Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5560

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
18/830181-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval met dodelijk slachtoffer (wielrenner). Verdachte heeft door zijn rijgedrag -met te hoge snelheid rijden- gevaar en hinder op de weg veroorzaakt in de zin van artikel 5 Wegenverkeerswet. Verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf en een voorwaardelijke rijontzegging.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830181-13

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

12 september 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

29 augustus 2013.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Th. Pluijter, advocaat te Groningen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij

op of omstreeks 24 mei 2012

ter hoogte van of bij Holwierde, in de gemeente Delfzijl,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Hogelandsterweg, gaande in

de richting van Delfzijl en gekomen bij de kruising van die Hogelandsterweg en

de Bierumerweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

-terwijl verdachte verblind werd door de zon, althans terwijl de zon

verdachtes zicht op de weg belemmerde, en/of het zicht ter plaatse voor

verdachte naar rechts op het van rechts komende verkeer beperkt was of werd

belemmerd door hoge begroeiing in de berm -

met een snelheid van ongeveer 87 km per uur, althans met een (aanmerkelijk)

hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 km per

uur, in elk geval met een - gelet op de omstandigheden en/of de

(verkeers)situatie ter plaatse - te hoge snelheid, te rijden en/of genoemde

kruising (met onverminderde snelheid) op te rijden, waarop op dat moment een

fietser (te weten [slachtoffer]), die komende uit de richting van de

Bierumerweg, overstak en/of zich op genoemde kruising bevond, en/of in plaats

van genoemde fietser tijdig op te merken en/of tijdig te stoppen voor en/of

tijdig en/of voldoende uit te wijken voor en/of voldoende rekening te houden

met genoemde fietser

met het door verdachte bestuurde motorrijtuig is aangereden en/of gebotst

tegen die fietser en/of diens fiets

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij

op of omstreeks 24 mei 2012

ter hoogte van of bij Holwierde, in de gemeente Delfzijl,

als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de

Hogelandsterweg, gaande in de richting van Delfzijl en gekomen bij de kruising

van die Hogelandsterweg en de Bierumerweg,

-terwijl verdachte verblind werd door de zon, althans terwijl de zon

verdachtes zicht op de weg belemmerde, en/of het zicht ter plaatse voor

verdachte naar rechts op het van rechts komende verkeer beperkt was of werd

belemmerd door hoge begroeiing in de berm -

met een snelheid van ongeveer 87 km per uur, althans met een (aanmerkelijk)

hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 km per

uur, in elk geval met een - gelet op de omstandigheden en/of de

(verkeers)situatie ter plaatse - te hoge snelheid, heeft gereden en/of (met

onverminderde snelheid) genoemde kruising is opgereden, waarop op dat moment

een fietser (te weten [slachtoffer]), die komende uit de richting van de

Bierumerweg, overstak en/of zich op genoemde kruising bevond, en/of in plaats

van genoemde fietser tijdig op te merken en/of tijdig te stoppen voor en/of

tijdig en/of voldoende uit te wijken voor en/of voldoende rekening te houden

met genoemde fietser

met het door verdachte bestuurde voertuig is aangereden en/of gebotst tegen

die fietser en/of diens fiets

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, in die zin dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag heeft getoond. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Op basis van de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] kan worden vastgesteld dat de verkeersborden ter plekke, die aan beide kanten van de weg stonden, dusdanig waren gedraaid dat voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat er een maximum snelheid gold van 50 kilometer per uur. Uit zijn eigen verklaring en het proces-verbaal Verkeers-OngevalsAnalyse (hierna ook: VOA) volgt dat verdachte op het moment van het verkeersongeval 87 km/u heeft gereden. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een forse snelheidsovertreding. Daarnaast heeft hij de werkzaamheden ter plekke en het slachtoffer [slachtoffer] niet gezien. Dit alles maakt dat verdachte een fors verwijt is te maken. Er was geen sprake van omstandigheden die dit verwijt minder maken. Het was helder weer, het was licht, verdachte was bekend ter plaatse en hij was een ervaren bestuurder. Ten slotte heeft verdachte zijn rijgedrag niet aangepast bij benadering van de kruising. Hij heeft voor de kruising de cruisecontrol gereset op 90 km/u en is op volle snelheid de kruising opgereden. Er zijn geen aanwijzingen voor dat het slachtoffer zonder uit te kijken de kruising is opgereden. Wellicht is het slachtoffer er vanuit gegaan dat verdachte zich aan de toegestane snelheid hield en heeft hij de inschatting gemaakt dat hij kon oversteken voordat verdachte de kruising zou oprijden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich aan de maximumsnelheid van 80 km/u heeft gehouden, nu de verkeersborden niet zichtbaar waren opgesteld. Verdachte was ten tijde van het ongeval vrachtwagenchauffeur van beroep en het was zijn dagelijks werk om in het verkeer altijd de situatie ter plaatse en de verkeersborden goed in de gaten te houden en alert te reageren op veranderde situaties. Hij had geen haast om naar zijn werk te komen en hij reed net als andere bestuurders van auto's over de voorrangsweg, allen met dezelfde of nagenoeg dezelfde snelheid. De getuigen [getuige 3] en [getuige 4], werknemers van de aannemer van de wegwerkzaamheden, kunnen uit eigen belang hebben verklaard dat de verkeersborden wel zichtbaar waren en dat er werkzaamheden werden verricht. Getuige [getuige 5] weet wel dat op die dag bij de twee kruisingen voor de hier bedoelde de snelheidsborden nog in de lengterichting stonden, maar met betrekking tot het litigieuze kruispunt weet hij het niet. Of [getuige 5] op de bewuste kruising snelheid heeft verminderd, weten we niet, want dat is hem door de politie niet gevraagd.

Dat het lichaam van het slachtoffer de auto van verdachte vol heeft geraakt, wijst erop dat er geen sprake was van een beoordelingsfout van het slachtoffer, maar dat hij de auto van verdachte niet heeft gezien. Verdachte heeft het slachtoffer ook niet gezien, waar de hoge bermbegroeiing aan de rechterzijde van de weg mogelijk debet aan was. Het slachtoffer wist of had moeten weten dat hij het kruisende verkeer voorrang had dienen te verlenen. Dit werd hem door middel van de bebording duidelijk gemaakt. Niet verdachte, maar het slachtoffer heeft de aanrijding veroorzaakt. Als verdachte niet 80 km/u maar 50 km/u had gereden, was het gevolg even dramatisch geweest.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, telkens zakelijk weergegeven.

De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd:

Op 24 mei 2012 reed ik met mijn auto, VW Golf, over de Hogelandsterweg bij Holwierde, in de gemeente Delfzijl, gaande in de richting van Delfzijl en ben ik de kruising van deze weg met de Bierumerweg opgereden, waarna ik plotseling een harde klap hoorde en met mijn auto een man raakte die tegen de voorruit van mijn auto kwam. Ik had vlak voor de kruising de cruisecontrol aangetikt en gereset op 90 km/u. Ik denk wel dat ik tijdens de aanrijding 87 km/u heb gereden.

Een proces-verbaal d.d. 24 mei 2012, opgenomen op pagina 34 en 35 van dossier nr. PL01ME 2012051016 d.d. 2 juli 2012 , inhoudende de verklaring van [getuige 4]:

Vanmorgen, donderdag 24 mei 2012, omstreeks 07.30 uur, was ik samen met een collega bezig met werkzaamheden in de berm, langs de weg en bij een kruising in Holwierde of ter hoogte van Holwierde. Onze opdrachtgever heeft aan het begin van de week op die weg aan beide kanten en rijrichtingen van die weg, borden geplaatst met de tekst: 50 en werk in uitvoering. Aldaar geldt dus nu een tijdelijke maximumsnelheid van 50 kilometer per uur voor de weggebruikers. Wij waren bij die kruising in de berm aan het werk, aan de kant van Bierum zeg maar. Omstreeks dat tijdstip, 07.30 uur, wilden wij een kop koffie gaan drinken. Op het moment dat ik wegliep van de plaats waar wij in de berm aan het werk waren, hoorde ik links van mij een harde knal. Ik keek om en zag dat er een man geschept werd door een auto.

Een proces-verbaal d.d. 14 juni 2012, opgenomen op pagina 42 en 43 van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3]:

Op donderdag, 24 mei 2012, heb ik tussen 06.10 en 06.20 uur op de toegangswegen naar de kruising Hogelandsterweg - Bierumerweg nabij Holwierde, de aanwezige tijdelijke verkeersborden dusdanig gedraaid, dat ze voor het verkeer duidelijk zichtbaar waren. Omdat het zulk mooi weer was, zijn we die dag eerder begonnen en heb ik de borden rond die tijd al zichtbaar voor het verkeer gedraaid.

Bij iedere toegangsweg tot de kruising waren ruim voor de kruising aan beide zijden van de weg 2 palen geplaatst met aan ieder 2 borden. De borden "50" en "WERK IN UITVOERING" waren gecombineerd aan een paal bevestigd en de borden "ALGEMEEN GEVAARSTEKEN" en "VERKEERSREGELAARS" waren ook gecombineerd aan een paal bevestigd. De palen stonden naast elkaar in de bermen.

Ik weet zeker dat alle genoemde borden door mijzelf dusdanig gedraaid zijn dat ze voor het verkeer duidelijk zichtbaar waren.

Een proces-verbaal d.d. 4 juni 2012, opgenomen op pagina 36 en 37 van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1]:

Afgelopen donderdag, 24 mei 2012, omstreeks 07.30 uur, stuitte ik op een aanrijding, welke gebeurd was op de openbare weg ter hoogte van Holwierde.

Ik reed in mijn personenauto, komende vanaf de richting Spijk. Ik reed over de Provincialeweg N33 en sloeg voor Holwierde af, om zodoende naar Bierum te rijden alwaar ik werk.

Ik weet dat er die dag ook gewerkt werd in of aan de berm bij die betreffende kruising. Dit werd, vanaf de kant waar ik vandaan kwam, ongeveer 200 meter voor de kruising middels borden aangegeven. Deze borden stonden in de berm van die weg. Ik kom daar vaak langs in verband met mijn werk. Ik weet dat normaal gesproken daar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur geldt. Ten tijde van de aanrijding die ochtend, op donderdag 24 mei 2012, was de maximumsnelheid 30 kilometer per uur of 50 kilometer per uur, in verband met die werkzaamheden. Ik weet niet zeker meer welke van de twee snelheden, volgens mij was het 50 kilometer per uur. Ik heb de borden daar die ochtend duidelijk gezien langs de kant van de weg.

Een proces-verbaal d.d. 1 juni 2012, opgenomen op pagina 38 en 39 van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van[getuige 2]:

Op donderdag 24 mei 2012 reed ik met mijn auto de Hogelandsterweg van Holwierde naar Delfzijl op. Ik zag dat er borden geplaatst waren met een snelheidsbeperking van 50 km per. Deze borden stonden er vanaf het begin van de week omdat men met de weg bezig was. Ik hield me aan deze aangegeven snelheid. Op die weg ongeveer ter hoogte van Holwierde, zag ik een aantal auto's stilstaan. Later hoorde ik dat er een ongeluk was gebeurd.

Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 24.05.2012.08.00.2169 d.d. 12 juli 2012, als los document gevoegd; relatering verbalisanten [verbalisanten]:

Wij hebben op donderdag 24 mei 2012, omstreeks 08.00 uur een nader onderzoek ingesteld.

Voertuig 1: fiets (race), merk Batavus.

Voertuig 2: personenauto, merk Volkswagen, type Golf TDI 74 kw.

Beknopte ongevalsbeschrijving:

De bestuurder van voertuig 1 (Batavus) reed daarmede over de Bierumerweg te Holwierde in de richting van de kruising met de Hogelandsterweg N997. Bij deze kruising aangekomen stak hij de kruisende weg, de Hogelandsterweg N997 recht over. Hierbij kwam hij op het kruisingsvlak in botsing met voertuig 2 (Volkswagen) die hem van links naderde over de Hogelandsterweg N997. Als gevolg van deze botsing overleed de bestuurder van voertuig 1 (Batavus) ter plaatse aan zijn verwondingen.

Conclusie / beantwoording

Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de, bij het ongeval om het leven gekomen, bestuurder van voertuig 1 (Batavus) immers:

•De bestuurder van voertuig 1 (Batavus) verleende, bij het oprijden van vermelde kruising, geen voorrang aan het verkeer (voertuig 2) dat naderde over de kruisende weg. Hij gaf alzo geen gevolg aan een verkeersteken dat een gebod inhield. Dit is in strijd met artikel 62 i.v.m. bord B6 van het RW 1990.

•Daarnaast waren op de Bierumerweg, gezien vanuit zijn rijrichting, onmiddellijk voor het kruisingsvlak haaientanden aangebracht als bedoeld in artikel 80 van het RW 1990. Deze haaientanden waren duidelijk zichtbaar.

•Tevens heeft de bestuurder van voertuig 1 (Batavus) zich zodanig gedragen dat hierdoor gevaar op de weg werd veroorzaakt. Dit is in strijd met artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Daarnaast zijn wij van mening dat het ongeval mede moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van voertuig 2 (Volkswagen) immers:

•De bestuurder van voertuig 2 (Volkswagen) reed onmiddellijk voor de botsing met een snelheid die (aanmerkelijk) hoger lag dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 km/h. De bestuurder van voertuig 2 (Volkswagen) had alzo geen gevolg gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhield. Dit is in strijd met artikel 62 in verband met bord Al (opschrift 50) van bijlage 1 van het RW 1990.

In het verlengde hiervan heeft de bestuurder van voertuig 2 (Volkswagen):

•zich zodanig gedragen dat hierdoor gevaar op de weg werd veroorzaakt. Dit is in strijd met artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Cruise control

De bestuurder verklaarde onder andere dat hij onmiddellijk voor het ongeval reed met een snelheid van 90 km/h op de "cruise control". Op 29 mei 2012 heb ik, 1e verbalisant, met het voertuig (Volkswagen) gereden waarbij ik de cruise control had ingesteld op 90 km/h. Deze waarde las ik af van de snelheidsmeter in het voertuig. Tijdens het rijden met de ingeschakelde cruise control werd de snelheid van het voertuig gemeten met behulp van een geijkte lasergun. De snelheid van 90 km/h bleek overeen te komen met een werkelijke snelheid van circa 87 km/h.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat op de Hogelandsterweg, de weg waarop verdachte zich bevond, ten tijde van het ongeval een maximumsnelheid gold van 50 kilometer per uur. Dat de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] een onbetrouwbare verklaring hebben afgelegd, zoals met zoveel woorden namens verdachte is gesuggereerd, is niet aannemelijk geworden. Bovendien hebben ook de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], die vlak na het ongeval ter plekke zijn gearriveerd, verklaard dat er die morgen een snelheidsbeperking gold. Uit de eigen verklaring van verdachte volgt dat hij met een snelheid heeft gereden van 87 kilometer per uur in plaats van de toegestane snelheid van 50 kilometer per uur. Verdachte heeft daarmee een grove snelheidsovertreding begaan.

Het primair ten laste gelegde stelt de rechtbank vervolgens voor de vraag of er een schuldverband bestaat tussen het verkeersgedrag van verdachte en het ongeval dat heeft plaatsgehad. Er moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid aan de zijde van verdachte, waaraan het ongeval in redelijkheid is toe te rekenen.

Of een zodanig schuldverband kan worden aangenomen hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

De rechtbank stelt vast dat verdachte onvoorzichtig verkeersgedrag heeft vertoond door de ter plaatse geldende (verlaagde) maximumsnelheid in ernstige mate te overschrijden. Verdachte had hierdoor minder tijd om een inschatting te maken van de verkeerssituatie ter plaatse. Nu andere verkeersdeelnemers - waaronder het latere slachtoffer [slachtoffer] - bovendien mogelijk anticipeerden op de verlaagde maximumsnelheid op de Hogelandsterweg, leverde verdachtes snelheidsovertreding gevaar op voor andere weggebruikers.

Uit de ongevalsbeschrijving van de VOA maakt de rechtbank voorts op dat ook [slachtoffer] een ernstige verkeersfout heeft gemaakt, door met zijn racefiets geen voorrang te verlenen aan verdachte. Daarbij is onduidelijk gebleven met welke snelheid [slachtoffer] de voorrangskruising is genaderd, of hij voorafgaand aan de oversteek snelheid heeft geminderd en of hij zich bijvoorbeeld heeft opgericht om uit te kijken naar van links naderend verkeer. Gelet hierop blijft ongewis in hoeverre de verkeersfout van [slachtoffer] voor verdachte voorzienbaar was, en vanaf welk moment een voorzichtig automobilist had kunnen en moeten anticiperen op een wielrenner die mogelijk voorrang zou nemen. In welke mate aan verdachte op dit punt een verwijt te maken is, is derhalve niet vast komen te staan.

Het voorgaande maakt dat het primair ten laste gelegde schuldverband niet kan worden bewezen. Verdachte heeft weliswaar veel te hard gereden en wielrenner [slachtoffer] pas waargenomen toen het al te laat was, maar naar het oordeel van de rechtbank levert dit in het onderhavige geval niet een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid op, waaraan het fatale ongeval in redelijkheid kan worden toegerekend. Dit brengt met zich mee dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen staat wel vast dat verdachte door zijn rijgedrag - met te hoge snelheid rijden - gevaar en hinder op die weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 24 mei 2012 ter hoogte van of bij Holwierde, in de gemeente Delfzijl, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Hogelandsterweg, gaande in de richting van Delfzijl en gekomen bij de kruising van die Hogelandsterweg en de Bierumerweg, met een te hoge snelheid, te weten ongeveer 87 km per uur in plaats van de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 km per uur, heeft gereden en met onverminderde snelheid genoemde kruising is opgereden, waarop op dat moment een fietser (te weten [slachtoffer]), die komende uit de richting van de Bierumerweg, overstak en/of zich op genoemde kruising bevond, met het door verdachte bestuurde voertuig is aangereden tegen die fietser en diens fiets, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

subsidiair overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het primair ten laste gelegde te veroordelen tot een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een rijontzegging van één jaar, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit en de gevolgen van het ongeval, welke gevolgen door de echtgenote van het slachtoffer op de zitting naar voren zijn gebracht. Daarnaast heeft zij rekening gehouden met de persoon van verdachte. Verdachte heeft geen documentatie ten aanzien van verkeersdelicten, hij heeft contact gezocht met de nabestaanden van het slachtoffer, is jong en op zoek naar werk. Een gevangenisstraf die volgens de landelijke oriëntatiepunten bij een dergelijk feit zou moeten worden opgelegd, is daarom niet aangewezen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht, voor het geval tot een bewezenverklaring wordt gekomen, rekening te houden met de omstandigheden van het geval en de ernstige gevolgen voor verdachte. Hij is zijn baan kwijtgeraakt door het ongeval en hij moet in het reine zien te komen met het afschuwelijke feit dat het slachtoffer als gevolg van het ongeval is overleden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 door met zijn auto met een snelheid van 87 kilometer per uur te rijden op een weg waar op dat moment slechts 50 kilometer per uur was toegestaan. Verdachte, die op een voorrangsweg reed, is vervolgens op een kruising aangereden tegen het slachtoffer [slachtoffer], een fietser, die zich op dat moment op de kruising bevond. Tengevolge van die aanrijding is het slachtoffer overleden. Zoals uit de door de echtgenote van het slachtoffer ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring is gebleken, heeft het ongeval voor de nabestaanden van het slachtoffer zeer grote gevolgen met zich gebracht.

Gelet op de aard en ernst van het feit acht de rechtbank een werkstraf passend.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest wegens overtreding van de Wegenverkeerswet.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport van 3 juni 2013, waaruit naar voren komt dat verdachte op geen enkel leefgebied problemen ondervindt. De kans op herhaling wordt door Reclassering Nederland als laag ingeschat.

Naast een werkstraf acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op haar plaats omdat verdachte door het plegen van het bewezen- en strafbaar verklaarde de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan is gevorderd door de officier van justitie, omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet het primair maar het subsidiair ten laste gelegde bewezen acht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

- een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 60 (zestig) urenmet bevel dat

vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast als veroordeelde

deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

- ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes)

maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. L.H.A.M. Voncken en

mr. F. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van A.W. ten Have-Imminga als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 september 2013.