dreiging van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, waaraan hij zich niet kon onttrekken en waartegen hij zichzelf mocht verdedigen. Niet is komen vast te staan, zoals verdachte heeft verklaard, dat het slachtoffer in het bezit was van een mes, dat verdachte dit mes heeft weten af te pakken en zich hiermee heeft verdedigd. Integendeel, verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zelf een mes heeft gepakt uit de keuken - welke verklaring hij bij de rechter-commissaris heeft bevestigd - en met dit mes heeft gestoken. Bovendien valt uit de getuigenverklaring van [getuige 1] af te leiden dat verdachte achter het slachtoffer aan is gerend. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het primair ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek van voorarrest.

Standpunt verdediging

Namens verdachte is betoogd dat in geval van bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde een gevangenisstraf van dertig maanden buitenproportioneel is. De rechtbank zou in dat geval kunnen volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door met een mes meermalen in de rug en in de richting van het gezicht van het slachtoffer te steken. Verdachte heeft door zijn handelen aangetoond geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een poging tot doodslag is een zeer ernstig feit en rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het feit dat verdachte in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen de uitzichtloze situatie waarin verdachte zich bevindt. Uit het reclasseringsadvies van het Leger des Heils d.d. 7 juni 2013 komt naar voren dat verdachte, die inmiddels illegaal in Nederland verblijft, stress ervaart aangaande zijn verblijfstatus. De onzekerheid en het verblijf in verschillende landen in de afgelopen jaren lijken hem op te breken. De stressvolle situatie waarin betrokkene zich bevindt kan, zo stelt de reclassering, hebben bijgedragen aan het ontstaan van het delictgedrag. Voorts is verdachte volgens de reclassering van mening dat hij in zijn recht stond om uit zelfverdediging een persoon te steken met een mes. Daarom acht de reclassering de kans aanwezig dat hij in de toekomst in een soortgelijke situatie eveneens op deze manier kan handelen. Omdat verdachte geen verblijfsvergunning heeft en er sprake is van een taalbarrière, kan de reclassering echter geen interventies bieden. De rechtbank ziet in een en ander aanleiding om een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F. de Jong, voorzitter, mr. L.H.A.M. Voncken en

mr. L.M.E. Kiezebrink, rechters, in tegenwoordigheid van A.W. ten Have-Imminga als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 september 2013.

Mr. Kiezebrink was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.