Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5705

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
18/830355-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Openlijk geweld, in vereniging, waarbij het slachtoffer is geslagen met een lifehammer. Beroep op noodweer(exces) verworpen. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830355-13

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

23 september 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op[geboortedag] 1985 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel, Ter Apelervenen 10 te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

9 september 2013. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Groningen, op de openbare weg, de Gedempte

Zuiderdiep, althans op een openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk

te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te

dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan die [aangever] of aan een derde, die [aangever]

om een paar euro/een geldbedrag heeft gevraagd en/of (vervolgens) die

[aangever] heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of heeft geslagen

met een lifehammer, althans een hard en/of puntig voorwerp,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Groningen, op de openbare weg, de Gedempte

Zuiderdiep, althans op een openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen

een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), die

[aangever] heeft aangesproken en/of deze om een paar euro/een geldbedrag heeft

gevraagd en/of heeft geprobeerd die [aangever] vast te pakken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan

zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn

mededader(s) die [aangever] hebben/heeft gestompt en/of geslagen en/of

geschopt en/of hebben/heeft geslagen met een lifehammer, althans een hard

en/of puntig voorwerp;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Groningen met een ander of anderen, op of

aan of zichtbaar vanaf de openbare weg, de Gedempte Zuiderdiep, in elk geval

op of aan of zichtbaar vanaf een openbare weg, openlijk in vereniging geweld

heeft gepleegd tegen [aangever], welk geweld bestond uit het stompen

en/of slaan en/of schoppen en/of met een lifehammer, althans een hard en/of

puntig voorwerp, slaan van die [aangever], waarbij hij, verdachte, die

[aangever] heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of met die

lifehammer/dat vooorwerp heeft geslagen, en welk door hem gepleegd geweld enig

lichamelijk letsel voor die [aangever] ten gevolge heeft gehad;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Groningen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever] heeft gestompt en/of

geslagen en/of geschopt en/of met een lifehammer, althans een hard en/of

puntig vooorwerp, heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend is bewezen dat er gevraagd is om geld. Op basis van de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] is wel bewezen dat [aangever] is mishandeld door twee mannen. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij één van die twee mannen was. Uit de verklaringen van aangever, [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] en uit het DNA-onderzoek en het letsel van aangever blijkt dat verdachte degene was die de lifehammer gehanteerd heeft en aangever daarmee heeft geslagen. De officier van justitie acht daarmee het meer subsidiair ten laste gelegde, openlijk geweld, wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor algehele vrijspraak. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen die aangever heeft afgelegd, onduidelijk en tegenstrijdig zijn. Bovendien blijkt uit het dossier dat aangever contact heeft gehad met getuige [getuige 1]. Omdat de verklaringen van aangever onbetrouwbaar zijn, moeten deze verklaringen worden uitgesloten van het bewijs. Ook de verklaring van getuige [getuige 1], zo heeft de raadsvrouw gesteld, kan niet worden gebezigd als bewijsmiddel. [getuige 1] stond op ongeveer 100 meter verwijderd van het incident en de confrontatie die de politie later heeft laten plaatsvinden met verdachte is niet volgens de regels der kunst gegaan. Mogelijk is [getuige 1] daarbij beïnvloed door een agent. Als de verklaringen van aangever en [getuige 1] worden uitgesloten, is er onvoldoende bewijs voor alle ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het DNA-onderzoek heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de lifehammer ook is aangeraakt door een verbalisant en dat het daarom frappant is dat er geen ander DNA is aangetroffen. Daarbij komt dat DNA ook op andere manieren wordt verspreid. Het rapport betreffende het DNA-onderzoek kan daarom niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Dat verdachte op enig moment de lifehammer heeft vast gehad, zegt niets over het gebruik van de lifehammer.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, telkens zakelijk weergegeven.

De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd:

Ik word ook wel [bijnaam verdachte] genoemd. Ik heb gevochten, maar ik moest mijzelf verdedigen. Ik heb een lifehammer van de grond gepakt.

Een proces-verbaal d.d. 29 mei 2013, opgenomen op pagina 18 t/m 20 van dossier nr. 2013053051 d.d. 30 juli 2013, inhoudende de verklaring van aangever [aangever]:

Omstreeks 05:10 uur fietste ik over het fietspad langs het Zuiderdiep. De Marokkaanse jongens stonden bij Pathe. Ik weet dat ik flinke klappen heb gehad over mijn hele lichaam. Ik heb vannacht ook klappen gekregen met de vuist of blote hand, maar zeker weten ook met een voorwerp.

Een schriftelijk stuk, te weten een medische verklaring, opgenomen op pagina 28 van voormeld dossier, inhoudende:

Hierbij de gegevens van het consult van 30 mei.

Schaafwond op de rechterschouder, oppervlakkig, 2 cm, en blauwe plek.

Op de behaarde hoofdhuid links parietaal en frontaal oppervlakkige snijwond van resp. 1 en 2 cm.

Hematoom en schaafwond onder het linkeroog en linkerneusvleugel, iets gezwollen.

Een proces-verbaal d.d. 29 mei 2013, opgenomen op pagina 32 en 33 van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1]:

Vandaag, 29 mei 2013, omstreeks 05:20 uur, zat ik op het Gedempte Zuiderdiep in mijn auto te wachten. Ik stond vlak voor bioscoop Pathe geparkeerd. Ik zag dat een fietser voorbij kwam fietsen. Ongeveer honderd meter voor mij stonden twee mannen. Ik zag dat de fietsende man ineens van zijn fiets werd getrokken door deze twee andere mannen. Toen zag ik dat ze begonnen te vechten. Ik heb duidelijk gezien dat de twee mannen de fietser hebben geslagen, op zijn hoofd en overal eigenlijk. Ik zag dat ze dit met gebalde vuist deden. Ook zag ik dat één van de mannen de fietser met een ruitentikker sloeg. Hiermee bedoel ik een oranje slaghamertje met metalen kop.

Een proces-verbaal d.d. 29 mei 2013, opgenomen op pagina 61 t/m 67 van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3]:

Op een gegeven moment hoorde ik het geluid van een vallende fiets. Ik zag een Nederlandse jongen tegenover [bijnaam verdachte] staan. [bijnaam verdachte] sloeg en schopte die Nederlandse jongen. Op een gegeven moment zag ik het zwaar bebloede gezicht van de Nederlandse jongen en ik dacht dat [bijnaam verdachte] dit nooit gedaan kon hebben met zijn handen. Misschien heeft hij dit wel gedaan met die ruitentikker.

De allereerste keer dat de politie kwam vonden de agenten een ruitentikker op de grond. Toen de agenten weggingen pakte [bijnaam verdachte] de ruitentikker uit de auto en deed deze in zijn tasje, dat om zijn nek hing.

Een proces-verbaal d.d. 30 mei 2013 (in vraag/antwoord vorm), opgenomen op pagina 95 t/m 101 van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2]:

V: Door getuige [getuige 1] is verklaard dat het slachtoffer is geslagen met een lifehammer. Weet je wat dat is?

A: nee.

V: Een ruitentikker. Weet je wat dat is?

A: Ja. Maar dat heb ik bij [verdachte] gezien. Hij had het eerder op de avond bij zich in zijn zak.

V: Welke kleur had deze lifehammer?

A: Ik denk oranje.

Rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek d.d. 1 augustus 2013 van het Nederlands Forensisch Instituut, los gevoegd bij voormeld dossier.

Proces-verbaal d.d. 19 augustus 2013, los gevoegd bij voormeld dossier, als relatering van verbalisant F. Doorn:

Op het handvat van de lifehammer is een bloedspoor aangetroffen met daarin aanwezig het DNA profiel van een man. Dit DNA profiel matcht met het in de DNA databank opgenomen DNA profiel van de verdachte [verdachte]. De matchkans van dit spoor is kleiner dan 1 op 1 miljard.

Op de punt van de lifehammer is een bloedspoor aangetroffen met daarin aanwezig het DNA profiel van een man. Dit DNA profiel matcht met het DNA profiel van het slachtoffer [aangever] afgenomen referentiemonster wangslijmvlies. De matchkans van dit spoor is kleiner dan 1 op 1 miljard.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Evenals de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot afpersing of poging tot diefstal met geweld. Dit betekent dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte zich met een ander heeft schuldig gemaakt aan openlijk geweld, waarbij het verdachte is geweest die aangever met een lifehammer heeft geslagen. Hoewel aangever, die onder invloed van alcohol was, zich niet alle details meer herinnert, is op grond van zijn verklaring en de getuigenverklaring van [getuige 1] komen vast te staan dat aangever is mishandeld door twee mannen, waarbij onder meer is geslagen met een lifehammer. Dat er wellicht contact is geweest, zoals de raadsvrouw heeft gesteld, tussen aangever en [getuige 1] doet niets af aan het feit dat aangever heeft gevoeld dat hij is geslagen met een hard voorwerp. Op basis van de verklaring van [getuige 1], het letsel van aangever en de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] is komen vast te staan dat is geslagen met een lifehammer en dat het verdachte is geweest die daarmee heeft geslagen. Dat verdachte aangever heeft geslagen met de lifehammer, wordt ook bevestigd door het DNA-onderzoek, waaruit naar voren is gekomen dat er bloed van aangever [aangever] is aangetroffen op de punt van de lifehammer en bloed van verdachte op het handvat van de lifehammer.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 29 mei 2013 te Groningen met een ander op de openbare weg, de Gedempte Zuiderdiep, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever], welk geweld bestond uit het stompen en slaan en schoppen en met een lifehammer slaan van die [aangever], waarbij hij, verdachte, die [aangever] heeft gestompt en/of geslagen en geschopt en met die lifehammer heeft geslagen, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [aangever] ten gevolge heeft gehad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

meer subsidiair

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem

gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Namens verdachte heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op noodweer. Zij heeft daartoe aangevoerd dat aangever [aangever] als eerste geweld heeft toegepast. Verdachte heeft terug geslagen uit verdediging van eigen lijf en leden.

De officier van justitie heeft gesteld dat uit het dossier niet is gebleken dat er sprake was van zelfverdediging.

De rechtbank is van oordeel dat een beroep op noodweer niet kan slagen. Niet aannemelijk is dat zich een situatie heeft voorgedaan waarin sprake was van reële dreiging van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, waaraan hij zich niet kon onttrekken en waartegen hij zichzelf mocht verdedigen. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Nu de rechtbank niet uit gaat van een noodweersituatie, behoeft het subsidiaire verweer van de raadsvrouw, inhoudende een beroep op noodweerexces, geen nadere bespreking. De rechtbank verwerpt derhalve ook dit verweer.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het meer subsidiair ten laste gelegde feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Standpunt verdediging

Namens verdachte is, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen, gepleit voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het door verdachte reeds ondergane voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn mededader op de openbare weg fysiek geweld gebruikt tegen een willekeurige persoon. Verdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van een voorwerp waarmee normaliter ruiten worden ingeslagen en het slachtoffer is gewond geraakt aan zijn hoofd. Verdachte heeft daarmee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast versterken dergelijke feiten de gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur moet worden opgelegd.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van deze straf rekening met het feit dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, ook wegens geweldsdelicten.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport d.d. 17 juli 2013, waaruit naar voren komt dat er duidelijke aanwijzingen zijn voor meerdere problemen in het leven van verdachte. Hij is onopgeleid, heeft geen werk en geen eigen woning. Daarnaast zijn er schulden. Verdachte heeft, zo stelt de reclassering, problemen op het gebied van zelfbeheersing en beschikt over weinig probleembesef en -inzicht. Ook alcoholgebruik is een aandachtspunt.

De reclassering vermoedt dat verdachte een persoonlijkheidsprobleem heeft en acht het wenselijk dat dit nader wordt onderzocht. Verdachte heeft echter aangegeven dat hij niet wil meewerken aan een psychologisch onderzoek en een behandeling. Gezien de aanwezige problemen, het vermoeden van psychische/psychiatrische problematiek en de delictgeschiede-nis van verdachte, komt de reclassering tot de conclusie dat er een risico op recidive is. De reclassering ziet geen mogelijkheden invulling te geven aan een reclasseringstoezicht.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan een psychologisch onderzoek als gevolg waarvan de rechtbank geen nader inzicht, dan zij ter terechtzitting heeft kunnen waarnemen, in de persoon van verdachte heeft verkregen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals is gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [aangever].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. Ter terechtzitting heeft mr. J.J. van der Molen de vordering nader toegelicht. De vordering bestaat uit € 100,00 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Primair heeft de raadsvrouw gesteld dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat aangever ook een behoorlijk aandeel in het geheel heeft gehad.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat [aangever] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 100,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade. Dit houdt in dat de vordering tot een bedrag van € 600,00 zal worden toegewezen.

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van het restant van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan [aangever] daarom thans in het restant van zijn vordering niet worden ontvangen en kan hij dit deel van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het meer subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever], wonende te [woonplaats], toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 600,00 (zegge: zeshonderd euro).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[aangever], te betalen een bedrag van € 600,00 (zegge: zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 100,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever], daarmee de verplichting van verdachte

om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. E.W. van Weringh, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en

mr. M.A.A. van Capelle, rechters, in tegenwoordigheid van A.W. ten Have-Imminga als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 september 2013.

Mr. Van Capelle was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.