Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5984

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
367493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht. In de plaatsstelling huurder. Hebben partijen bij overeenkomst hun rechtsverhouding zou geregeld dat de huurder een ander in haar plaats mag stellen? Moet de vordering tot betaling van een boete in verband met niet tijdige betaling, het vorderen van de boete worden aangezegd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 367493 \ CV EXPL 13-984

vonnis van de kantonrechter van 8 oktober 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap [eiser],

die woonplaats kiest in [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. A.J.A. van Dijk, die kantoor houdt in Almere,

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde],

die gevestigd is in [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.T. Slofstra, die kantoor houdt in Roden.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 september 2012;

- de conclusie van antwoord 2 april 2013;

- de conclusie van repliek van 4 juni 2013;

- de conclusie van dupliek van 30 juli 2013.

Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat dit vonnis vandaag wordt uitgesproken.

Op 1 januari 2013 is de Wet Herziening Gerechtelijke kaart in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum samen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland wijst daarom dit vonnis.

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten die vaststaan omdat die feiten enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of niet voldoende zijn weersproken, of omdat die feiten blijken uit de in zoverre onweersproken gebleven inhoud van de overgelegde producties.

[eiser] heeft haar bedrijfspand aan de [adres] aan [gedaagde] verhuurd.

De daartoe gesloten overeenkomst is door een rechtsvoorganger van [eiser] met [gedaagde] gesloten. In de akte waarin deze partijen de huurovereenkomst hebben neergelegd is als artikel 8.10 opgenomen:

Het is huurder toegestaan van rechtsvorm en van naam te veranderen als huurder, alsmede de onderhavige overeenkomst over te dragen aan de op te richten entiteit welke het gehuurde zal gebruiken.

De verhuurde bedrijfsruimte is vanaf de aanvang van de huur gebruikt door Mensport Benelux B.V. en door AML Roden B.V. ( i.o.).

Op 30 december 2008 schrijft [gedaagde] aan [eiser], voor zover van belang:

Zoals u bekend wordt het pand aan de [adres] gehuurd door twee bedrijven die belast worden door [gedaagde].

In overleg met onze accountant Ernst & Young verzoek ik u deze bedrijven rechtstreeks te belasten. De gegevens zijn als volgt;

AML Roden BV

(…)

70% van de huursom € 2.916,67 excl. BTW

Mensport Benelux BV

(…)

30% van de huursom € 1.250,= excl. BTW

Op 7 januari 2009 schrijft [eiser] aan [gedaagde], voor zover van belang:

Naar aanleiding van uw verzoek tot opsplitsen van de huurfactuur hebben wij het totaal bedrag in twee delen opgesplitst. Het is voor ons niet mogelijk de adressering aan te passen daar wij met u een huurovereenkomst hebben en niet met beide bedrijven.

Berekend tot en met de maand juni 2012 is een huurachterstand ontstaan ter grootte van
€ 43.790,53.

De vordering en het verweer

[eiser] vordert, verkort weergeven, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van
€ 49.9775,53 vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stelt [eiser], samengevat weergegeven, dat zij bedrijfsruimte heeft verhuurd aan [gedaagde] die de daarvoor overeengekomen huur niet, niet volledig en/of niet tijdig heeft betaald, zodat een huurachterstand is ontstaan. [eiser] stellen verder dat op grond van de huurovereenkomst en de toepasselijke algemene bepalingen, zij recht heeft op betaling van de huurachterstand, een vergoeding van rente daarover, betaling van een boete ter grootte van € 300,-- voor iedere maand dat [gedaagde] zijn betalingverplichting niet is nagekomen, een vergoeding van forfaitair te begroten incassokosten en vergoeding van proceskosten.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], althans tot afwijzing van haar vordering en veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Daartoe voert [gedaagde] aan, samengevat weergegeven, dat zij met de rechtsvoorganger van [eiser] een huurovereenkomst heeft gesloten die het voor haar mogelijk maakte dat op het moment dat AML Roden B.V. werd opgericht, deze vennootschap zelfstandig medehuurder van het bedrijfspand zou worden. [gedaagde] stelt dat zij na oprichting van deze vennootschap daartoe op 30 december 2008 een verzoek aan [eiser] heeft gedaan en dat zij vanaf dat moment erop mocht vertrouwen dat zij niet (meer) aansprakelijk zou zijn voor de door AML Roden B.V. te betalen huur. [gedaagde] stelt verder dat zij in ieder geval niet tot betaling van de door [eiser] begrote achterstand kan worden veroordeeld, omdat het aan AML Roden B.V. toe te rekenen deel van het bedrijfspand met ingang van 1 maart 2012 is verhuurd aan "Noorderbrug". [gedaagde] betwist dat zij een boete is verschuldigd, op de grond dat zij nooit tot betaling daarvan is aangesproken tot het moment dat de dagvaarding aan haar is betekend. Volgens [gedaagde] zal de boete in het licht van alle omstandigheden van het geval moeten worden gematigd en is zij ook niet gehouden om wettelijke rente te vergoeden, omdat zij de zaken niet op zijn beloop heeft gelaten, maar steeds direct heeft gereageerd en gereclameerd. [gedaagde] betwist de gehoudenheid tot vergoeding van incassokosten, waartoe zij aanvoert dat [eiser] ervoor heeft gekozen de zaak te laten voortduren terwijl de standpunten al lang en breed bekend waren en incassokosten - waarvan ook niet duidelijk is welke kosten dat zijn - daarom onnodig zijn gemaakt.

De beoordeling

Het gaat in deze zaak, met het oog op een doelmatige bespreking samengevat weergegeven, om het volgende. [gedaagde] sluit met de rechtsvoorganger van [eiser] een huurovereenkomst voor de huur van een bedrijfspand. Ten tijde van de totstandkoming van die overeenkomst wil [gedaagde] dat zij of haar dochtervennootschap Mensport Benelux B.V., het bedrijfspand zal gaan huren, samen met de besloten vennootschap in oprichting AML Roden B.V. i.o.. Daarmee stemt de rechtsvoorgang van [eiser] niet in en uiteindelijk komen partijen overeen dat [gedaagde] het bedrijfspand alleen zal gaan huren. Partijen lopen in de huurovereenkomst wel vooruit op de mogelijkheid dat dit in de toekomst wordt gewijzigd, omdat het bedrijfspand feitelijk zal worden gebruikt door een dochtervennootschap van [gedaagde] - Mensport Benelux B.V. - en de nog op te richten besloten vennootschap AML Roden B.V. i.o. Op een bepaald moment verzoekt [gedaagde] [eiser] om de huur niet meer aan haar in rekening te brengen maar in een bepaalde verhouding aan laatstgenoemde vennootschappen. Dat doet [eiser]. Vervolgens ontstaat een aanzienlijke huurachterstand als vanaf een zeker moment AML Roden B.V. haar deel van de huur niet meer betaald. Tot betaling van de huurachterstand spreekt [eiser] [gedaagde] aan. Die wijst iedere aansprakelijkheid af, onder meer op de grond dat zij niet meer de huurder was op het moment dat de huurschuld ontstond. Ten aanzien van de tegen deze achtergrond tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de kantonrechter als volgt.

Tussen partijen is in geschil welke betekenis aan art. 8.10 van hun huurovereenkomst toekomt. Partijen bepleiten aan de hand van verschillende en uiteenlopende feiten en omstandigheden een bepaalde uitleg van die bepaling. De kantonrechter oordeelt dat wat partijen over en weer stellen en aanvoeren niet noopt tot een uitleg van de huurovereenkomst. Daarvoor is redengevend dat [gedaagde] niet stelt zij bevoegd was om eenzijdig, dat wil zeggen zonder voorafgaande toestemming van (de rechtsvoorganger van) [eiser], een andere (rechts)persoon in haar plaats te laten treden als huurder. [gedaagde] stelt evenmin dat [eiser] haar toestemming heeft gegeven een deel van haar verplichtingen te laten overgaan op een gedeeltelijk in haar plaats te stellen derde. Reeds hierop stuit het verweer van [gedaagde] af dat zij geen huurder meer was toen de huurschuld ontstond.

Voor zover [gedaagde] wel heeft bedoeld te stellen dat de huurovereenkomst haar bevoegd maakte om eenzijdig een derde in haar plaats te mogen stellen, kan haar dat overigens niet baten, omdat zoals hierna blijkt uit de door uitleg vast te stellen inhoud van de overeenkomst niet volgt dat [gedaagde] die bevoegdheid heeft.

Het komt bij het geven van de uitleg van de huurovereenkomst niet aan op de letterlijke tekst van de huurovereenkomst of van art. 8.10 van de huurovereenkomst, maar op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat partijen te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij het geven van de uitleg van de huurovereenkomst slaat de kantonrechter acht op alle feiten en omstandigheden van het geval en kent hij in het bijzonder betekenis toe aan het navolgende.

Uit de door partijen over en weer betrokken stellingen volgt dat [gedaagde] (althans de besloten vennootschap Mensport Benelux B.V.) van aanvang af met de toen nog op te richten besloten vennootschap AML de bedrijfsruimte wilde gaan huren, maar dat (de rechtsvoorganger van) [eiser] daarmee niet wilde instemmen, omdat zij niet wilde contracteren met een besloten vennootschap in oprichting. Er is daarom gekozen voor een rechtsverhouding waarbij [gedaagde] zich jegens (de rechtsvoorganger van) [eiser] als huurder zou binden. Wel werd daarbij vooruitgelopen op een mogelijke wijziging in die rechtsverhouding, waartoe art. 8.10 in de huurovereenkomst is opgenomen.

Uit wat partijen daarover stellen in samenhang beschouwd met de redactie van art. 8.10 van de huurovereenkomst, volgt dat partijen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst oog hadden voor de situatie die hieruit bestond dat [gedaagde] formeel de huurder van de bedrijfsruimte zou worden terwijl nog niet duidelijk was of [gedaagde] ook daadwerkelijk van het huurrecht gebruik zou gaan maken, omdat zij wellicht de activiteiten waarvoor de bedrijfsruimte werd gehuurd wilde gaan onderbrengen in een nieuw op te richten vennootschap.

Wat [gedaagde] daartegenover stelt biedt onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat partijen tegen deze achtergrond met art. 8.10 van de huurovereenkomst (ook) hebben willen regelen dat [gedaagde] de bevoegdheid zou krijgen om (eenzijdig) een andere huurder (al dan niet gedeeltelijk) in haar plaats te stellen of als medehuurder aan te wijzen, zonder instemming van (de rechtsvoorganger van) [eiser].

[gedaagde] mocht evenmin erop vertrouwen dat [eiser] met een wijziging (stilzwijgend heeft ingestemd op grond van de na het sluiten van de huurovereenkomst opgekomen omstandigheid dat [eiser] de facturering van de huur op haar verzoek heeft gesplitst. Daarvoor is redengevend dat de brief van 30 december 2008 waarin [gedaagde] een daarop gericht verzoek doet aan [eiser], er geen blijk van geeft dat [gedaagde] met die brief beoogt de rechtsverhouding tussen partijen zodanig nader te regelen dat voortaan [gedaagde] slechts nog maar ten dele tot betaling van de huur zou kunnen worden aangesproken omdat voortaan met haar een ander het bedrijfspand voor een bepaald gedeelte zou gaan huren. Anders dan [gedaagde] stelt onder randnummer 16 van de conclusie van antwoord, kan ook niet blijken dat dit verzoek mede namens [X] (waarmee [gedaagde] waarschijnlijk bedoelt AML Roden B.V.) doet. De kantonrechter stelt vast dat wat hieromtrent onder randnummer 16 van de conclusie van antwoord wordt gesteld, door [gedaagde] zelf bij dupliek wordt ontkracht als zij daar stelt dat [X] (waarmee [gedaagde] ook dan waarschijnlijk bedoelt AML Roden B.V. ) doordat op grond van de gewijzigde facturering AML Vastgoed B.V. zelf huur ging betalen aan [eiser], ervan mocht worden uitgegaan dat deze vennootschap huurder van [eiser] was geworden.

Reeds op grond van het voorgaande mocht [gedaagde] aan de gewijzigde facturering van de huur niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat zij niet langer tot betaling van de volledige huur zou kunnen worden aangesproken.

Om deze reden kan verder onbehandeld worden gelaten of, en zo ja welke, betekenis toekomt aan de stelling van [eiser] dat zij met haar op 7 januari 2009 gedateerde brief op het verzoek van [gedaagde] negatief heeft gereageerd en de stelling van [gedaagde] dat zij die nooit heeft ontvangen.

Een en ander leidt tot de slotsom dat [gedaagde] kan worden aangesproken tot nakoming van de huurovereenkomst en daarom tot betaling van de huurachterstand.

Voor zover [gedaagde] hiertegen aanvoert dat [eiser] met ingang van 1 maart 2012 verhuurt aan "Noorderbrug" staat dat aan toewijzing van de vordering tot betaling van de huurachterstand niet in de weg. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat zij de bedrijfsruimte aan "Noorderbrug" heeft verhuurd. Dat wordt door [gedaagde] in haar conclusie van dupliek weliswaar in twijfel getrokken, maar [gedaagde] stelt geen voor bewijs vatbare feiten dat "Noorderbrug" huurder is geworden van de bedrijfsruimte in de periode waarvoor [gedaagde] tot betaling van de huur wordt aangesproken.

De vertraging in de nakoming van de betalingsverplichting door [gedaagde] geeft grond de gevorderde vergoeding van wettelijke rente ter compensatie van de vertragingsschade toe te wijzen. Dat [eiser] [gedaagde] ook eerder had kunnen dagvaarden, zoals [gedaagde] tot haar verweer aanvoert, vertaalt zich gelet op de strekking van art. 6:119 lid 1 BW niet in een relevant argument dat zich tegen toewijzing van de gevorderde vergoeding van wettelijke rente verzet.

Toegewezen zal overigens worden de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW en niet de gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW. Daarvoor is redengevend dat de kantonrechter ambtshalve moet beoordelen of de "normale" wettelijke rente voor vergoeding in aanmerking komt.

De wettelijke handelsrente is verschuldigd als sprake is van een handelsovereenkomst die neerkomt op een verbintenis tot levering van goederen of diensten om baat. De huurovereenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten valt daarom buiten de reikwijdte van art. 6:119a BW.

Ten aanzien van de vraag of [eiser] betaling van een boete kan vorderen, wordt als volgt overwogen. Op de huurovereenkomst zijn algemene bepalingen van toepassing. Daarin is als artikel 18.2 opgenomen:

Telkens indien een uithoofde van de huurovereenkomst door de huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2 % van het verschuldigde per kalendermaan, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,-- per maand.

Zonder nadere toelichting die [gedaagde] niet geeft, is niet begrijpelijk waarom [eiser] alleen wanneer dit (uitdrukkelijk) aan [gedaagde] zou zijn aangezegd, aanspraak mag maken op de in art. 18.2 van de algemene bepalingen geregelde boete. Het boetebeding heeft - in tegenstelling van de algemene boetebepaling die als artikel 7 in de algemene bepalingen is opgenomen - juist een wezenlijk andere strekking. Het in art. 18.2 geregelde boetebeding beoogt te regelen dat voor het vorderen van de boete bij wanbetaling juist géén aanmaning of een andere voorafgaande verklaring nodig is.

Voor zover [gedaagde] een beroep doet op de matigingsbevoegdheid van de rechter, stelt zij onvoldoende om die bevoegdheid te kunnen uitoefenen. Uit de rechtspraak volgt dat matiging alleen is toegestaan als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt (HR 27 april 2007, ECLI: NL: HR: 2007: AZ6638 ([A]/ [B]). Aan het beroep op de matigingsbevoegdheid legt [gedaagde] echter geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag waaruit dit zou kunnen blijken.

Een en ander betekent dat het verweer voor zover gericht op de vordering tot nakoming van het boetebeding, faalt.

[eiser] grondt haar vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op de huurovereenkomst en de daarop toepasselijke algemene bepalingen. [gedaagde] heeft deze contractuele grondslag en de daaruit voortvloeiende forfaitaire hoogte van de te vergoeden incassokosten, niet bestreden. Wel bestrijdt [gedaagde] met andere argumenten de vordering. Die argumenten zijn gericht op de vraag naar de redelijkheid van de gevorderde vergoeding en de vraag of de kosten redelijkerwijs zijn gemaakt.

Uit de rechtspraak volgt dat bij een contractueel bedongen vergoeding van buitengerechtelijke kosten niet meer mag worden getoetst of de verrichte werkzaamheden en de daaraan verbonden kosten redelijk zijn en redelijkerwijs gemaakt moesten worden (zie hiervoor de beoordeling onder 5 van het middel in het incidentele beroep in HR 24 september 2004, ECLI: NL: HR: AP7760). Het verweer van [gedaagde] miskent dit en faalt daarom. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal moeten worden toegewezen.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de op de gebruikelijke wijze te begroten kosten van deze procedure.

De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 43.790,53 te vermeerderen met de wettelijke rente over de afzonderlijke huurtermijnen, te rekenen vanaf de respectievelijke vervaldata tot aan de dag waarop iedere termijn volledig is voldaan,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 4.200,--

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 1.785,--

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 76,17 aan dagvaardingskosten, € 873,00 aan vast recht en € 900,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2013.

typ/conc: 216/BRT

coll: