Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6065

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
557154 CV EXPL 12-9266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

terugvordering PGB, formele rechtskracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 557154 CV EXPL 12-9266

Vonnis d.d. 3 oktober 2013

inzake

de stichting Stichting Zorgkantoor Menzis,

statutair gevestigd te Wageningen,

eiseres, hierna het Zorgkantoor te noemen,

gemachtigde: GGN, gerechtsdeurwaarders te Almelo

tegen

[naam],

wonende in de gemeente [gemeente] op een adres waarvan [naam] heeft verzocht dit adres geheim te houden voor derden,

gedaagde, hierna [gedaagde] te noemen,

gemachtigde: mr. B.H. Werink, advocaat te Groningen,

PROCESGANG

Het Zorgkantoor heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 4.930,96, vermeerderd met rente en proceskosten. [gedaagde] heeft de vordering bestreden. Vervolgens heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 8 november 2012 een comparitie gelast. Voorafgaand aan de te houden comparitie heeft het Zorgkantoor producties in het geding gebracht. Vervolgens is de comparitie op verzoek van partijen in afwachting van een bestuursrechtelijke procedure omtrent dezelfde kwestie aangehouden en uiteindelijk afgesteld. Bij aktes hebben beide partijen vonnis gevraagd. Het vonnis is vervolgens bepaald en de uitspraak daarvan is vastgesteld op heden.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum samen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

OVERWEGINGEN

1 De vaststaande feiten

1.1.

Ten behoeve van de verzorging van [gedaagde] is bij het Zorgkantoor een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor toekenning van een persoonsgebonden budget (PGB).

1.2.

Bij beschikking van 17 december 2008 is een PGB over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 aan [gedaagde] toegekend. Het in die beschikking genoemde PGB is in de vorm van voorschotten aan [gedaagde] uitgekeerd door het Zorgkantoor. Het totaal door [gedaagde] ontvangen bedrag in deze gehele periode betreft € 5,512,02.

1.3.

In voormelde beschikking is aan [gedaagde] de verplichting opgelegd om binnen zes weken na het einde van een verantwoordingsperiode een formulier aan het Zorgkantoor te verstrekken waarin zij verantwoording aflegt over de besteding van het PGB.

1.4.

Bij de voor bezwaar vatbare beschikking van 22 juni 2010 is vastgesteld dat [gedaagde] slechts een bedrag van € 1,329,44 van het door haar ontvangen PGB heeft verantwoord en dat zij na aftrek van een verantwoordingsvrij bedrag van € 250,00 een bedrag van € 3,932,58 moet terugbetalen.

1.5.

Het door [gedaagde] tegen voormelde eindafrekening ingediende bezwaar is bij besluit van 22 oktober 2012 door het Zorgkantoor ongegrond verklaard.

1.6.

Tegen het besluit van het Zorgkantoor heeft [gedaagde] vervolgens beroep ingesteld bij de afdeling bestuursrecht van deze rechtbank, locatie Groningen. Bij beslissing van 16 juli 2013 is dit beroep ongegrond verklaard.

2. De standpunten van partijen

2.1.

Het Zorgkantoor stelt dat [gedaagde] gehouden is het door haar ontvangen bedrag aan PGB dat zij niet heeft verantwoord terug te betalen. Hieraan legt zij ten grondslag dat in de beschikking waarbij het PGB aan haar is toegekend uitdrukkelijk is vermeld dat zij binnen zes weken na het einde van een verantwoordingsperiode verantwoording moet afleggen over de besteding van het PGB. [gedaagde] heeft dit deels nagelaten. Het Zorgkantoor moet er daarom vanuit gaan dat niet het volledige budget is besteed aan de zorg waarvoor het is toegekend. Het bedrag is dan ook deels ten onrechte verstrekt en dus onverschuldigd betaald. [gedaagde] moet dit bedrag daarom terugbetalen, inclusief de daarover verschuldigd geworden wettelijke rente. Aangezien [gedaagde] hieraan niet heeft voldaan, was het Zorgkantoor genoodzaakt haar vordering ter incasso over te dragen. De daarmee gemoeide kosten heeft [gedaagde] daarom ook aan het Zorgkantoor te vergoeden.

2.2.

[gedaagde] heeft aanvankelijk verweer gevoerd tegen de eindafrekening van 22 juni 2010, maar heeft daarin berust na de uitspraak van de afdeling bestuursrecht van deze rechtbank. Wel heeft [gedaagde] als verweer aangevoerd dat zij geen aanmaningen van het Zorgkantoor heeft ontvangen ter zake de terugbetaling van het gestelde bedrag en zij aldus rauwelijks is gedagvaard.

3 De beoordeling

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of [gedaagde] gehouden is tot terugbetaling van het bedrag van € 3.932,58 aan het Zorgkantoor als vermeld in de beschikking van 22 juni 2010. De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.

3.2.

Volgens vaste jurisprudentie geldt dat indien tegen een besluit van een bestuursorgaan een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan en van die rechtsgang gebruik is gemaakt, de burgerlijke rechter van de geldigheid van het besluit dient uit te gaan zolang het niet is vernietigd.

Het beginsel van formele rechtskracht is hier aan de orde. Dit is slechts anders indien de aan het besluit verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op voormeld beginsel een uitzondering moet worden gemaakt (zie HR 16 mei 1986, NJ 1986, 723; 7 april 1995, NJ 1997, 166, m.nt. MS en 28 mei 1999, NJ 1999, 508, m.nt. ARB)

3.5.

In deze zaak staat vast dat het door [gedaagde] ingediende bezwaar en beroep tegen het besluit van 22 juni 2010 ongegrond is verklaard en dat zij heeft afgezien van het instellen van nadere rechtsmiddelen. De kantonrechter moet daarom uitgaan van de onaantastbaarheid – de formele rechtskracht – van dit besluit. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat op grond van bijzondere bijkomende omstandigheden de aan de geldigheid van de eindafrekening klevende bezwaren zo klemmend worden dat een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht in dit geval moet worden aanvaard.

3.6.

Nu uitgegaan moet worden van de rechtsgeldigheid van de eindafrekening leidt dat tot de slotsom dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de terugbetaling van het bedrag van € 3.932,58. In zoverre is de vordering dan ook toewijsbaar.

3.7.

Met betrekking tot de vorderingen ter zake van de rente en buitengerechtelijke incassokosten overweegt de kantonrechter als volgt. [gedaagde] heeft bij antwoord gesteld dat zij het besluit van 22 juni 2010 niet heeft ontvangen en haar evenmin aanmaningen hebben bereikt. Nu het Zorgkantoor, als [gedaagde], om vonnis heeft verzocht en aldus heeft afgezien om op deze stelling van [gedaagde] te reageren, zal de kantonrechter uitgaan van de juistheid daarvan. Dit brengt mee dat de vordering ter zake van de tot dagvaarding verschenen rente zal worden afgewezen en slechts de gevorderde rente over de periode vanaf dagvaarding zal worden toegewezen. Verder brengt dit mee dat de vordering ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen.

3.8.

[gedaagde] zal ten slotte als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan het Zorgkantoor te betalen een bedrag van € 3.932,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16augustus 2012 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] tevens in de kosten van het geding, aan de zijde van het Zorgkantoor tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 437,00 aan griffierecht, € 97,84 aan explootkosten en € 200,00 voor salaris van de gemachtigde;

  • -

    verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    ontzegt het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome, kantonrechter, en op 3 oktober 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: mb