Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5558

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
17/880423-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schietincident in het centrum van Leeuwarden. Vrijspraak van poging tot moord. De rechtbank acht poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/880423-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 september 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

verblijvende in de PI Leeuwarden, te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 maart 2013, 11 juni 2013 en 3 september 2013.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 december 2012 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een revolver, althans een vuurwapen, een of meer kogel(s)/projectiel(en) heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer], zulks terwijl hij verdachte zich op geringe afstand van die [slachtoffer] bevond en/of

waarbij een kogel/projectiel door zijn linker bovenbeen is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 4 december 2012 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een revolver, althans een vuurwapen, een of meer kogel(s)/projectiel(en) heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer], zulks terwijl hij verdachte zich op geringe afstand van die [slachtoffer] bevond en/of waarbij een kogel/projectiel door zijn linker bovenbeen is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van

en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 4 december 2012 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een revolver, althans een vuurwapen, een of meer kogel(s)/projectiel(en) heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer], zulks terwijl hij verdachte zich op geringe afstand van die [slachtoffer] bevond en/of waarbij een kogel/projectiel door zijn linker bovenbeen is gegaan terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest;

Beoordeling van het bewijs

Overweging met betrekking tot de voorbedachte raad.

Uit de stukken blijkt dat verdachte en aangever op 4 december 2012 korte tijd voorafgaand aan het schietincident twee eerdere confrontaties hebben gehad, waarbij de gemoederen hoog zijn opgelopen. In de stukken zijn weliswaar aanwijzingen te vinden voor de stelling dat verdachte na die confrontaties bewust op zoek is gegaan naar aangever, maar zelfs indien dat zou worden aangenomen, dan valt daaruit naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat bij verdachte op dat moment reeds de gedachte had postgevat om [slachtoffer] van het leven te beroven. Niet valt uit te sluiten dat verdachte, toen hij voor de derde maal in korte tijd met aangever in aanvaring kwam, in een gemoedsopwelling de revolver ter hand heeft genomen en daarmee heeft geschoten. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter terechtzitting is namens verdachte bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat aangever [slachtoffer] door een door verdachte afgevuurde kogel is geraakt. Daartoe is onder meer gesteld dat niet exact kan worden vastgesteld op welk moment aangever gewond is geraakt en dat de broek die aangever op het moment van het schietincident droeg, onbeschadigd is.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de avond van 4 december 2012 twee confrontaties met aangever heeft gehad. Daarna is verdachte diezelfde avond aangever opnieuw tegengekomen in Leeuwarden en is er een derde confrontatie geweest, waarbij verdachte kort na elkaar drie schoten heeft gelost. Verdachte heeft eveneens ter terechtzitting verklaard dat de afstand tussen hem en aangever op dat moment ongeveer drie tot vier meter bedroeg.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij na het tweede schot iets aan zijn linker bovenbeen voelde. Aangever is na het schietincident naar het Medisch Centrum Leeuwarden (MCL) gegaan, alwaar hij is behandeld aan zijn verwonding. In de behandelkamer waar aangever is behandeld is enige tijd later een projectiel aangetroffen, gelijkend op een kogel. Deze kogel is onderworpen aan sporenonderzoek en ballistisch onderzoek. Uit door het NFI verricht sporenonderzoek is naar voren gekomen dat de kogel bloedsporen bevat die overeenkomen met het bloed van aangever. Uit het ballistisch onderzoek valt op te maken dat de kogel past bij een revolver, type Nagant. Ter terechtzitting geconfronteerd met een foto van dit type wapen, heeft verdachte verklaard dat het wapen waarmee hij heeft geschoten daarmee gelijkenis vertoont.

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de aangetroffen kogel de verwonding van verdachte heeft veroorzaakt en dat verdachte die kogel heeft afgevuurd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, behoudens de verklaring van verdachte, uit de stukken niet blijkt dat aangever (of enige andere aanwezige persoon) ten tijde van het schietincident een vuurwapen bij zich droeg, laat staan dat daarmee geschoten zou zijn. Een andere oorzaak van de verwonding is naar het oordeel van de rechtbank daarom niet aannemelijk.

Dat de broek van aangever niet is beschadigd kan aan het voorgaande niet afdoen, nu aangever bij de politie heeft verklaard op welke hoogte hij zijn broek droeg ten tijde van het schietincident en op welke hoogte de entree- en uitgangswond zich bevinden. Daaruit blijkt dat de kogel de broek van aangever kan hebben gemist.

Het bewijs

De rechtbank past bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1.

De door verdachte [verdachte] op de terechtzitting van 3 september 2013 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 december 2012 heb ik in Leeuwarden drie confrontaties gehad met[slachtoffer]. Bij de laatste confrontatie heb ik drie schoten gelost. Ik bevond mij op dat moment op een afstand van ongeveer drie tot vier meter van [slachtoffer]. U toont mij een afbeelding van een revolver. Het wapen waarmee ik heb geschoten betrof een revolver en lijkt op het wapen op de afbeelding.

Opmerking rechtbank: aan verdachte wordt de afbeelding op pagina 7 van het NFI-rapport, betreffende ballistisch onderzoek getoond. Hierop staat afgebeeld een revolver van het type Nagant.

2.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2012130482, gesloten op 14 januari 2013, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2012130482-B, d.d. 6 december 2012, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer]:

Ik was op 4 december 2012 in de binnenstad van Leeuwarden. Opeens kwam er een auto aan en stapte een man uit. Hij pakte een wapen en wees daarmee naar mij. Ik stond vlak bij hem. Vervolgens schoot hij een keer. Ik zag alleen het vuur. De man schoot weer. Ik voelde iets in mijn bovenbeen. Toen hij de derde keer schoot, schoot hij op mijn auto. Het was [verdachte] die het wapen had.

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2012130482-43, d.d. 12 december 2012, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige]:

Ik zag dat de jongen waar [slachtoffer] ruzie mee had gehad, uit zijn auto stapte en op [slachtoffer] kwam aflopen die naast zijn auto stond. Ik zag dat de jongen hierbij een zwart pistool (de rechtbank begrijpt: een vuurwapen) in zijn handen had en dit richtte op [slachtoffer]. De jongen begon gelijk daarop te schieten. Volgens mij heeft hij hierbij 3 a 4 keer met het wapen geschoten. Hij richtte daarbij op [slachtoffer] en de auto van [slachtoffer].

2.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2012130482-17, d.d. 9 januari 2013, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Op 4 december 2012 kwam ik op de plaats delict te Leeuwarden aan. Ik zag dat op de rijbaan een gefragmenteerd projectiel lag. Ik heb dit projectiel veiliggesteld.

Op 5 december 2012, omstreeks 00.05 uur werd door het Medisch Centrum Leeuwarden medegedeeld dat er zojuist een projectiel in behandelkamer 4 was aangetroffen. Dit projectiel was volgens de verpleegkundige gevonden in de kamer waar [slachtoffer] eerder die avond was behandeld voor een schotwond.

2.4

een geneeskundige verklaring, op 15 januari 2013 opgemaakt en ondertekend door [naam 1], arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:

[slachtoffer], onderzocht op 4 december 2012.

Entreewond buitenzijde linker bovenbeen.

Uitgangswond laterale zijde linker bil.

3.

Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2013.05.06.111, d.d. 11 juni 2013, opgemaakt door W. Kerkhoff, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Te onderzoeken materiaal:

Kogelpunt aangetroffen in behandelkamer MCL.

Kogelpunt aangetroffen op plaats delict.

De kogelpunten worden in de rapportage respectievelijk aangeduid als 'kogel' en 'kogelmantel.'

Conclusie: De kogel en de kogelmantel zijn vermoedelijk verschoten met een revolver van het type Nagant, van het kaliber 7,62 mm Nagant.

4.

Een deskundigenrapport afkomstig van GGD Friesland, d.d. 14 mei 2013, zijnde een schriftelijk bescheid, opgemaakt door T.H. Tan, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:

Het is niet waarschijnlijk dat [slachtoffer] is geraakt door een ricochet.

Het is niet waarschijnlijk dat [slachtoffer] is geraakt door een vuurwapen dat werd gedragen in de broekband of broekzak.

Het traject van de kogel loopt van de voorzijde van het linker bovenbeen naar de achterzijde van het been.

5.

Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2013.05.06.111, d.d. 26 juli 2013, opgemaakt door dr. J.H.A. Nagel en dr. P.A. Maaskant - van Wijk, op de door hen afgelegde algemene belofte als vaste gerechtelijk deskundigen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Te onderzoeken materiaal: Kogelpunt aangetroffen in behandelkamer MCL.

Eerder onderzocht materiaal: Een referentiemonster wangslijmvlies van [slachtoffer].

Gecombineerde interpretatie en conclusie DNA- en RNA-onderzoek:

Geconcludeerd wordt dat de bemonstering van de kogelpunt bloed bevat dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

6.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2012130482, d.d. 28 mei 2013, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van[slachtoffer]:

Ik ben op 4 december 2012 door [verdachte] beschoten. Ik ben destijds geraakt boven mijn broeksband. De kogel is boven mijn broeksband in mijn lichaam gegaan. De kogel is vlak onder mijn linkerbil het lichaam uitgegaan. Ook dat is boven mijn broeksband.

Overweging met betrekking tot de (voorwaardelijke) opzet.

Namens verdachte is ter terechtzitting betoogd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Daartoe is gesteld dat verdachte niet in de richting van aangever heeft geschoten, maar dat hij bewust naar de grond en de auto heeft geschoten.

De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van[slachtoffer] en [getuige] vast dat verdachte in de richting van aangever heeft geschoten. De rechtbank heeft geen reden om aan de inhoud van deze verklaringen te twijfelen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking de omstandigheid dat [slachtoffer] daadwerkelijk is getroffen en dat blijkens het GGD-rapport van 14 mei 2013, gelet op de locatie en het trajectverloop van de verwonding, niet waarschijnlijk is dat de verwonding is ontstaan als gevolg van een ricochetschot. De rechtbank stelt voorts op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte van een afstand van ongeveer drie meter in de richting van aangever heeft geschoten. Schieten van een dergelijke geringe afstand in de richting van een persoon is naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de levensberoving van die persoon, dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg, te weten de dood van [slachtoffer], heeft aanvaard.

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 4 december 2012 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een revolver een of meer kogels heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer], zulks terwijl hij zich op geringe afstand van die [slachtoffer] bevond en waarbij een kogel door zijn linker bovenbeen is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Subsidiair: poging tot doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft opzettelijk gepoogd[slachtoffer] van het leven te beroven door van korte afstand met een revolver in diens richting te schieten. Verdachte heeft [slachtoffer] getroffen in zijn bovenbeen. Het risico dat [slachtoffer] het handelen van verdachte met het leven had moeten bekopen, is geenszins denkbeeldig. Daar komt bij dat de schietpartij plaatsvond op de openbare weg in de binnenstad van Leeuwarden, op de avond voor sinterklaasavond, op een tijdstip waarop veel mensen op straat waren om inkopen te doen. Ook voor argeloze voorbijgangers is door het handelen van verdachte een gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Delicten waarbij het leven van anderen gevaar loopt, zijn van zeer ernstige aard. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur is voor dergelijke delicten passend en geboden. Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, niet tot een bewezenverklaring van poging tot moord komt, zal de op te leggen straf lager uitvallen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.

Verdachte kent relatief gering justitieel verleden, waarbij de laatste veroordeling voor een geweldsdelict in 2003 is geweest.

Uit de over verdachte opgemaakte rapportages komt onder meer naar voren dat er bij verdachte ten tijde van het feit sprake was van een persoonlijkheidsstoornis, die gepaard gaat met latente agressie, een gebrekkig functionerend geweten en zwak invoelend vermogen. Verdachte dient als gevolg van deze stoornis als licht verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd. Geadviseerd wordt onder meer een gedragsinterventie en ambulante behandeling op te leggen.

Al het voorgaande afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden. De rechtbank acht behandeling van groot belang voor deze nog jonge verdachte en zal daarom een gedeelte van deze straf voorwaardelijk opleggen, om in het kader van bijzondere voorwaarden gedragsverandering mogelijk te maken door middel van behandeling.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot één jaar niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1.

dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2.

dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3.

dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1.

dat veroordeelde zich uiterlijk binnen 14 dagen na zijn invrijheidstelling meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1, 8933 AJ Leeuwarden;

2.

dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Ambulante Forensische Psychiatrie, teneinde zich te laten behandelen voor zijn persoonlijkheidsstoornis.

3.

dat veroordeelde gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een ArVa gedragstraining, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. Y. Huizing en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door D.D. Drost, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2013.

w.g.

Wiersma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Huizing

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

De Wit

Locatie Leeuwarden,

Drost