Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5674

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
C-17-118275 - HA ZA 12-58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wie is partij bij de overeenkomst, geen onbevoegde vertegenwoordiging door projectmanager, achterwege laten uitvoerbaarverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 1, p. 26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie- Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/118275 / HA ZA 12-58

Vonnis van 18 september 2013

in de zaak van

MR. JOOST MARTIJN VAN RONGEN in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Inprotech B.V.,

kantoorhoudende te Heerenveen,

eiseres,

advocaat mr. J.M. van Rongen, kantoorhoudende te Heerenveen,

tegen

de rechtspersoon naar Zwitsers recht

FRYMAKORUMA AG,

gevestigd te Rheinfelden (Zwitserland),

gedaagde,

advocaat mr. Ph.W.M. ter Burg, kantoorhoudende te Den Haag.

Partijen zullen hierna de curator en FrymaKoruma genoemd worden. De oorspronkelijke eiseres zal hierna Inprotech genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 4 april 2012

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de rolbeslissing van de rechtbank van 27 juli 2012 naar aanleiding van het faillissement van Inprotech

  • -

    de oproepingsbrief van 3 augustus 2012

  • -

    de rolmededeling zijdens de curator van 5 september 2012, waarin de curator meedeelt de procedure over te nemen

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de akte uitlating producties van de curator.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

De Wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

2 De feiten

2.1.

Inprotech was een procestechnisch installatiebedrijf, voornamelijk actief in de voeding- en genotsmiddelenbranche, en hield zich bezig met het installeren van hoofdzakelijk hoogwaardige rvs-leidingsystemen en complexe procesinstallaties.

2.2.

FrymaKoruma is producent en leverancier van machines en productielijnen voor onder meer de voedingsindustrie.

2.3.

Op 22 februari 2011 heeft FrymaKoruma met de besloten vennootschap Smilde Foods B.V. te Heerenveen (hierna: Smilde Foods) een overeenkomst gesloten voor de levering aan Smilde Foods van een productielijn voor de productie van mayonaises en andere sauzen voor diens vestiging in Oosterwolde.

2.4.

Bij e-mails van 29 juli 2011 en 10 augustus 2011 heeft FrymaKoruma Inprotech verzocht om een offerte uit te brengen voor het installeren van de productielijn van Smilde Foods op basis van de in die in e-mails genoemde pijpleidingen en aantallen. Inprotech heeft op 22 augustus 2011 en 13 september 2011 offertes aan FrymaKoruma toegezonden, waarin de prijzen van de pijpleidingen per stuk/meter zijn vermeld. FrymaKoruma - in de persoon van projectmanager[X] - heeft in een e-mail van 29 augustus 2011 aan Inprotech opdracht gegeven. Na aanvang van het werk zijn partijen overeengekomen dat er op regiebasis wordt afgerekend, dat wil zeggen op basis van gewerkte manuren en gebruikte materialen tegen afgesproken (uur)tarieven.

2.5.

Inprotech heeft het installatiewerk uitgevoerd. Daarbij heeft Inprotech tevens de aansluiting van de productielijn op de omgeving verzorgd, waaronder het aanleggen van pijpleidingen voor de aanvoer van grondstoffen en voor de afvoer van half- en eindfabrikaten boven het plafond van de productiehal (hierna: de outside piping). FrymaKoruma's projectmanager [X] heeft steeds met Inprotechs medewerkers overleg gevoerd over de uitvoering van het werk, waaronder over de aanleg van de outside piping. De door Inprotech wekelijks opgestelde urenbriefjes zijn steeds voor akkoord getekend door een van FrymaKoruma's medewerkers ter plaatse.

2.6.

Bij e-mail van 28 september 2011 heeft [X] het volgende aan Inprotech geschreven:

"Ich bräuchte von Ihnen, von diesem gelieferten Material die Gesamtsumme. Dann müssen wir diese Gesamtsumme auf gestückelte (getrennte) Rechnungen aufteilen (ich kann die dann selber genehmigen und freigeben, ohne mir eine Freigabe vom Konzern zu besorgen)."

2.7.

Op 10 oktober 2011 heeft Inprotech een (eerste) factuur ad € 88.304,56 aan FrymaKoruma verzonden. Bij e-mail van 11 oktober 2011 heeft [X] verzocht om deze factuur in drie kleinere bedragen op te splitsen, waaraan Inprotech gehoor heeft gegeven. Hierna is FrymaKoruma tot betaling van genoemd bedrag overgegaan.

2.8.

Inprotech heeft ter zake van de door haar uitgevoerde werkzaamheden in totaal € 308.549,41 aan FrymaKoruma in rekening gebracht. Hiervan is € 219.644,85 onbetaald gebleven.

2.9.

Bij e-mail van 9 december 2011 heeft Inprotech FrymaKoruma gesommeerd om uiterlijk op 14 december 2011 tot betaling over te gaan. Aan deze sommatie is geen gehoor gegeven.

2.10.

Op 14 december 2011 heeft Inprotech conservatoir derdenbeslag ten laste van FrymaKoruma onder Smilde Foods gelegd. Dit beslag is opgeheven nadat FrymaKoruma op 1 maart 2012 ten gunste van Inprotech een bankgarantie conform het Rotterdams garantieformulier 2008 door Sparkasse Pforzheim Calw heeft doen afgeven voor een maximumbedrag van € 285.538,31.

2.11.

FrymaKoruma heeft Smilde Foods ingevolge het vonnis in incident van 4 april 2012 in vrijwaring gedagvaard. De procedure is bij deze rechtbank aanhangig onder
zaak-/rolnummer 119780 HA-ZA 12-145 en is nog niet in staat van wijzen.

2.12.

Inprotech is op 24 april 2012 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. J.M. van Rongen tot curator.

3 De vordering

3.1.

De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- FrymaKoruma veroordeelt om aan de curator te betalen een bedrag van € 219.644,85, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over iedere verzonden factuur, vanaf de vervaldatum dezer factuur tot aan de dag der algehele voldoening, meer in het bijzonder:

- over een bedrag van € 21.240,00 vanaf 9 december 2011;

- over een bedrag van € 11.880,00 vanaf 28 december 2011;

- over een bedrag van € 14.618,45 vanaf 26 november 2011;

- over een bedrag van € 8.652,73 vanaf 26 november 2011;

- over een bedrag van € 24.682,50 vanaf 2 december 2011;

- over een bedrag van € 8.360,20 vanaf 2 december 2011;

- over een bedrag van € 19.849,13 vanaf 9 december 2011;

- over een bedrag van € 21.684,38 vanaf 9 december 2011;

- over een bedrag van € 16.790,71 vanaf 15 december 2011;

- over een bedrag van € 15.165,00 vanaf 15 december 2011;

- over een bedrag van € 22.425,00 vanaf 18 december 2011;

- over een bedrag van € 22.425,00 vanaf 18 december 2011;

- over een bedrag van € 8.583,75 vanaf 30 december 2011;

- over een bedrag van € 3.288,00 vanaf 5 januari 2012;

- FrymaKoruma veroordeelt in de kosten van deze procedure, waarin begrepen de kosten van het gelegde derdenbeslag en de vertaalkosten.

3.2.

FrymaKoruma voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1.

Gegeven de omstandigheid dat gedaagde FrymaKoruma in het buitenland is gevestigd, draagt de tegen haar ingestelde vordering een internationaalrechtelijk karakter. Derhalve dient allereerst ambtshalve de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen en zo ja, welk recht op de vordering van toepassing is.

4.2.

De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft tot kennisneming van de vordering van de curator dient in beginsel aan de hand van het Verdrag van Lugano van 30 oktober 2007 (PbEU L 339, hierna: EVEX) te worden beantwoord. Daarvoor is - naast de vestigingsplaats van Inprotech (Nederland) en FrymaKoruma (Zwitserland) - redengevend dat de vorderingen zijn ingesteld bij dagvaarding van 27 februari 2012 , derhalve na de inwerkingtreding van EVEX, en de vordering een burgerlijke of handelszaak betreft. De overeenkomst die de curator aan zijn vordering ten grondslag legt dient te worden uitgevoerd in Oosterwolde, zodat deze rechtbank ingevolge artikel 5 lid 1 EVEX bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van de curator.

4.3.

De bepaling van het toepasselijke recht dient plaats te vinden aan de hand van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Verordening Rome I), nu de (gestelde) overeenkomst gesloten is na 17 december 2009. Ingevolge artikelen 4, lid 1, sub b jo. artikel 10 Verordening Rome I is het Nederlands recht van toepassing. Ingevolge artikel 10 lid 1 Verordening Rome I dient immers, ook indien de totstandkoming van een overeenkomst wordt betwist, aan de hand van het recht dat van toepassing zou zijn op de betwiste overeenkomst te worden bepaald of de overeenkomst tot stand is gekomen.

4.4.

De curator legt - kort samengevat - aan zijn vordering ten grondslag dat op 29 augustus 2011 tussen Inprotech en FrymaKoruma een overeenkomst ter zake van het installeren van de productielijn van Smilde Foods tot stand is gekomen, op grond waarvan FrymaKoruma gehouden is de door Inprotech verzonden facturen te voldoen.

4.5.

FrymaKoruma voert tot haar verweer aan dat met Inprotech alleen een overeenkomst tot stand is gekomen wat betreft het verbinden van de verschillende onderdelen van de productielijn (hierna: de inside piping). Wat betreft de outside piping is volgens FrymaKoruma geen overeenkomst met Inprotech tot stand is gekomen, maar tussen Inprotech en Smilde Foods, bij de totstandkoming waarvan Smilde Foods door FrymaKoruma is vertegenwoordigd. Volgens FrymaKoruma is zij in de hiervoor onder 2.3 bedoelde overeenkomst van 22 februari 2011 met Smilde Foods overeengekomen dat de outside piping buiten de scope van die overeenkomst valt. Voor de outside piping is derhalve Smilde Foods verantwoordelijk; niet FrymaKoruma maar Smilde Foods dient de openstaande facturen van Inprotech te betalen. FrymaKoruma's projectmanager [X] heeft bij het verstrekken van de opdracht aan Inprotech dan ook niet de intentie gehad om FrymaKoruma voor de outside piping te binden, maar alleen voor de inside piping. Ook andere medewerkers ter plaatse, die de urenbriefjes van Inprotech voor akkoord hebben ondertekend, hebben die intentie niet gehad. Inprotech wist, althans kon weten dat FrymaKoruma's medewerkers slechts als woordvoerder/vertegenwoordiger voor Smilde Foods optraden, omdat Inprotech op het moment dat FrymaKoruma met haar contracteerde al geruime tijd in opdracht van Smilde Foods werkzaam was in Oosterwolde en uit dien hoofde wel ermee bekend moet zijn geweest dat Smilde Foods de verantwoordelijke voor de outside piping is.

4.6.

In geschil is of FrymaKoruma als wederpartij van Inprotech moet worden aangemerkt wat betreft de installatie van de outside piping. De vraag of FrymaKoruma bij het geven van die opdracht aan Inprotech al dan niet namens Smilde Foods handelde, hangt af van een beoordeling van hetgeen FrymaKoruma en Inprotech daaromtrent jegens elkander hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (zie HR 11 maart 1977, NJ 1977/521 (Kribbenbijter) en
HR 17 mei 1991, NJ 1991/465 (Ontvanger/ Bokma)).

De rechtbank stelt bij de beantwoording van voornoemde vraag het volgende vast. In het onderhavige geval is noch in de offerteaanvraag, noch in de offertes, noch in de opdrachtverlening enig onderscheid gemaakt tussen de outside piping en de inside piping. Vaststaat dat alle contacten over de productielijn - dus ook over de outside piping - rechtstreeks via FrymaKoruma's medewerkers, in het bijzonder [X], verliepen. Gesteld noch gebleken is dat deze medewerkers op enig moment aan Inprotech hebben medegedeeld dat Smilde Foods wat betreft de outside piping als opdrachtgever had te gelden. Vaststaat ook dat de urenbriefjes en facturen zonder protest - althans voor zover hierop outside piping in rekening is gebracht - door FrymaKoruma zijn behouden. Naar het oordeel van de rechtbank mocht Inprotech uit voornoemde verklaringen en gedragingen van FrymaKoruma afleiden dat FrymaKoruma voor het gehele werk als haar opdrachtgever heeft te gelden. De enkele omstandigheid dat Inprotech mogelijk al geruime tijd in opdracht van Smilde Foods in Oosterwolde werkzaam was, acht de rechtbank onvoldoende om tot het oordeel te komen dat FrymaKoruma bij het geven van de opdracht namens Smilde Foods heeft gehandeld. In dat verband is gesteld noch gebleken dat Inprotech op enig moment kennis heeft genomen van de inhoud van de overeenkomst tussen FrymaKoruma en Smilde Foods en het daarin kennelijk gemaakte onderscheid tussen de outside piping en de inside piping. De slotsom is dan ook dat FrymaKoruma ook wat betreft de outside piping als wederpartij van Inprotech heeft te gelden en dat FrymaKoruma uit dien hoofde in beginsel tot nakoming van de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen gehouden is.

4.7.

FrymaKoruma heeft voorts een beroep gedaan op de onbevoegdheid van [X] om namens FrymaKoruma overeenkomsten te sluiten.

4.8.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat [X] wel bevoegd was om FrymaKoruma te vertegenwoordigen met betrekking tot de inside piping. Uit de door FrymaKoruma overgelegde autorisatiematrix volgt bovendien niet zonder meer dat [X] onbevoegd was.

De rechtbank overweegt voorts dat uit artikel 3:61 lid 2 BW volgt dat de (eventuele) onbevoegdheid van de vertegenwoordiger er niet per definitie aan in de weg staat dat de vertegenwoordigde aan een onbevoegd verrichte rechtshandeling is gebonden. Daartoe is van belang hetgeen de feitelijk handelende personen over en weer hebben verklaard en hetgeen zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden (HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521). Ook kan uit de aanstelling van iemand in een bepaalde functie besloten liggen dat aan die persoon een toereikende volmacht is verleend om de overeenkomsten aan te gaan die naar verkeersopvattingen uit de vervulling van deze functie voortvloeien (HR 9 oktober 1998, NJ 1999, 581).

Bij de beantwoording van de vraag of Inprotech redelijkerwijze mocht aannemen dat [X] over een toereikende volmacht van FrymaKoruma beschikte acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden relevant. Inprotech heeft onweersproken gesteld dat [X] projectmanager voor FrymaKoruma was en in die hoedanigheid de supervisie over de installatie van de gehele productielijn in de fabriek in Oosterwolde had. Door [X] in deze functie aan te stellen, en daarbij toe te staan dat hij een overeenkomst met betrekking tot het uit te voeren installatiewerk - in ieder geval wat betreft de inside piping - met Inprotech aangaat, heeft FrymaKoruma [X] een positie gegeven op grond waarvan Inprotech heeft mogen aannemen dat [X] over een toereikende volmacht beschikte. FrymaKoruma kan zich tegenover Inprotech dus niet met succes kunnen beroepen op de door haar gestelde vertegenwoordigingsonbevoegd van [X].

4.9.

Ten slotte beroept FrymaKoruma zich op verrekening in verband met de tegen haar in de vrijwaringsprocedure door Smilde Foods ingestelde tegenvorderingen. Smilde Foods vordert in die procedure in reconventie dat FrymaKoruma wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 52.345,50 als vergoeding voor het vervangen van door Inprotech aangebrachte leidingen met een te kleine diameter, een bedrag van € 33.864,00 als schadevergoeding voor het dientengevolge stilliggen van de productielijn, alsmede schadevergoeding nader op te maken bij staat voor (beweerde) gebreken in het door Inprotech bij het aanbrengen van de leidingen geleverde laswerk. Volgens FrymaKoruma heeft bij een veroordeling in de vrijwaringsprocedure te gelden dat Inprotech jegens haar toerekenbaar tekort is geschoten, zodat Inprotech FrymaKoruma dan schadeloos dient te stellen.

4.10.

De curator betwist onder meer - kort samengevat - dat Inprotech toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van het installatiewerk.

4.11.

Gelet op de omstandigheid dat FrymaKoruma geen reconventionele vordering heeft ingesteld maar zich slechts op verrekening beroept als verweer tegen toewijzing van de vordering van de curator en de gegrondheid van dit verweer naar het oordeel van de rechtbank niet op eenvoudige wijze valt vast te stellen - nu deze afhangt van de uitkomst in de vrijwaringsprocedure en daarin niet gelijktijdig wordt beslist - en de vordering van de curator overigens voor toewijzing vatbaar is, zal de rechtbank dit verweer op grond van artikel 6:136 BW verwerpen.

4.12.

De slotsom is dat de door de curator gevorderde hoofdsom voor toewijzing vatbaar is. De door de curator gevorderde wettelijke handelsrente zal eveneens worden toegewezen, nu de verschuldigdheid hiervan niet weersproken is en ook overigens aan de wettelijke vereisten is voldaan.

4.13.

De curator vordert voorts FrymaKoruma te veroordelen tot betaling van de beslagkosten en vertaalkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op:

- explootkosten € 289,04

- vertaalkosten € 918,92

- betaald vast recht € 560,00

- salaris advocaat € 2.000,00 (1 punt × tarief € 2.000,00)

Totaal € 3.767,96.

4.14.

FrymaKoruma zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden vastgesteld op:

- dagvaarding €  90,64

- griffierecht € 3.061,00

- salaris advocaat € 5.000,00 (2,5 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 8.151,64.

4.15.

FrymaKoruma heeft de rechtbank verzocht de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad achterwege te laten, nu de door haar verstrekte bankgarantie betaalbaar is in het geval er een bij voorraad uitvoerbaar vonnis ten gunste van de curator wordt gewezen en gevreesd wordt dat er geen verhaal zal worden geboden indien FrymaKoruma in hoger beroep in het gelijk zou worden gesteld.

4.16.

De curator heeft gesteld dat hij belang heeft bij een vlotte afwikkeling van de bodemprocedure en het eventuele hoger beroep.

4.17.

De rechtbank overweegt dat indien de eisende partij heeft gevorderd om een veroordelend vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en daartegen - zoals hier - door de gedaagde partij verweer is gevoerd, voor een beslissing op dat punt de belangen van beide partijen dienen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, het belang van diegene die de veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op het ingestelde rechtsmiddel is beslist. Daarbij dient de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven. Daarnaast wordt degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt vermoed daarbij het vereiste belang voor uitvoerbaarheid bij voorraad te hebben
(zie HR 27 februari 1998, NJ 1998, 512). Gelet op het voorgaande heeft de curator een belang bij de door haar gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Daartegenover staat als onweersproken vast dat FrymaKoruma een reëel restitutierisico loopt, indien aan de veroordeling wordt voldaan en later blijkt dat de veroordeling ten onrechte was. De belangen van partijen afwegende zal de rechtbank daarom het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt FrymaKoruma om aan de curator te betalen een bedrag van € 219.644,85, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over iedere verzonden factuur, vanaf de vervaldatum dezer factuur tot aan de dag der algehele voldoening, meer in het bijzonder:

- over een bedrag van € 21.240,00 vanaf 9 december 2011;

- over een bedrag van € 11.880,00 vanaf 28 december 2011;

- over een bedrag van € 14.618,45 vanaf 26 november 2011;

- over een bedrag van € 8.652,73 vanaf 26 november 2011;

- over een bedrag van € 24.682,50 vanaf 2 december 2011;

- over een bedrag van € 8.360,20 vanaf 2 december 2011;

- over een bedrag van € 19.849,13 vanaf 9 december 2011;

- over een bedrag van € 21.684,38 vanaf 9 december 2011;

- over een bedrag van € 16.790,71 vanaf 15 december 2011;

- over een bedrag van € 15.165,00 vanaf 15 december 2011;

- over een bedrag van € 22.425,00 vanaf 18 december 2011;

- over een bedrag van € 22.425,00 vanaf 18 december 2011;

- over een bedrag van € 8.583,75 vanaf 30 december 2011;

- over een bedrag van € 3.288,00 vanaf 5 januari 2012;

5.2.

veroordeelt FrymaKoruma in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.767,69;

5.3.

veroordeelt FrymaKoruma in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 8.151,64;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2013.1

1 588