Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5551

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
23-09-2013
Zaaknummer
577385 CV EXPL 13-1829
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht, aansprakelijkheid uitlener

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 577385 CV EXPL 13-1829

Vonnis d.d. 5 september 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WtbE B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Groningen,

eiseres, hierna WtbE te noemen,

gemachtigde: D. de Veen, gerechtsdeurwaarder ten kantore van GDW gerechtsdeurwaarders en Incasso, gevestigd te Sneek,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Technisch Bureau [naam] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [adres],

gedaagde, hierna [A] te noemen,

gemachtigde: [A], directeur.

PROCESGANG

Bij tussenvonnis van 28 maart 2013 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast. Deze is gehouden op 23 mei 2013. De zaak is gelijktijdig behandeld met de door WtbE onder zaak/rolnummer 579246 CV EXPL 13-2447 aanhangig gemaakte zaak. WtbE heeft zich doen vertegenwoordigen door haar directeur de heer [B] en medewerker de heer [C]. Zij werden bijgestaan door [D] als gemachtigde. [A] is verschenen bij haar directeur de heer [A]. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [A] een specificatie van zijn eis in reconventie overgelegd. Ter zitting is door WtbE gereageerd op de eis in reconventie. Door de griffier is aantekening gehouden van het verhandelde ter zitting. Na afloop van de comparitie is (nader) vonnis bepaald. De uitspraak van het vonnis is vastgesteld op heden.

OVERWEGINGEN

1 De vaststaande feiten

In conventie en in reconventie

1.1.

WtbE is een bedrijf dat als technisch intermediair fungeert in de technische branche.

1.2.

[A] is een bedrijf dat zich gespecialiseert in de ontwikkeling van op maat gemaakte liften.

1.3.

Op 1 oktober 2012 zijn partijen een overeenkomst aangegaan op grond waarvan WtbE de heer [E] als projectleider machinebouw aan [A] heeft uitgeleend. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van WtbE van toepassing.

1.4.

In het kader van voormelde overeenkomst is [E] ingezet op een project, waarvoor via WtbE tevens een projectengineer is ingeleend. De werkzaamheden van [E] bestaan op grond van de overeenkomst uit het plannen en uitvoeren van projecten ter zake van technische machinebouw en het onderhouden van contacten met de opdrachtgever.

1.5.

Uit hoofde van de overeenkomst heeft WtbE (onder meer) in de periode van 1 november 2012 tot en met 13 december 2012 een zevental facturen gezonden, waarmee zij de uren en reiskosten van [E] bij [A] in rekening heeft gebracht. Het totaal van deze facturen betreft een bedrag van € 15.939,49.

1.6.

[A] heeft voormelde facturen ondanks herhaaldelijke aanmaningen volledig onbetaald gelaten.

1.7.

In verband met de prestaties van de project engineer heeft op 23 november 2012 tussen partijen een gesprek plaatsgevonden.

1.8.

Vervolgens heeft WtbE haar vordering ter incasso overgedragen aan haar gemachtigde.

1.9.

Bij brief van 14 januari 2013 heeft [A] aan de gemachtigde bericht dat zij WtbE aansprakelijk heeft gesteld voor schade die door haar toedoen is veroorzaakt. Daarbij is vermeld dat de totaal geleden en te lijden schade is geschat op een bedrag dat het totaal bedrag van de vorderingen van WtbE overstijgt. Ook heeft WtbE middels deze brief laten weten dat een deel van de vorderingen is gebaseerd op onjuiste facturen.

1.10.

In reactie op voormelde brief heeft de gemachtigde bij brief van 1 januari 2013 aan [A] bericht dat WtbE niet bekend is met een aansprakelijkheidsstelling van [A] in verband met de werkzaamheden van [E] noch met de omstandigheid dat de betreffende facturen onjuist zijn. De vordering wordt dan ook gehandhaafd.

4 De standpunten van partijen



In conventie en in reconventie

2.1.

WtbE stelt samengevat dat [A] gehouden is de zeven, juist opgemaakte facturen aan haar te voldoen. In reactie op het verweer van [A] heeft zij gesteld dat [A] geen klachten heeft geuit over de door [E] verrichte werkzaamheden. Verder heeft [A] haar niet eerder gewezen op de onjuistheid van de facturen. Zij betwist ook dat dit het geval is. Nu de door [A] gestelde schade geen verband houdt met de overeenkomst die ziet op de inlening van [E], kan [A] deze gepretendeerde schade niet met de onderhavige vordering verrekenen.

2.2.

[A] heeft kort gezegd als verweer aangevoerd dat de door haar bij WtbE ingeleende projectengineer [F] niet geschikt is gebleken voor de te verrichten werkzaamheden en [F] met de uitvoering daarvan schade heeft veroorzaakt voor [A]. Zij stelt dat hierover met WtbE is gesproken en dat daarbij is overeengekomen dat [A] na voltooiing van het project een schadestaat zou opmaken die vervolgens zou worden besproken. Zij laat daarbij verder weten dat WtbE zich op het moment dat zich problemen aandienden omtrent de prestaties van [F] intensief heeft bezig gehouden met de begeleiding, teneinde [F] op het goede spoor te krijgen. In dat kader is [E] in overleg met WtbE ingeleend en is hij op hetzelfde project ingezet. In reconventie stelt [A] jegens WtbE aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de door haar als gevolg van de door de projectengineer ondeugdelijk verrichte werkzaamheden geleden schade. Het totaal van de schade is door [A] begroot op een bedrag van € 38.888,70.

3 De beoordeling

In conventie

3.1.

Aan de orde is de vraag of [A] gehouden is om de facturen waarbij de werkzaamheden van [E] in rekening zijn gebracht te betalen.

3.2.

Vast staat dat [A] ten aanzien van de door [E] verrichte werkzaamheden geen klachten heeft geuit. Voor zover [A] heeft gesteld dat [E] is ingezet vanwege de ondeugdelijk verrichte werkzaamheden door de door hem via WtbE ingeleende projectengineer, is gesteld noch gebleken dat dit op non-factuurbasis is geschied. Integendeel, [A] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat [E] haar niet gratis is uitgeleend en dat afgesproken is dat zij voor zijn werkzaamheden moet betalen. Dit blijkt ook uit de ter zake opgestelde overeenkomst.

3.3.

Verder heeft [A] gesteld dat sprake is van onjuiste facturen, in die zin dat de daarop vermelde uren niet overeenkomen met de werkelijk door [E] gemaakte uren dan wel dat deze niet door haar zijn geaccordeerd. WtbE heeft deze stelling betwist. Het had gelet op deze betwisting op de weg van [A] gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Zo had hij op zijn minst moeten aangeven om hoeveel uren het gaat en in welke weken deze zijn gefactureerd. Dit heeft hij echter nagelaten. Aan deze stelling van [A] moet de kantonrechter dan ook voorbij gaan.

3.4.

Het voorgaande betekent dat van de juistheid van de facturen moet worden uitgegaan. [A] is deze dan ook verschuldigd.

3.5.

Voor zover [A] de gevorderde facturen wenst te verrekenen met de door hem gestelde schade, overweegt de kantonrechter dat voor de bevoegdheid daartoe – anders dan WtbE meent – het vereiste van voldoende samenhang (als bij opschorting) niet geldt. De omstandigheid dat de gestelde schade geen verband houdt met de overeenkomst die ziet op de inlening van [E] doet dan ook niet ter zake. Nu de aansprakelijkheid voor de gestelde schade evenwel uitdrukkelijk is betwist door WtbE, kan de gegrondheid van die gestelde, eventueel te verrekenen vordering niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld. De kantonrechter zal dit verrekeningsverweer daarom op grond van artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek passeren.

3.6.

De conclusie is dat de vordering van WtbE die ziet op de facturen van [E] zal worden toegewezen. Ook de vordering van de rente is toewijsbaar, omdat [A] met betaling in verzuim is.

3.7.

Verder is op grond van de processtukken genoegzaam aannemelijk geworden dat de in het geding zijnde incassowerkzaamheden naar aard, omvang en daarmee samenhangende kosten als redelijk kunnen worden aangemerkt. Dit deel van de vordering zal daarom ook worden toegewezen.

3.8.

[A] zal ten slotte als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

In reconventie

3.11.

[A] heeft gesteld dat hij schade heeft geleden als gevolg van de inlening van een projectengineer en zij meent dat WtbE hiervoor aansprakelijk kan worden gehouden.

3.12.

WtbE heeft zich tegen de aansprakelijkheidstelling verweerd met een beroep op de artikelen 4 en 11 van haar algemene voorwaarden. Hieruit volgt dat WtbE arbeids-krachten ter beschikking stelt en daarbij slechts een bemiddelende en administratieve rol vervult. Verder is in deze artikelen bepaald dat de werkzaamheden door de arbeidskracht (in dit geval [F]) word uitgevoerd binnen de organisatie van de opdrachtgever (in dit geval [A]) en onder diens volledige verantwoordelijk-heid en begeleiding. Daarnaast is in artikel 11 van de voorwaarden te lezen dat WtbE niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die de door haar uitgezonden arbeidskrachten mochten veroorzaken aan derden of de opdrachtgever zelf.

3.13.

Ter zitting is gebleken dat WtbE in de praktische uitvoering van de overeenkomst ook een bemiddelende en administratieve rol heeft vervult door [F] aan [A] voor te dragen als mogelijke kandidaat voor de te vervullen werkzaamheden en dat [F] zijn werkzaamheden vervolgens voor en onder begeleiding van [A] heeft uitgevoerd onder uitbesteding van de loonadministratie aan WtbE.

3.14.

Gelet op het voorgaande is het uitgangspunt dat WtbE niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door [F] veroorzaakte schade. De in de algemene voorwaarden opgenomen uitsluiting van de verantwoordelijkheid stemt overigens overeen met de wettelijke regeling ten aanzien van de uitzendovereenkomst als omschreven in artikel 7:690 BW. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de inlening van [F] door [A] onder dit artikel worden geschaard. De in de algemene voorwaarden bedoelde uitsluiting is - voor zover [A] dat al meent - in beginsel dan ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

3.15.

[A] stelt evenwel dat in dit geval sprake is van omstandigheden die moeten leiden tot afwijking van voormeld uitgangspunt. Zo heeft hij naar voren gebracht dat intensief met WtbE is gesproken over de (wan)prestatie van [F] en dat naar aanleiding daarvan - mede omdat WtbE vond dat [F] de klus aan zou moeten kunnen - samen is afgesproken om de inzet van [F] voort te zetten. De kantonrechter is evenwel van oordeel dat in deze omstandigheid geen rechtvaardiging voor een verschuiving van de verantwoordelijkheid kan worden gezien. [A] had op grond van de overeenkomst de mogelijkheid om deze tussentijds op te zeggen en vaststaat ook - als door WtbE gesteld en door [A] niet weersproken - dat WtbE [A] op deze mogelijkheid heeft gewezen.
Ter gelegenheid van de zitting heeft [A] laten weten dat hij - omwille van de tijdsdruk die op het project lag - zelf heeft besloten niet te willen stoppen met [F]. De omstandigheid dat WtbE hierin een bemiddelende rol heeft gespeeld, neemt niet weg dat de beslissing om al dan niet door te gaan met de inlening bij [A] ligt. Bovendien is het in eerste instantie ook [A] geweest die het zag zitten met [F] en heeft zij zelf, na de vrijblijvende voordracht van [F] door WtbE, besloten om [F] in te lenen voor de werkzaamheden.

3.16.

Nu door [A] verder geen omstandigheden zijn aangedragen die tot de conclusie moeten leiden dat de schade een onmiddellijk gevolg is van een aan WtbE toe te rekenen fout dan wel overige omstandigheden die maken dat van genoemd uitgangspunt moet worden afgeweken, komt de door [A] gestelde schade op grond van het bepaalde in de algemene voorwaarden voor haar eigen risico en rekening.

3.17.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [A] van de door hem gestelde schade zal worden afgewezen.

3.18.

[A] zal ten slotte als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de nauwe samenhang met de vordering in conventie zal de kantonrechter deze vaststellen op nihil.

BESLISSING

De kantonrechter:

In conventie

- veroordeelt [A] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan WtbE te betalen een bedrag van € 17.075,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 15.939,49 vanaf 18 februari 2013 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt [A] tevens in de kosten van het geding, aan de zijde van WtbE tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 896,00 aan griffierecht, € 87,71 aan explootkosten en € 600,00 voor salaris van de gemachtigde;

  • -

    verklaart dit tot zover vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    ontzegt het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

  • -

    wijst de vordering af;

  • -

    veroordeelt [A] in de kosten van het geding, aan de zijde van WtbE tot aan deze uitspraak vastgesteld op nihil.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann, kantonrechter, en op 5 september 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: mb