Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5682

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
27-09-2013
Zaaknummer
565924 - CV EXPL 12-12088
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Zorgverplichting 7:658, 1e lid. Geen schending van de verplichting.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/185
AR-Updates.nl 2013-0758
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 565924 \ CV EXPL 12-12088

Vonnis d.d. 25 september 2013

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats],

eiser, hierna [eiser] te noemen,

gemachtigde mr. F.P. de Jong, werkzaam bij Palsgroep te Emmen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hecs B.V.,

gevestigd te 3454 PW De Meern, Veldzigt 3,

gedaagde, hierna te noemen Hecs,

gemachtigde mr. P. van den Berg, advocaat te Spijkenisse (postbus 61, 3201 BA).

DE VERDERE PROCESGANG

[eiser] heeft bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Hecs te veroordelen tot betaling van een bedrag aan hoofdsom van

€ 296.678,12, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 25.000,00 vanaf 21 mei 2008 en de wettelijke rente over € 271.675,12 vanaf de datum van opeisbaarheid en tevens Hecs te veroordelen de overige materiële schade te betalen waaronder pensioenschade, en het wegvallen van de leaseauto en overige schade ten titel van v.a.v. nader op te maken bij staat met veroordeling van Hecs in de proceskosten

Hecs heeft de vorderingen betwist.

Bij vonnis van 16 januari 2013 is een comparitie van partijen bepaald.

Die comparitie heeft plaatsgehad op 28 maart 2013. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun raadslieden. Voor Hecs is verschenen directeur grootaandeelhouder [directeur 1] en financieel directeur[directeur 2].

Partijen hebben ter comparitie een nadere toelichting op hun standpunten verstrekt. Vervolgens hebben zij nader geconcludeerd. [eiser] heeft bij repliek de rechtsgronden van zijn vorderingen aangevuld en heeft tevens zijn eis vermeerderd. Aan hoofdsom wordt thans gevorderd een bedrag van € 340.166,12.

Hecs heeft bij dupliek een productie overgelegd. Hecs heeft bezwaar gemaakt tegen de aanvulling van rechtsgronden. [eiser] heeft bij akte op de overgelegde productie gereageerd. Vonnis is nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1 De feiten

1.1

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken alsmede gelet op de overgelegde stukken voor zover niet betwist, het volgende vast.

1.2

[eiser] is rond [datum] 1991 bij de rechtsvoorganger ( te weten [naam] Productie en Evenementen Service BV) van Hecs in dienst getreden. Het laatstelijk geldende brutosalaris bedroeg € 3.655,87 per maand, zulks exclusief vakantietoeslag. De overeengekomen functie is die van administratief medewerker/ intercedent/ planner/ vestigingsmanager.

1.3

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst ondertekend op 22 december 1997, is onder meer vermeld: "Voorbereidende werkzaamheden omvatten voor een groot gedeelte de werkplanning welke met grote accuratesse uitgevoerd dient te worden, waarbij werknemer doorlopend gedurende zeven dagen per week beschikbaar c.q. bereikbaar dient te zijn."

In de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2002 is onder meer bepaald dat het dienstverband voor 45 uur per week is.

1.4

[eiser] is in 2002 mishandeld door een uitzendkracht van [naam] Uitzendbureau, de heer [A]. [eiser] heeft dit direct bij de directie gemeld.

Ter zake is geen aangifte bij de politie gedaan.

1.5

[eiser] is vanaf omstreeks april 2006 tot 2008 bedreigd door de heer [B] die aangaf dat hij optrad namens een aantal voormalige uitzendkrachten van Hecs die niet tevreden waren met de behandeling van Hecs. Er is geen aangifte gedaan ter zake.

[eiser] heeft zich op 21 mei 2008 ziekgemeld voor zijn werkzaamheden.

1.6

De arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter te Groningen ontbonden bij beschikking van 19 november 2009 wegens een verstoorde arbeidsrelatie. In de beschikking is onder meer overwogen: "Die verstoring is veroorzaakt door gebeurtenissen op het werk- de mishandeling en de bedreiging- die in de risicosfeer van Hecs vallen en waarvan in ieder geval [eiser] geen verwijt kan worden gemaakt." De arbeidsovereenkomst is ontbonden met ingang van 1 januari 2010 onder toekenning van een vergoeding aan [eiser] ter laste van Hecs van € 47.380,08 zulks op basis van factor C is 1.

1.7

In de probleemanalyse van 3 maart 2011 vermeldt verzekeringsarts [naam] onder meer: " Door de psychische aandoening ervaart cliënt belemmeringen waardoor hij zich arbeidsongeschikt acht voor de maatgevende arbeid vanwege gebrek aan concentratie, door angstaanvallen en door een energetische beperking. Op 1 februari 2011 heeft hij zich vanuit de WW ziekgemeld met een toename van reeds langer bestaande klachten. Na het afronden van therapieën bij VNN bleven de klachten met name de spanningen. Door de klachten is hij beperkt in concentreren, door angstklachten, is energetisch beperkt, beperkt in plannen, aandacht verdelen, werken met deadlines en productiepieken en daarom is hij arbeidsongeschikt. De klachten zijn het gevolg van life-events: in 2002 is hij op het werk mishandeld. Tussen 2006-2008 is hij afgeperst en bedreigd. Hij is nog niet adequaat in therapie maar binnenkort verwezen naar Lentis. Therapie is een voorwaarde voor Ziektewet."

Als maatgevende functie is vermeld vestigingsmanager van een uitzendbureau 40 u/w en als eerste arbeidsongeschiktheidsdag is vermeld 1 februari 2011.

1.8

Bij brief van 11 mei 2010 heeft de (toenmalige) gemachtigde van [eiser] Hecs aansprakelijk gesteld op basis van artikel 7:658 BW, subsidiair op basis van artikel 7:611 en 6:162 BW.

1.9

[eiser] heeft bij verzoekschrift van 7 september 2011 verzocht een voorlopig deskundigenbericht te gelasten ex artikel 202 Rv. en een deskundige te benoemen voor het beantwoorden van de in het verzoekschrift opgeworpen vragen. Hecs heeft niet gereageerd en is ook niet bij de mondelinge behandeling van dat verzoek verschenen.

Bij beschikking van 7 november 2011 is als deskundige benoemd [psychiater], psychiater te Haren, waarbij is opgedragen onderzoek in te stellen en verslag te doen ter zake van de in die beschikking vermelde vragen. De deskundige heeft op 2 juli 2012 verslag uitgebracht.

1.10

Psychiater [psychiater] heeft als deskundige in zijn rapport, onder meer, op de hieronder vermelde vragen de navolgende antwoorden gegeven:

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen?

Antwoord: hiervoor wordt verwezen naar de beschrijving van de voorgeschiedenis en de speciële anamnese van de anamnestische gegevens.

b. Wilt u bij antwoord op de vraag 1.a aangeven welke gegevens u ontleent aan het relaas van betrokkene en welke u ontleent aan onderzoek van de door u verkregen medische gegevens?

Antwoord: de onder 1.a genoemde gegevens zijn ontleend aan het relaas van betrokkene.

c. Wat zijn uw bevindingen bij psychiatrisch en eventueel hulponderzoek?

''Antwoord: bij mijn psychiatrisch onderzoek constateerde ik de nodige verschijnselen van een posttraumatische stressstoornis.

d. Wat is de diagnose op uw vakgebied?

"Antwoord: verwezen wordt naar het onderdeel "Diagnose D.S.M. IV-R".

e Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA guide, laatste druk), aangevuld met eventuele richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging?

Antwoord: conform de AMA-guide (zesde druk, 2009): M&D Impairment: 10 %.

f. Welke beperkingen ondervindt betrokkene naar uw oordeel in zijn huidige toestand in het dagelijks leven, bij de vrijetijdsbesteding, bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van loonvormende arbeid? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

"Antwoord: als gevolg van de terugkerende schrik- en angstreacties, de verhoogde prikkelbaarheid en overmatige waakzaamheid met het daarmee gepaard gaande vermijdingsgedrag kan onderzochte zich minder goed dan voorheen concentreren, kan hij ook minder goed de aandacht houden bij hetgeen hij doet en is hij sneller afleidbaar. Hij neemt weinig initiatieven, hij vermijdt veel sociale situaties en hij geniet onvoldoende van zijn activiteiten. In meer algemene zin kan men zeggen dat zijn plezier in de dingen en de souplesse is afgenomen.

g. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

Antwoord: onderzochtes huidige toestand en resterende klachten en psychopathologische verschijnselen zullen op den duur kunnen verbeteren c.q. minder nadrukkelijk aanwezig zijn. Echter, voordat het proces van herstel van de met de post traumatische stressstoornis gepaard gaande klachten en verschijnselen in gang gezet kan worden, zal onderzochte in de gelegenheid gesteld moeten worden met zijn voormalig werkgever serieus in gesprek te komen over hetgeen hem is overkomen in zijn werk en over de wijze waarop de directie tegenover hem tekort is geschoten in haar zorgplicht.

h. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

Antwoord: zie bij g

i. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering der Wal verslechtering verwacht?

Antwoord: zie bij g.

j. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1.e) en de beperkingen (als bedoeld in vraag 1.f)?

Antwoord: ik verwacht dat onderzochtes klachten en psychopathologische verschijnselen op den duur grotendeels zullen verdwijnen.

En tevens:

a. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, indien de genoemde gebeurtenissen betrokkene niet waren overkomen?

Antwoord: [eiser] heeft geen psychiatrische voorgeschiedenis en heeft ook voor de genoemde gebeurtenissen nooit psychiatrische of psychologische hulp nodig gehad. Ik heb in zijn verhaal noch in mijn onderzoeksobservaties en de bestudeerde informatie aanwijzingen gevonden voor zogenoemde premorbide problematiek c.q. klachten of verschijnselen.

b. Voorzover u de vorige vraag bevestigend beantwoord (dus zonder gebeurtenissen ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

Antwoord: n.v.t.

c. Kunt u aangeven welke mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1 e) en welke beperkingen (als bedoeld in vraag 1.f) uit deze klachten hadden zouden zijn voortgevloeid?

Antwoord: n.v.t.

d. Kunt u aangeven of er andere werkgerelateerde factoren aanwezig zijn geweest, die het huidig klachtenbeeld van betrokkenen (mede), direct of indirect hebben veroorzaakt?

Antwoord: onderzochtes werkbelasting was groot. Die was mede het gevolg van het feit dat hij permanent beschikbaar moest zijn voor het bedrijf. Het compliceerde de context waarin de afpersing plaatsvond en in die zin kan men zeggen, dat deze indirect bijgedragen heeft aan het ontstaan van zijn p.t.s.s. Bovendien ontbrak het aan een noodzakelijke steun en begeleiding in zijn door de afpersing ontstaan de moeilijke werksituatie. Dat heeft de p.t.s.s. en het alcoholmisbruik doen verergeren. "

2 Het standpunt van [eiser]

2.1

Met het rapport van de deskundige [psychiater] is aannemelijk gemaakt dat [eiser] lijdt aan een psychiatrische aandoening die niet zou hebben bestaan indien [eiser] bij de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Hecs de traumatische gebeurtenissen niet zou zijn overkomen.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW is het dan aan Hecs te stellen en aannemelijk te maken dat zij aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan als bedoeld in voormeld artikel.

2.2

Na de mishandeling in 2002 is [eiser] niet opgevangen dan wel begeleid door Hecs als werkgever. Er is niets gedaan aan de veiligheid van de werknemers. Dit heeft er toe kunnen leiden dat hij vervolgens vanaf april 2006 werd bedreigd door de heer [B]. [eiser] heeft Hecs van die bedreigingen op de hoogte gesteld doch Hecs heeft niets aan die situatie gedaan.

[eiser] is op 21 mei 2008 uitgevallen voor zijn werkzaamheden waarbij de diagnose burn-out/post traumatisch stressstoornis is gesteld. Die psychische klachten hebben een causale relatie met de mishandeling en bedreigingen op het werk. Als gevolg van de psychische klachten is [eiser] alcohol en cannabis gaan gebruiken.

2.3

[eiser] vordert een bedrag aan schadevergoeding bestaande uit verlies aan inkomen en tevens een bedrag aan immateriële schadevergoeding, met vergoeding van overige materiële kosten en kosten rechtsbijstand.

2.4

Bij conclusie van repliek heeft [eiser] zijn vordering aan hoofdsom vermeerderd en als aanvullende rechtsgrond het volgende gesteld. Hij is in 2002 mishandeld door de heer [A]. [A] werkte voor het uitzendbureau van Hecs en moet om die reden worden beschouwd als een ondergeschikte van (de rechtsvoorganger van) Hecs. Hecs is voor de door [A] aan [eiser] toegebrachte schade aansprakelijk op grond van het bepaalde in artikel 6:170 BW voor de geleden en nog te lijden schade van [eiser].

2.5

[eiser] heeft aannemelijk gemaakt dat het psychisch letsel en het daarmee in causaal verband staande alcoholmisbruik en cannabisgebruik veroorzaakt is in de uitoefening van de werkzaamheden. Het is niet aan [eiser] om te stellen welke zorgplicht ex artikel 7:658 eerste lid BW Hecs zou hebben geschonden.

2.6

Een vordering met betrekking tot het psychische schade op grond van artikel 7:658 BW stuit niet af op de eventuele exclusiviteit, de zogeheten Baijings-leer, van een ontbindingsvergoeding op grond van artikel 7:685 BW.

2.7

Hecs heeft geen risico inventarisatie gedaan en ook geen instructies gegeven hoe te handelen bij bedreiging en/of mishandeling. Het had op de weg van Hecs gelegen om direct een einde te maken aan de bedreigingen in 2006.

Bij de comparitie heeft de heer [directeur 1] bevestigd dat [eiser] hem vlak na aanvang van de bedreigingen door [B] daarvan op de hoogte heeft gesteld. [directeur 1] heeft [B] een auto ter beschikking gesteld in plaats van aangifte te doen van bedreiging en afpersing. Het moge zo zijn dat [eiser] heeft aangegeven dat hij er liever "geen werk van maakte", de zorgplicht van de werkgever reikte er toe dat Hecs een einde aan de praktijken van [B] had moeten maken.

2.8

Hecs heeft [eiser] zonder medeweten van [eiser], beter gemeld en is een verzoekschriftprocedure ex artikel 7:685 BW begonnen. Een beroep op eigen schuld aan de zijde van [eiser] kan niet slagen. Het ontstaan van het alcoholmisbruik is het gevolg van de PTSS.

2.9

Bij akte uitlating producties merkt [eiser] de verklaring van mevrouw [getuige] aan als uit de lucht gegrepen en niet onderbouwd. [eiser] ontkent niet het drank- en softdrugsgebruik na 2002. Hecs heeft ook bevestigd altijd tevreden te zijn geweest over het functioneren van [eiser]. Dat zou niet mogelijk zijn indien de verklaring van [getuige] juist zou zijn.

3 Het standpunt van Hecs

3.1

Hecs heeft in haar bedrijfsvoering te maken met seizoenen. Het kan met name vanaf april/mei tot oktober behoorlijk druk zijn. Daartegenover staan echter veel weken waarbij niet meer dan 3 tot 5 uur per dag gewerkt hoeft te worden. Per saldo kwam [eiser] uit op een gewone werkweek.

3.2

[eiser] heeft zijn functioneren ook gezien als een soort zelfstandig ondernemerschap waarbij hij het liefst als zelfstandig onderdeel van de [directeur 1] Groep verder wilde. Verwezen wordt naar een overgelegd rapport van Capability.

De directie bestaat uit de heren [directeur 1], doorgaans werkzaam op het kantoor te Rotterdam, en [directeur 2], destijds doorgaans werkzaam op het kantoor te Arnhem. Er was nauwelijks sprake van fysieke contacten tussen de directie en [eiser].

3.3

Het is juist dat [eiser] in 2002 is mishandeld en dat hij dit aan Hecs heeft gemeld. Hij heeft daarbij echter zelf aangegeven dat Hecs zich niet druk hoefde te maken omdat het een uit de hand gelopen incident betrof dat geen verdere aandacht behoefde. Hecs heeft hem geadviseerd aangifte te doen doch [eiser] wees dit af. In het dertigjarig bestaan van Hecs is het slechts één keer, en wel bij [eiser], sprake geweest van mishandeling van kantoorpersoneel door een uitzendkracht.

3.4

[eiser] heeft geen melding of signaal afgegeven over de bedreigingen door [B]. Slechts na onderzoek door [directeur 2] is Hecs er achter gekomen dat [eiser] werd bedreigd. Het viel op dat sommige huurcontracten voor bepaalde personenauto's heel erg lang duurden. [eiser] heeft vervolgens aan [directeur 1] aangegeven dat hij langere tijd werd bedreigd door [B]. Ook daarbij heeft [eiser] aangegeven dat hij het zelf zou oplossen en gesmeekt er verder geen werk van te maken en geen aangifte te doen. [directeur 2] had daar een ander idee over en heeft een afspraak gemaakt met [B]. Onder het aanbieden van een bepaald bedrag heeft [directeur 2] van [B] de garantie gekregen dat zowel [eiser] als Hecs nimmer meer last zouden hebben van hem en zijn groep. [directeur 2] heeft dat ook aan [eiser] gemeld en daarna is dat nooit meer voorgevallen.

3.5

Nadat duidelijk was geworden dat partijen niets meer bij elkaar te zoeken hadden, zijn aan Hecs feiten bekend geworden, ook van oud collega's, waaruit bleek dat [eiser] fervent blowde en ook fors dronk.

Hecs is altijd tevreden geweest over [eiser] maar zou zij dit eerder hebben gehoord dan had zij hem daarop aangesproken.

3.6

Artikel 7:658 BW biedt geen absolute waarborg voor de werknemer tegen bescherming van de in dat artikel bedoelde gevaren. Hecs ontkent gehandeld te hebben in strijd en de geschreven of ongeschreven norm. Het op kantoor werken bij een uitzendorganisatie brengt ook geen specifiek gevaar met zich.

3.7

Het gaat hier om psychische klachten. Alsdan is het aan de werknemer die stelt dat hij door zijn werk stressklachten heeft gekregen feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat c.q. in hoeverre de klachten door zijn werk en niet door iets anders zijn ontstaan. Maatregelen zijn pas geïnitieerd wanneer voor de werkgever duidelijk is (gemaakt) dat een bepaalde (wijziging in de) werksituatie het risico van stressklachten met zich bracht.

3.8

Hecs betwist, subsidiair, de omvang en de hoogte van de gestelde schadeposten.

3.9

Hecs maakt bij dupliek bezwaar tegen de aanvulling van de rechtsgronden. Het is in strijd met een goede procesorde om eerst thans de vordering aan te vullen met een andere grond.

3.10

[eiser] bepleit een risico-aansprakelijkheid voor werkgevers terwijl het in artikel 7:658 BW gaat om schuldaansprakelijkheid. Niet duidelijk is welke maatregelen Hecs had moeten treffen om de gestelde schade te voorkomen en wat het causaal verband is tussen die mogelijke tekortkomingen en de gerealiseerde schade.

3.11

Kennelijk is de deskundige er vanuit gegaan dat Hecs op de hoogte was van de situatie van [eiser] maar niets heeft gedaan. Dat is niet juist. De deskundige heeft zich gebaseerd op het eigen verhaal van [eiser] en heeft dat in de rapportage verwerkt zonder dat sprake is van gegevens van derden.

3.12

De overgelegde verklaring van mevrouw [getuige], waarin melding wordt gemaakt van middelengebruik van [eiser] vanaf 2000, onderstreept genoegzaam het standpunt van Hecs dat de gezondheidsklachten zeer wel een andere oorzaak kunnen hebben.

3.13

Voor zover [eiser] zijn schade mede baseert op de mishandeling in 2002, is de daarop gebaseerde schadevergoeding verjaard. Kennelijk wist [eiser] al jaren na de mishandeling dat dit zijn functioneren nadelig beïnvloedde en was hij bekend met de schade.

3.14

Hecs had zeer lange tijd geen weet van de bedreiging. Pas na geruime tijd heeft [eiser] daarvan melding gedaan aan [directeur 1] met het uitdrukkelijk verzoek er geen werk van te maken. Hecs kon zelf geen aangifte doen omdat zij niet werd bedreigd. Bovendien heeft zij nazorg geboden door toe te geven aan de bedreiger [B] zodat die zou stoppen met zijn bedreigingen. Dat is ook gebeurd.

3.15

Tussen de mishandeling van [eiser] door [A] bestaat een te ver verwijderd verband. Kennelijk betrof het een privé aangelegenheid.

4 Beoordeling

4.1

[eiser] heeft zijn vorderingen, primair, gebaseerd op een schending van de verplichting door Hecs in de zin van artikel 7:658 BW.

De kantonrechter te Groningen heeft eerder aan [eiser] in het kader van een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:685 BW, onder ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding toegekend. [eiser] heeft bij zijn vordering tot schadevergoeding in het kader van de onderhavige procedure al rekening gehouden met de hem in de ontbindingsprocedure toegekende ontbindingsvergoeding.

Aan die eerdere ontbindingsbeschikking komt dan ook geen exclusiviteit toe zodat [eiser] op deze grond de onderhavige vorderingen kan instellen.

4.2

Hecs heeft bezwaar gemaakt tegen de door [eiser] voren gebrachte aanvullende rechtsgrond bij akte na comparitie. [eiser] beroept zich op artikel 6:170 BW stellende dat [A] moet worden aangemerkt als ondergeschikte van (de rechtsvoorganger van) Hecs.

Daaromtrent wordt het volgende overwogen. Hecs kan worden toegegeven dat [eiser] eerst thans zich op die aanvullende grond beroept. Dat is echter onvoldoende om al om die reden te concluderen dat het aanvoeren van die aanvullende grond in strijd is met een goede procesorde. Uit het door Hecs gevoerde verweer valt ook niet op te maken dat zij daardoor is geschaad in haar verdediging. [eiser] heeft kennelijk niet beoogd de aansprakelijkheid slechts te baseren op de mishandeling in 2002 zodat het beroep op verjaring geen bespreking behoeft.

4.3

Op grond van voormeld artikel 6:170 BW is voor schade aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, degene in wiens dienst te ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen.

In dit geval ging het om een mishandeling van [eiser] door een uitzendkracht. Niet, althans onvoldoende is gesteld, laat staan gebleken, dat tussen die mishandeling en de vervulling van zijn taak door die ondergeschikte een functioneel verband bestond. Een beroep op het gestelde in dat artikel gaat om die reden al niet op.

4.4

Voorts wordt, waar het de vorderingen van [eiser] betreft gebaseerd op het bepaalde in artikel 7:658 BW, het volgende overwogen.

[eiser] is in de uitoefening van zijn werkzaamheden in 2002 mishandeld door Baptist en vervolgens vanaf 2006 bedreigd door [B]. In zijn rapportage van 2 juni 2012 geeft de deskundige, psychiater [psychiater], onder meer aan dat hij "de nodige verschijnselen van een posttraumatische stressstoornis" heeft geconstateerd.

Vooropgesteld wordt dat artikel 7:658 BW niet slechts betrekking heeft op een situatie waarin aan de werknemer fysiek schade is toegebracht maar ook op de situatie waarin psychische schade is toegebracht (in die zin het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2005, NJ 2010,309).

4.5

In zijn arrest van 11 november 2011 (NJ 2011/598) overwoog de Hoge Raad onder meer: "Vaststaat dat Hagens in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Het is dus aan De Rooyse Wissel als werkgever te stellen en zonodig te bewijzen, kort gezegd, dat zij al die maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om de schade te voorkomen. Weliswaar is, zoals de Hoge Raad bij herhaling omtrent art. 7:658  BW heeft overwogen, met de zorgplicht van de werkgever niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, ook niet ten aanzien van werknemers wier werkzaamheden bijzondere risico's van ongevallen meebrengen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade (vgl. HR 12 december 2008, LJN  BD3129, NJ  2009/332 ). Art. 7:658  vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen alsmede van de organisatie van de werkzaamheden en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies (vgl. HR 11 april 2008, LJN  BC9225, NJ  2008/465). Indien de werkgever ter onderbouwing van zijn verweer dat hij de in lid 1 van art. 7:658 genoemde verplichtingen is nagekomen voldoende concrete feitelijke gegevens aanvoert, zal van de werknemer mogen worden verlangd dat hij zijn betwisting van dat verweer voldoende concreet motiveert, zij het dat aan die motivering niet zodanig hoge eisen mogen worden gesteld dat in betekenende mate afbreuk wordt gedaan aan de strekking van art. 7:658 lid 2 de werknemer door verlichting van zijn processuele positie bescherming te bieden tegen de risico's van schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden (vgl. HR 25 mei 2007, LJN  BA3017, NJ  2008/463 ).

4.6

De kantonrechter is van oordeel dat op basis van de stellingen van partijen en de voorliggende rapportage van de deskundige als vaststaand moet worden aangenomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen.

Daarmee is, mede gelet op voormeld arrest, vervolgens aan de orde de vraag of Hecs (heeft aangetoond dat zij) de in het eerste lid van artikel 7:658 BW opgenomen verplichting is nagekomen.

4.7

Daarover wordt het volgende overwogen. Hecs heeft, onbetwist, gesteld dat [eiser] als vestigingsmanager nauwelijks fysieke contacten had met de directie in Rotterdam en Arnhem en dat [eiser] binnen de [naam] groep een vorm van zelfstandig ondernemerschap wilde. [eiser] had verder een kantoorfunctie. Hecs heeft onbetwist gesteld dat in haar dertigjarig bestaan slechts één keer sprake is geweest van mishandeling van kantoorpersoneel door een uitzendkracht. Dat was bij [eiser] in 2002.
Niet gesteld of gebleken is dat Hecs er in de onderhavige situatie redelijkerwijs rekening mee heeft moeten houden dat tegenover een werknemer als [eiser] met een kantoorfunctie geweld zou worden gepleegd als in 2002 dan wel dat redelijkerwijs rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid van bedreigingen als vanaf 2006 aan de orde is geweest.

4.8

Hecs heeft kennelijk geen (specifieke) instructies gegeven noch heeft zij concrete maatregelen getroffen om te voorkomen dat sprake zou zijn van geweld dan wel van bedreigingen in die zin.

Hecs heeft daarover naar voren gebracht dat haar ook niet duidelijk is welke maatregelen zij had moeten treffen om die schade te voorkomen.

Overwogen wordt dat, mede op basis van voormelde uitgangspunten, zich ook niet laat inzien welke maatregelen bij het ontbreken van een redelijke aanwijzing van een dreigende mishandeling of bedreiging, Hecs redelijkerwijs had behoren te treffen om te voorkomen dat een mishandeling en/of de bedreiging als de onderhavige plaatsvond.

4.9

Vervolgens is aan de orde de vraag of Hecs nadat zij op de hoogte is geraakt van hetgeen zich heeft voorgedaan, richting [eiser] adequaat heeft gehandeld zulks teneinde (verdere) schade voor [eiser] te voorkomen c.q. aan gedragingen van derden een einde te maken.

[eiser] heeft erkend dat hij er zelf bij Hecs in beide gevallen op heeft aangedrongen dat geen aangifte werd gedaan. [eiser] heeft in ieder geval zelf ook van aangifte afgezien terwijl dat op zich op zijn weg als slachtoffer had gelegen.

[eiser] heeft Hecs direct op de hoogte gesteld van de mishandeling in 2002. [eiser] is daar kennelijk ook al die jaren niet op teruggekomen bij Hecs.

4.10

Hecs heeft verder gesteld dat nadat zij op de hoogte was gekomen van de bedreiging door [B], [B] wilde kennelijk een auto op kosten van Hecs gebruiken, met [B] ter zake een regeling is getroffen door haar directielid [directeur 2]. [B] heeft daarbij de garantie gegeven dat zowel [eiser] als Hecs nimmer meer last zouden hebben van [B] en zijn groep.

Hoewel verschillend kan worden gedacht over de wijze waarop door een werkgever met bedreigingen in die zin kan worden omgegaan, heeft Hecs gelet op de persoon van [B] en zijn achtergrond, kennelijk de inschatting gemaakt dat dit de meest effectieve wijze was om daaraan een einde te maken.

[eiser] heeft niet gesteld, noch is dat anderszins gebleken, dat desondanks nadat Hecs aldus heeft gehandeld, sprake is geweest van een voortzetting van die bedreigingen.

De kantonrechter acht in dit verband tevens van belang de "zelfstandige" positie van [eiser]. Het laat zich dan inzien en zelfs billijken dat de directie van Hecs, letterlijk op afstand van [eiser], mede gelet op de functie van [eiser] zijn opstelling respecteerde en voor deze regeling koos.

De opmerkingen over de zelfstandige positie van [eiser] gelden ook voor de situatie waarin [eiser], Hecs heeft dat betwist, wel gemiddeld aanzienlijk meer uren zou hebben gewerkt dan de 45 uur per week uit de arbeidsovereenkomst. Uit de rapportage van de deskundige laat zich overigens ook niet opmaken dat die uurbelasting een op zich staande oorzaak is geweest voor de uitval. Zou dat gestelde aantal uren overigens wel vaststaan, Hecs betwist zulks, dan is dat onvoldoende om al op die basis uit te gaan van een causaal verband tussen de uitval en die uren.

4.11

Op grond van vorenstaande overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat zich dan ook niet laat inzien welke (zorg-)verplichtingen tot het voorkomen van schade als de onderhavige Hecs als werkgever niet is nagekomen in de zin van artikel 7:658 eerste lid BW. De maatregelen die Hecs getroffen heeft om een einde te maken aan (het voortduren van) de bedreigingen, dienen in het onderhavige geval als adequaat en effectief te worden aangemerkt. Uit de stellingen van [eiser] valt ook niet op te maken op welke andere gronden Hecs als werkgever zou zijn tekortgeschoten in de naleving van voormelde verplichting. Er wordt dan ook geen aanleiding gezien [eiser] toe te laten tot het leveren van tegenbewijs.

4.12

Op grond van vorenstaande over beperkingen worden de vorderingen van [eiser] dan ook afgewezen. De subsidiaire verweren van Hecs betreffende de hoogte van de schadeposten behoeven dan ook geen verdere bespreking.

5 Proceskosten

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld.

Beslissing:

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van Hecs begroot op een bedrag van € 2.400,00 aan salaris gemachtigde.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad waar het gaat om de kostenveroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en op 25 september 2013

uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: BvdB

coll: