Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:6064

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
577413 CV EXPL 13-1831
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

bevoegdheidsincident: rechtsverhouding Randstad en ZZP'er kan niet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0803

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 577413 CV EXPL 13-1831

Vonnis d.d. 3 oktober 2013

inzake

de besloten vennootschap Randstad Professionals B.V.,

gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Groningen,

opposante, hierna Randstad te noemen,

gemachtigde: mr. L.A.J. Lycklama à Nijeholt, als advocaat werkzaam bij Randstad,

tegen

[naam],

wonende te [woonplaats],

geopposeerde, hierna [A] te noemen,

gemachtigde: mr. E.H. Jansen, advocaat bij Stichting Rechtshulp Noord Advocaten Groningen.

PROCESGANG

  • -

    Bij verstekvonnis van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, gewezen op 3 januari 2013 onder zaak/rolnummer 569569 CV EXPL 12-13502 is Randstad veroordeeld om tegen bewijs van kwijting aan [A] te voldoen een bedrag van € 44.682,94, vermeerderd met rente en proceskosten.

  • -

    Randstad is bij dagvaarding van 1 februari 2013 van voormeld vonnis in verzet gekomen en heeft gevorderd haar van de daarbij uitgesproken veroordeling te ontheffen en [A] in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren althans hem deze te ontzeggen, met veroordeling van [A] in de kosten van de procedure.

  • -

    [A] heeft in oppositie voor antwoord - samengevat - geconcludeerd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zijn oorspronkelijke vordering enerzijds met een bedrag van € 7.947,64 te verminderen en anderzijds met een bedrag van € 25.000,00 te vermeerderen, vermeerderd met de wettelijke rente, één en ander met veroordeling van Randstad in de kosten van deze procedure.

  • -

    Randstad heeft in oppositie gerepliceerd.

  • -

    Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is vastgesteld op heden.

OVERWEGINGEN

1 De vaststaande feiten

1.1.

Randstad is als HR-dienstverlener actief op de markt van arbeidsbemiddeling en houdt zich daarbij onder andere bezig met de bemiddeling tussen zelfstandigen zonder personeel (zzp’er) en potentiële opdrachtgevers.

1.2.

[A] is al sinds lange tijd actief als zelfstandige en als zodanig ingeschreven bij diverse entiteiten van het Randstad-concern. Sinds eind 2011 staat hij ook als zelfstandige ingeschreven bij de professionele tak van Randstad.

1.3.

[A] beschikt over een Verklaring Arbeidsrelatie Winst uit onderneming (VAR Wuo) en hij is als zelfstandige ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ook heeft hij een BTW-nummer.

1.4.

Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [A] met ingang van 23 januari 2012 werkzaamheden heeft verricht bij een opdrachtgever van Randstad, te weten de gemeente [gemeente]. Op 31 januari 2012 is ter zake een schriftelijke overeenkomst, getiteld “Overeenkomst van Opdracht”, opgesteld. Hierin is onder meer het volgende bepaald:

  1. Artikel 2 - Urenverantwoording en Tarief

    […]

  2. Het tarief voor het verrichten van de werkzaamheden bedraagt € 47,50 per gewerkt uur exclusief BTW. […].


    Voor de uitvoering van de Werkzaamheden is Opdrachtnemer [kantonrechter: bedoeld wordt [A]] gerechtigd uitsluitend aan Randstad een tarief en de kosten in rekening te brengen. […] Uitsluitend gewerkte en in een door Opdrachtgever en Opdrachtnemer geaccordeerde urenverantwoording vermelde uren komen voor vergoeding door Randstad in aanmerking.

  3. […]

  4. Artikel 4 - Looptijd overeenkomst

Deze overeenkomst vangt aan per 23 januari 2012 en geldt voor de duur van het project, maar eindigt in ieder geval van rechtswege op 30 juni 2012. Tenzij anders is overeengekomen is de Opdrachtnemer niet gerechtigd de overeenkomst tussentijds op te zeggen.

1.13.

Op 23 januari 2012 is [A] begonnen met het verrichten van werkzaamheden voor de gemeente [gemeente]. Op 3 februari 2012, 7 februari 2012 tot en met 10 februari 2012 en op 13 februari 2012 heeft [A] geen werkzaamheden verricht als gevolg van een cursus, ziekte en lastige reisomstandigheden wegens slecht weer. Op deze dagen heeft [A] geen uren gedeclareerd bij Randstad.

1.18.

Op 16 februari 2012 heeft de gemeente [gemeente] aan Randstad laten weten niet tevreden te zijn over de werkzaamheden van [A] en de Gemeente [gemeente] heeft om die reden de overeenkomst met Randstad beëindigd. Randstad heeft vervolgens de overeenkomst met [A] per 23 februari 2012 opgezegd.

1.19.

Vervolgens is tussen partijen gecorrespondeerd met betrekking tot de beëindiging van de overeenkomst alsmede de (wijze van indiening van de) facturen.

1.20.

Op 21 november 2012 heeft Randstad de facturen van [A] d.d. 1 februari 2012 en 28 februari 2012 voldaan. Het betreft in totaal een bedrag van € 7.947,64.

1.21.

Bij dagvaarding van 27 november 2012 heeft [A] gevorderd om Randstad te veroordelen tot betaling van de door hem ingediende facturen van 1 februari 2012 en 28 februari 2012. Daarnaast heeft hij gevorderd om Randstad te veroordelen tot betaling van € 47,50 per uur tegen een urenomvang van 32 uur per week over de periode van 23 februari 2012 tot 1 juli 2012.

1.22.

Bij verstekvonnis van 3 januari 2013 heeft de kantonrechter Randstad veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 44.682,94, vermeerderd met rente en kosten. Van dit vonnis komt Randstad thans in verzet.

2 De beoordeling van het geschil

2.1.

Niet in geschil is dat Randstad tijdig van het verstekvonnis van 3 januari 2013 verzet heeft gedaan, zodat zij zal worden ontvangen in haar vordering.

2.2.

Randstad heeft als primair verweer gevoerd dat de kantonrechter niet bevoegd is om van de vordering van [A] kennis te nemen, omdat de rechtsverhouding waarop [A] deze vordering baseert als een overeenkomst van opdracht en niet als een arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.

2.3.

Partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling kunnen deze overeenkomst op verschillende wijzen inrichten. Wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel kenmerk beslissend maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (HR 14 november 1997, NJ 1998, 149 en HR 10 december 2004, LJN: AP2651).

2.4.

[A] heeft erkend althans niet betwist dat hij in opdracht van Randstad als zzp’er werkzaamheden zou verrichten bij de gemeente [gemeente]. [A] stelt evenwel dat de overeenkomst in materiële zin lijkt op een arbeidsovereenkomst dan wel karaktertrekken vertoont van een arbeidsovereenkomst.

2.9.

Gelet op de korte periode waarin [A] werkzaamheden heeft verricht kan naar het oordeel van de kantonrechter evenwel niet worden vastgesteld dat partijen een zodanige invulling hebben gegeven aan hun rechtsverhouding dat deze - in afwijking van hetgeen partijen bij aanvang hebben beoogd - moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. [A] heeft ook geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit dit laatste kan worden afgeleid. Weliswaar heeft hij gesteld dat hij recht heeft op betaling van een vergoeding voor minimaal 32 uren in de week, ook als hij niet heeft gewerkt, maar uit de wijze waarop [A] zijn uren heeft gedeclareerd blijkt het tegendeel. Zo staat vast dat hij, conform de overeenkomst, enkel de gewerkte uren heeft gedeclareerd. Op 3 februari 2012, 7 februari 2012 tot en met 10 februari 2012 en 13 februari 2012, dagen waarop [A] wegens cursus, ziekte en lastige reisomstandigheden geen werkzaamheden heeft verricht, heeft [A] immers geen uren gedeclareerd.

2.10.

Bovendien wijzen de omstandigheden dat [A] in het bezit is van een VAR-Wuo verklaring, hij in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven, een btw-nummer gebruikt en een eigen tarief hanteert er op dat partijen uitvoering hebben gegeven aan een overeenkomst van opdracht. Daar komt bij dat [A] niet heeft gesteld dat tussen hem en Randstad een gezagsverhouding bestaat.

2.11.

Op grond van het voorgaande moet naar het oordeel van de kantonrechter worden aangenomen dat partijen niet hebben beoogd een arbeidsovereenkomst aan te gaan en evenmin op een zodanige wijze feitelijk aan hun overeenkomst uitvoering hebben gegeven. Dit brengt mee dat de tussen partijen bestaande rechtsverhouding moet worden gekwalificeerd als overeenkomst van opdracht. Nu de op deze rechtsverhouding gebaseerde vordering van [A] een bedrag van € 25.000,00 te boven gaat, is de kantonrechter op grond van artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in absolute zin onbevoegd om hiervan kennis te nemen. De vraag of de relatie tussen partijen mede moet worden gekwalificeerd als een arbeidsverhouding in de zin van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 kan eventueel in de hoofdzaak aan de orde komen. Op grond van artikel 71 Rv zal de zaak dan ook worden verwezen naar de civiele rechter van de afdeling privaatrecht van deze rechtbank, locatie Groningen.

2.14.

De civiele rechter van de afdeling privaatrecht zal beslissen over de proceskosten in deze procedure.

BESLISSING

De kantonrechter:

  • -

    verklaart het verzet deels gegrond;

  • -

    vernietigt het op 3 januari 2013 door de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Groningen, tussen partijen onder zaak-/rolnummer 569569 CV EXPL 13502 gewezen verstekvonnis;

en opnieuw rechtdoende:

- verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;

  • -

    verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de civiele rechter van de afdeling privaatrecht van deze rechtbank, locatie Groningen;

  • -

    bepaalt dat de zaak wordt ingeschreven op de rol van woensdag 30 oktober 2013;

- wijst partijen erop dat zij voor wat betreft het vervolg van deze procedure slechts door tussenkomst van een advocaat proceshandelingen kunnen verrichten;

- wijst partijen erop dat de rechter van de civiele rechter van de afdeling privaatrecht zal beslissen over de proceskosten in deze procedure.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Bootsma, kantonrechter, en op 3 oktober 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: mb