Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5390

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
12/880 en 13/98
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2222, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoeken. Vergaarplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Assen

zaaknummers: AWB 12/880 en AWB 13/98

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2013 in de zaken tussen

[eiser]te Hoogeveen, eiser,

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde[gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluiten van 9 augustus 2012 (de primaire besluiten) heeft verweerder beslist op de verzoeken van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluiten van 30 oktober 2012 en 19 december 2012 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2013. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Van de zijde van verweerder was tevens aanwezig [gemachtigde].

Overwegingen

1.1 Vanwege twee op 23 mei 2012 geconstateerde overschrijdingen van de maximumsnelheid heeft eiser twee boetebeschikkingen ontvangen op grond waarvan hij een bedrag van in totaal € 277,00 (€ 128,00 + € 149,00) dient te voldoen.

1.2 Bij brieven van 11 juli 2012 heeft eiser tegen deze beschikkingen administratief beroep ingesteld en verweerder gevraagd om alle documenten die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van deze beschikkingen, waaronder de zaakoverzichten.

1.3 Bij de primaire besluiten heeft verweerder deze verzoeken toegewezen voor zover de documenten in het bezit zijn van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM). Hierbij heeft verweerder de twee zaakoverzichten overgelegd. Voor verdere informatie heeft verweerder eiser doorverwezen naar de betreffende opsporingsinstantie, te weten de politie Drenthe.

2.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de CVOM niet over andere stukken beschikt en dat ook niet valt in te zien dat deze onder hem zouden moeten berusten. Onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 21 april 2010 (LJN: BN 5774) stelt verweerder zich op het standpunt dat een zaakoverzicht in beginsel voldoende is om het administratief beroep daartegen te kunnen beoordelen. Gelet hierop hoefde de CVOM niet over andere documenten dan het reeds verstrekte zaakoverzicht te beschikken, zodat op verweerder geen vergaarplicht rust.

3.

Eiser heeft aangevoerd dat de officier van justitie de betreffende documenten moet vergaren met het oog op de heroverweging van de boetebeschikkingen die in het kader van het hiertegen ingediende administratief beroep dient plaats te vinden. Volgens eiser kan de officier van justitie afgifte van deze documenten afdwingen. Verder heeft eiser er op gewezen dat er in vergelijkbare zaken wel nadere documenten beschikbaar waren, zoals een flitsfoto. Naar de mening van eiser heeft verweerder nagelaten te motiveren waarom dit in zijn geval niet zo zou zijn. Voorts had verweerder volgens eiser in moeten gaan op de vraag of er daadwerkelijk enige naspeuring is gedaan en in welke omvang.

4.

De rechtbank leidt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) af dat, indien de stukken waarvan openbaarmaking is gevraagd niet bij het bestuursorgaan berusten terwijl deze wel bij dit bestuursorgaan behoren te berusten, de Wob voor dit orgaan een verplichting bevat om die documenten van elders te vergaren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2005, LJN: AT9283). Nu de CVOM bevoegd is de afgifte van de stukken af te dwingen had men naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen volstaan met doorsturen van het verzoek aan de politie maar rustte op de CVOM een vergaarplicht. De stelling van verweerder dat het zaakoverzicht in beginsel voldoende is om het administratief beroep te kunnen beoordelen, zodat de officier van justitie niet over andere stukken hoefde te beschikken en dus geen vergaarplicht bestaat, volgt de rechtbank niet. De verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden (in een WAHV-zaak) gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, nu deze uitspraak niet ziet op het toetsingskader van de Wob. Uit deze uitspraak blijkt dat de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag biedt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht en dat de rechter in de betreffende zaak, nu er geen feiten of omstandigheden waren aangevoerd die tot twijfel aan de juistheid van deze verklaring leiden, niet verplicht was de in het kader van de Wob gevraagde maar nog niet ontvangen stukken bij zijn beoordeling te betrekken. In de uitspraak wordt de vraag of op grond van de Wob recht bestaat op afgifte van de gevraagde stukken derhalve niet beantwoord.

5.

Uit het voorgaande volgt dat de beroepen gegrond zijn. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen en verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6.

Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944,00.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 944,00;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van (in totaal) € 312,00 aan eiser dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.W. Venema, rechter, in aanwezigheid van mr. P.A. Schoenmakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2013.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: