Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5670

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
373127 - CV EXPL 13-1645
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwaling. Bij het sluiten van de overeenkomst is de opdrachtgever van een onjuiste voorstelling van zaken uitgegaan. Daardoor heeft hij met de verkeerde rechtspersoon gecontracteerd en wordt hem meer in rekening gebracht dan wanneer hij met de gewilde rechtspersoon had gecontracteerd. De opdrachtgever doet geen beroep op dwaling, zodat hij aan de overeenkomst is gebonden en het hogere uurtarief moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Emmen

zaak-/rolnummer: 373127 \ CV EXPL 13-1645

vonnis van de kantonrechter van 16 oktober 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[X] Beveiligingstechniek B.V.,

die woonplaats kiest in Haren,

eiseres,

gemachtigde: mr. O.M.M. Philips, die kantoor houdt in Haren,

tegen

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[Y] B.V.,

die gevestigd is in[woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. E. Heuzeveldt, die kantoor houdt in Emmen.

Partijen worden hierna [X] en [Y] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 mei 2013;

- de conclusie van antwoord van 12 juni 2013;

- de conclusie van repliek van 24 juli 2013;

- de conclusie van dupliek van 21 augustus 2013;

- de akte uitlating producties van 18 september 2013.

Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat dit vonnis vandaag wordt uitgesproken.

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten die vaststaan omdat die feiten enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of niet voldoende zijn weersproken, of omdat die feiten blijken uit de in zoverre onweersproken gebleven inhoud van de overgelegde producties.

Op grond van een daartoe tussen partijen gesloten overeenkomst heeft [X], een onderneming die zich toelegt op het verlenen van diensten in de beveiligingstechniek, aan [Y], een onderneming in de elektrotechniek, voor een bepaalde periode twee monteurs ter beschikking gesteld. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat deze monteurs zouden worden "uitgeleend" tegen het voor partijen geldende standaardtarief, zonder dat één van de partijen daarbij heeft benoemd wat dat standaardtarief inhoudt.

Voor de door beide monteurs verrichte werkzaamheden zijn door [Y] opdrachtbonnen ondertekend en op basis van die opdrachtbonnen heeft [X] facturen samengesteld waarmee de gewerkte uren tegen haar standaardtarief van € 58,90 aan [Y] in rekening zijn gebracht.


[Y] heeft twee facturen van [X] niet betaald.

De vordering en het verweer

[X] vordert, verkort weergegeven, veroordeling van [Y] tot betaling van
€ 11.845,18 vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stelt [X], samengevat weergegeven, dat hij op grond van de daartoe tussen partijen gesloten overeengekomen twee monteurs heeft "uitgeleend" aan [Y], tegen een standaardtarief. [X] stelt dat zij in overeenstemming hiermee een uurtarief aan [Y] heeft berekend ter grootte van
€ 58,90. Volgens [X] kan hierover tussen partijen geen misverstand zijn ontstaan, omdat dit uurtarief het geïndexeerde uurtarief betreft dat ook al tussen partijen als standaardtarief is berekend bij een eerder overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten voor de uitleen van monteurs.

[Y] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [X], althans tot afwijzing van haar vordering. Daartoe voert [Y] aan, samengevat weergegeven, dat sprake is van een miscommunicatie. Die miscommunicatie is veroorzaakt doordat [Y] in de vooronderstelling verkeerde dat zij contracteerde met [X] Installatietechniek B.V. toen zij contracteerde met [X] Beveiligingstechniek B.V. [Y] stelt dat zij met (de bestuurder of aandeelhouder van de) eerst genoemde vennootschap eerder een standaardovereenkomst had op grond waarvan een elftal installatietechniekbedrijven elkaars personeel kon in- en uitlenen tegen een vergoeding van € 28,50. Volgens [Y] hebben de ingeleende monteurs standaard elektrotechnisch werk verricht, waarvoor geen enkele specialistische kennis is vereist. [Y] stelt dat zij op grond van een en ander niet gehouden is om het hoge uurtarief dat aan haar is berekend, te voldoen. [Y] stelt dat het ook niet redelijk is als het gevolg van de miscommunicatie ertoe leidt dat zij dat hogere uurtarief zou moeten voldoen.

De beoordeling

Het gaat in deze zaak, met het oog op een doelmatige bespreking samengevat weergegeven, om het volgende. Partijen hebben met elkaar gecontracteerd en tussen hen is een uitleenovereenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan [X] personeel heeft uitgeleend tegen een standaarduurtarief, waarvan de hoogte door partijen ten tijde van het sluiten van hun contract niet is benoemd. Uiteindelijk blijkt dat dit standaarduurtarief in hoogte afwijkt van wat [Y] ervan verwachtte. Ten aanzien van de tegen deze achtergrond tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de kantonrechter als volgt.

[Y] voert in de kern genomen aan, dat zij bij het aangaan van de overeenkomst met [X] is uitgegaan van de onjuiste vooronderstelling dat zij contracteerde met [X] Installatietechniek B.V. Voor zover het verweer in zoverre moet worden opgevat als een beroep op dwaling in de zin van art. 6:228 BW, kan dat verweer [Y] niet baten.

Daargelaten of met het verweer zoals dat is gevoerd voldoende is gesteld voor een succesvol beroep op dwaling, verbindt de wet als rechtsgevolg aan een succesvol beroep op dwaling dat de onder invloed van dwaling tot stand gekomen overeenkomst vernietigbaar is. [Y] stelt niet dat zij de overeenkomst met [X] buitengerechtelijk heeft vernietigd en zij heeft in deze procedure geen vordering ingesteld die ertoe strekt de overeenkomst door de rechter te laten vernietigen.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat het feit dat een partij bij het aangaan van een overeenkomst niet van de juiste voorstelling van zaken is uitgegaan, in het algemeen geen invloed heeft op de geldigheid van die overeenkomst (TM, Parl. Gesch. 6, p. 900).

De kantonrechter neemt verder in overweging dat de daartoe door [Y] gehanteerde redelijkheidargumenten niet aan toewijzing van de vordering in de weg staan. [Y] heeft in het verleden personeel ingeleend van [X] tegen een uurtarief dat - een beperkte verhoging door indexering daargelaten - overeenstemt met het uurtarief dat [X] als standaardtarief hanteert bij de begroting van haar aan [Y] gefactureerde kosten. De omstandigheid dat de ingeleende monteurs geen werkzaamheden hebben verricht die een hoger uurtarief rechtvaardigt dan voor elektromonteurs gebruikelijk is, vertaalt zich evenmin in een relevant argument. Partijen zijn een "standaardtarief" overeengekomen en er is geen reden waarom [X] in de gegeven omstandigheden had moeten begrijpen dat daarmee een ander dan haar eigen standaardtarief werd bedoeld.

Een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat het verweer faalt voor zover het is gericht tegen de vordering tot betaling van de onbetaald gelaten facturen. De bijkomend gevorderde vergoeding van wettelijke handelsrente zal als gegrond op de wet en niet weersproken, eveneens worden toegewezen.

Het verweer gericht tegen de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten slaagt. Ondanks het daarop gerichte verweer heeft [X] geen zicht gegeven op incassowerkzaamheden die toewijzing van de daarvoor gevorderde vergoeding kunnen rechtvaardigen.

[Y] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de op de gebruikelijke wijze te begroten kosten.

Een en ander, mede gelet op de wijze waarop het petitum van de dagvaarding is ingericht, brengt met zich dat moet worden beslist zoals hierna wordt weergegeven.

De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [Y] om aan [X] te betalen € 4.467,74 vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 28 september 2012 tot aan de dag waarop volledige betaling volgt,

veroordeelt [Y] om aan [X] te betalen € 6.429,18 vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 6 oktober 2012 tot aan de dag waarop volledige betaling volgt,

veroordeelt [Y] tot betaling van de wettelijke handelsrente over de gefactureerde bedragen, berekend tot aan 11 december 2012 op € 66,83 en € 81,43,

veroordeelt [Y] tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [X] begroot op € 76,71 aan dagvaardingskosten, € 448,00 aan vast recht en € 500,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2013.

typ/conc: 216/BRT

coll: