Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5612

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-09-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
Awb 13/605
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering subsidie voor project vrijwillige terugkeer 2013 ex asielzoekers. Het betreft geweigerde co-financiering. Voor het project is voor de helft subsidie toegezegd door Europees terugkeerfonds. Verweerder heeft subsidie geweigerd omdat eiseres niet over aantoonbare ervaring beschikt. Eiseres heeft betwist dat deze voorwaarde kon worden gesteld, nu de voorwaarde door de Europese subsidiegever niet is gesteld. De rechtbank is van oordeel dat duidelijk uit de regelgeving blijkt dat dit een voorwaarde voor subsidieverlening door verweerder was. Beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: AWB 13/605

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 september 2013 in de zaak tussen

[eiseres], te Groningen, eiseres

(gemachtigden: T. Mulder en R. Adrichem),

en

de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,(Dienst Terugkeer & Vertrek)verweerder

(gemachtigden: R. Geraedts en K. Uijtdewilligen).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag voor subsidiëring van een project onder het subsidiekader vrijwillige terugkeer 2013 voor het bevorderen van vrijwillige duurzame terugkeer en herintegratie van ex-asielzoekers afgewezen.

Bij besluit van 25 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2013. Eiseres en verweerder zijn verschenen bij bovengenoemde gemachtigden.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1.

Bij Besluit van 19 november 2012, nr. DCM/MA-174/12 heeft verweerder bekend gemaakt wat het tijdvak is, waarbinnen subsidieaanvragen kunnen worden ingediend voor activiteiten gericht op duurzame terugkeer en herintegratie van ex-asielzoekers, in het kader van de beleidsregels voor het Migratie en Ontwikkelingsprogramma 2013, alsmede aanvullende beoordelingscriteria.

In artikel 2 van dit Besluit van 19 november 2012 wordt voor wat betreft de beoordeling van deze aanvragen verwezen naar de criteria die zijn neergelegd in de bijlage bij dit besluit.
Deze bijlage verwijst voor wat betreft (onder meer) de selectiecriteria naar het Besluit van
9 november 2012, nr. DCN/MA-154/2012. De website waarop dit besluit is geplaatst, is eveneens in de Bijlage aangegeven. De website van de DT&V, die ten tijde in geding te raadplegen was, verwees voorts nog naar een zogenoemd ‘puntenformulier projectvoorstellen SVT 26-11-2012’. Op dit te downloaden document is onder meer vermeld op basis van welke criteria de beoordeling plaatsvindt.

In Bijlage III van voornoemd Besluit van 9 november 2012 is vermeld onder het kopje:

Organisaties die voor subsidieverlening in aanmerking komen

“Subsidies in het kader van de ondersteuning van vrijwillige terugkeer van ex-asielzoekers zijn bedoeld voor vanuit Nederland opererende non-gouvernementele organisaties (ngo’s), die aantoonbare ervaring hebben met projecten voor vrijwillige terugkeer. (…)”


Naar deze Bijlage III wordt eveneens verwezen op het aanvraagformulier, onder de kop met het nummer 3 en de titel: ‘Beleidsprioriteiten en soort project’.

Beoordeling van bovengenoemde subsidieaanvragen geschied door de Stuurgroep Vrijwillige Terugkeer (SVT), bestaande uit de directie Migratiebeleid, het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Verweerder is bevoegd om te beslissen op aanvragen. De bevoegdheid is gemandateerd aan DT&V.

2.2. In het kader van Europese subsidieregelingen is ook de mogelijkheid gecreëerd om subsidie aan te vragen voor projecten gericht op terugkeer van ex-asielzoekers. Het Europees Terugkeerfonds (EFT) beoordeelt aanvragen om subsidie. Voor de periode 2012 tot medio 2014 was het mogelijk om subsidie voor projecten in te dienen betreffende onder meer:

actie 2: Assisted voluntary return and (durable) reintegration. Vermeld is hierbij:
“Voor deze actie kan een gecombineerde aanvraag met SVT worden ingediend.”

2.3 Op 10 januari 2013 heeft eiseres een zogenoemde gecombineerde aanvraag ingediend voor subsidie in het kader van het ETF (waarin verweerder niet bevoegd is) en de SVT (waarin verweerder wel bevoegd is).
Eiseres heeft voor het project met de naam “VOLUNTEERS” een totaal bedrag aan subsidie van € 522.052 aangevraagd. De helft te ontvangen via het EFT en de andere helft via de SVT. Aangegeven is dat het project in de zin van Actie 2 van het EFT betreft (Assisted voluntary return and (durable) reintegration).

2.4 Bij brief van 17 januari 2013 heeft verweerder de ontvangst van de aanvraag bevestigd. Aangegeven is dat de selectie uiterlijk eind maart bekend zal worden gemaakt.


2.5 Op 1 februari 2013 is door een medewerker van het ministerie van Buitenlandse zaken per e-mail bericht aan eiseres verzonden met de volgende inhoud:
Onderwerp: RE:gecombineerde aanvraag ETF-SVT
“Nogmaals dank voor uw aanvraag. Wij hebben uw aanvraag beoordeeld en hebben in deze fase geen vragen. Mogelijk sturen we u nog vragen toe na de stuurgroepvergadering die wij van plan zijn medio maart te houden.”
2.6 Op 4 februari 2013 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres voor wat betreft het gedeelte SVT. Verweerder overwoog dat eiseres niet voldoet aan de eis dat zij aantoonbare ervaring moet hebben met projecten voor vrijwillige terugkeer.
Verweerder heeft dit, blijkens het primaire besluit, afgeleid uit de informatie die eiseres op het aanvraagformulier heeft gegeven en uit de informatie die verweerder over eiseres op de website van eiseres heeft gevonden. Hieruit blijkt, volgens verweerder, dat eiseres geen ervaring heeft met het opzetten en uitvoeren van projecten voor vrijwillige terugkeer van ex-asielzoekers.

2.7 Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zij heeft de volgende bezwaren naar voren gebracht.
Ter voorbereiding op de aanvraag is door een van de partners van eiseres een voorlichtingsbijeenkomst bezocht. Dit was op 29 november 2012. Eiseres heeft uit de voorlichtingsbijeenkomst begrepen dat, bij eventuele tegenstrijdigheden in de toepasselijke regelgeving (ter zake van ETF en SVT) de Europese richtlijnen bepalend zijn. Eiseres is van mening dat haar project volledig voldeed aan die Europese richtlijnen.
Eiseres heeft verder aangegeven uit de e-mail van 1 februari 2013 te hebben afgeleid dat de aanvraag voldeed aan de formele eisen en door de stuurgroep medio maart 2013 beoordeeld zou worden op de inhoud. In plaats daarvan is enkele dagen later een afwijzend besluit gekomen. Eiseres heeft verder aangevoerd dat in het Europese jaarprogramma bij actie 2 specifiek wordt gewezen op de mogelijkheid van cofinanciering door verweerder. Het criterium waarop verweerder de aanvraag van eiseres heeft afgewezen, wordt in het Europese jaarprogramma echter helemaal niet genoemd. Er is alleen aangegeven dat verwacht wordt dat actie 2 uitgevoerd wordt door“(…) NGO’s, international organisations, private companies, local authorities and (parts) of the Dutch central government.(…)”.

Eiseres heeft in bezwaar naar voren gebracht dat op de website van de Rijksoverheid voor wat betreft subsidies als deze nergens wordt verwezen naar de voorwaarde van het hebben van ervaring. Volgens eiseres ontbreekt ten aanzien van het ETF een verwijzing naar meergenoemde bijlage III, zij het dat wel wordt verwezen naar de website van DT&V, maar deze website geeft niet aan dat ervaring is vereist, aldus eiseres.
Eiseres heeft tenslotte bezwaar gemaakt tegen het feit dat verweerder conclusies heeft getrokken uit de website van eiseres.

2.8 Op 5 april 2013 is eiseres gehoord door een ambtelijke hoorcommissie. Namens eiseres is aldaar aangegeven dat het projectvoorstel is geschreven naar aanleiding van de oproep van het ETF. De oproep van het ETF vermeldde dat in principe alle organisaties met rechtspersoonlijkheid in aanmerking komen voor een bijdrage uit het ETF. Voor het ETF is het hebben van ervaring geen vereiste. Aangegeven is voorts dat op de website van verweerder bij ‘veelgestelde vragen’ wordt aangegeven dat in het geval van cofinanciering met EU geld de Europese financiële verantwoordingsvoorschriften gelden. Verwezen wordt dan naar het uitvoeringskader ETF, waarin meergenoemde eis van ervaring niet voorkomt.
Namens eiseres is het standpunt ingenomen dat bij een gecombineerde aanvraag, zoals in casu, de regelgeving van de SVT ondergeschikt moet zijn aan de regelgeving van het EFT.
De vertegenwoordiger van verweerder heeft bij de hoorzitting het standpunt ingenomen dat het ETF en de SVT twee gescheiden financieringsbronnen zijn, gebaseerd op eigen regelgeving. Erkend is dat beiden een eigen puntenformulier hebben en dat het een en ander verwarrend kan overkomen.
Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting aangegeven de aanvraag, zo die als onvolledig had moeten worden beschouwd, niet te kunnen aanvullen met gegevens betreffende ervaring.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij nog op het volgende gewezen.
Op basis van het Subsidiebesluit en de gepubliceerde Oproep wordt maximaal 50% van de totale subsidiabele kosten van een project gefinancierd. De aanvrager dient derhalve de helft van de kosten op andere wijze te financieren. Deze cofinanciering kon bijvoorbeeld plaatsvinden via het ETF. Daarom is een gecombineerd aanvraagformulier van beide organisaties beschikbaar gesteld. Verweerder heeft zijn standpunt herhaald dat bij het geven van informatie steeds verwezen is naar meergenoemde Bijlage III van het Besluit van 9 november 2012. Daarvan heeft eiseres ook, blijkens de ondertekening van de aanvraag (punt 14) kennisgenomen. Op de internetpagina van verweerder zijn weliswaar geen specifieke beoordelingscriteria uitgelicht, maar daaruit heeft eiseres, volgens verweerder, niet kunnen of mogen afleiden dat bepaalde criteria niet zouden gelden. Het voorgaan van Europese regelgeving ziet op de financiële verantwoordingsvoorwaarden en niet op de eisen waaraan de aanvrager dient te voldoen.
Verweerder heeft tenslotte aangegeven eiseres niet de mogelijkheid te hebben gegeven om het geconstateerde verzuim te herstellen, omdat uit de internetpagina van eiseres reeds bleek dat zij geen ervaring met het onderwerp had. Dit was voorts niet het soort verzuim dat hersteld zou kunnen worden.

In het verweerschrift heeft verweerder hier nog aan toegevoegd dat eiseres heeft erkend geen ervaring te hebben en dat tijdens de hoorzitting de gelegenheid is gegeven hierover nadere informatie te geven, hetgeen (toen) niet is gebeurd.

4.

In beroep heeft eiseres nogmaals aangegeven niet te pretenderen ervaring te hebben. Het is juist kenmerkend voor de organisatie van eiseres dat zij op een andere innovatieve wijze vanuit de samenleving mensen vrijwillig wil laten terugkeren. Eiseres is en blijft van mening dat de Europese regelgeving leidend is. Aantoonbare ervaring is in de Europese regelgeving geen criterium. Ook acht eiseres zich niet helder geïnformeerd door verweerder. Verweerder heeft niet transparant gehandeld. Eiseres is ook van mening dat verweerder de selectiecriteria selectief toepast. De voorwaarden van Bijlage III zijn volgens eiseres in geen enkele gecombineerde aanvraag toetsbaar. Eiseres doelt hierbij op voorwaarden als “liquiditeitsprognose voor zes maanden; begeleiding- en organisatiekosten per ondersteunde ex-asielzoeker; resultaten en effecten voor de eerstvolgende twaalf maanden.
Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder in strijd met de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld door eiseres niet de gelegenheid te geven een geconstateerd verzuim te herstellen. Tenslotte heeft eiseres zich erover beklaagd dat voor eenzelfde aanvraag verschillende criteria worden gehanteerd.

5. De rechtbank oordeelt allereerst naar aanleiding van hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen met betrekking tot het procesbelang van eiseres dat eiseres dit procesbelang nog heeft, nu zij heeft gesteld dat het project niet doorgaat als de onderhavige subsidie van verweerder niet wordt verleend. Het wel of niet doorgaan van het project is kennelijk afhankelijk van de door verweerder te verlenen subsidie, zodat eiseres er belang bij heeft door middel van een rechterlijke uitspraak te vernemen of de weigering van verweerder rechtmatig is.

5.1

De rechtbank overweegt verder dat zij er van uit gaat dat eiseres de regelgeving, die door verweerder op de juiste wijze is gepubliceerd, kent. Overigens is het aanvraagformulier ook zo geredigeerd dat de aanvrager dit bij ondertekening bevestigt.
Uit het aanvraagformulier blijkt duidelijk dat de criteria van Bijlage III van toepassing zijn./ De rechtbank wijst er op dat de eis van het hebben van ervaring in Bijlage III prominent genoemd wordt, direct onder het kopje ‘Organisaties die voor subsidieverlening in aanmerking komen’. Voorts wordt dit vereiste op het zogenoemde puntenformulier als eerste inhoudelijke voorwaarde vermeld.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat weliswaar sprake is van een gecombineerde aanvraag, maar dat uit de regelgeving evident blijkt dat sprake is van een separate beoordeling op basis van criteria die niet (geheel) gelijk lopen. Dat ten aanzien van de financiële verantwoording de Europese criteria leidend zijn heeft, zoals uit de stukken blijkt en ter zitting van de kant van verweerder nogmaals is toegelicht, redenen die niets van doen hebben met de inhoudelijke beoordelingscriteria van aanvragen.

5.2

De rechtbank stelt vast dat eiseres de vereiste ervaring niet heeft en aldus niet voldoet aan dit criterium. De vraag of verweerder eiseres door middel van een herstel verzuim formulier of anderszins in de gelegenheid had moeten stellen aan te tonen dat zij wel aan deze eis voldoet, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Terecht heeft verweerder daarover het standpunt ingenomen dat dit geen kwestie betreft die met een herstel verzuim brief kan worden opgehelderd. Dit is bijvoorbeeld anders bij het niet overleggen van een liquiditeitsprognose, waar verweerder, naar ter zitting is gebleken, wèl herstel verzuim brieven verstuurt als deze gegevens niet zijn overgelegd. Bij eiseres is daar niet naar gevraagd, reeds omdat zij niet aan het daarvoor opgenomen criterium voldeed.
Bij de hoorzitting naar aanleiding van het bezwaar heeft eiseres overigens de kans om aan te tonen dat eiseres wel over ervaring zou beschikken onbenut gelaten. Derhalve valt ook niet in te zien hoe eiseres zou zijn geholpen als verweerder wèl een herstel verzuimbrief had verzonden.

5.3

Eiseres heeft haar stelling dat verweerder selectief gebruik maakt van de selectiecriteria niet met feiten onderbouwd. Verweerder betwist dat dit gebeurt en de rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om eiseres in dit standpunt te volgen.

5.4

Dat op de voorlichtingsbijeenkomst mogelijk niet duidelijk is aangegeven van de kant van verweerder dat er bij een gecombineerde aanvraag op verschillende criteria wordt getoetst maakt tenslotte niet dat verweerder niet (meer) bevoegd zou zijn om de uit de regelgeving voortvloeiende criteria onverkort op de aanvraag van eiseres toe te passen.
Met betrekking tot een e-mail bericht van een medewerker van verweerders dienst aan eiseres dat verweerder ‘in deze fase geen vragen heeft’ wordt geoordeeld dat hiermee geen rechtens te honoreren verwachtingen zijn gewekt dat de aanvraag van eiseres zou worden ingewilligd.

6.

Het bestreden besluit kan in stand blijven. Het beroep van eiseres is ongegrond.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, voorzitter en mr. H.J. Bastin en
mr. H.D. Tolsma, leden, in aanwezigheid van mr. H.W. Wind, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2013.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: