Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5249

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
416601 - CV EXPL 13-1609
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mishandeling, predispositie, omvang schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 416601 \ CV EXPL 13-1609

vonnis van de kantonrechter d.d. 3 september 2013

inzake

[eiser], in zijn hoedanigheid van curator van [X],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. N.H.M. Poort,

tegen

1.

[A] ,

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. C.W.M. Neefjes,

2.

[B] ,

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. C.C. Haga-Roza, en

3.

[C] ,

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. S. Bosma,

gedaagden, verder gezamenlijk ook aangeduid als [A] c.s.

Procesverloop

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusies van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusies van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.1. [X] is op [datum] door [A], [B] en [C] mishandeld. Alle drie de gedaagden zijn in dat verband veroordeeld tot gevangenisstraffen wegens het medeplegen van poging tot doodslag dan wel (na hoger beroep en enkel ten aanzien van [A] en [C]) zware mishandeling met voorbedachten rade.

Vanwege aangezichts- en schedelletsel is [X] op [datum] opgenomen op de IC van het Antoniusziekenhuis te Sneek. Op [datum] is hij overgeplaatst naar de afdeling Neurologie. Volgens de behandelend neuroloog Mondria was het letsel waarmee [X] is opgenomen van traumatische aard, en waren de onrust en gedragsstoornis tijdens de opname eveneens een gevolg van het trauma.

Op [datum] is hij, vanwege verwardheid en onrustig gedrag, met een IBS opgenomen in GGZ Heerenveen. Volgens de brief van de psychiater i.o. van 29 juli 2010 was en is er sprake van een delirant beeld met verwardheid en onrust nadat [X] in elkaar is geslagen en daardoor een hersenkneuzing heeft opgelopen. [X] is enige tijd in de separeerruimte verpleegd.

Bij brief van 30 juli 2010 heeft de forensisch arts dr. Van der Tas verslag gedaan van zijn onderzoek naar het letsel van [X]. Hij concludeert daarin dat:

"de trauma's ten gevolge van het voorgevallen letsel op [datum] zijn:

1) diverse breuken in het aangezicht (…)

2) (voorbijgaande?) neurologische schade (…)

3) sufheid en verwardheid ten gevolge van een zware hersenschudding en mogelijk ook ten gevolge van alcohol onthoudingsverschijnselen

(…)."

Op [datum] is de IBS voortgezet door een Voorlopige Machtiging. Sinds [datum] verblijft hij in het zorgcentrum [naam zorgcentrum] te [plaats]. Op [datum] is hij onder curatele gesteld.

Bij brief van 12 augustus 2011 heeft dhr. Muller, specialist ouderengeneeskunde, aangegeven dat de heer [X] lijdt aan een complex neurologisch ziektebeeld, niet aangeboren hersenletsel dat veroorzaakt wordt door vasculaire ischemische en traumatisch cerebrale schade.

Van der Tas voornoemd heeft in augustus 2011 wederom onderzoek gedaan naar de toestand van [X]. Uit dit onderzoek blijkt onder meer dat er volgens de neuroloog Van der Kooi nog wel enige kans is op herstel van de traumatologische schade maar dat zij denkt dat ondertussen de andere problematiek, zoals de kleine infarctjes, wel door gaat, dat er sprake is van snel vermoeid-zijn, van diverse geestelijke beperkingen, en dat de behandelend arts Muller niet kan aangeven in hoeverre de beperkingen het gevolg zijn van de mishandeling. Van der Tas concludeert dat er al vóór de mishandeling sprake was van een neurologisch ziektebeeld (afwijkingen passend bij alcoholgebruik en ritmestoornissen van het hart). Voorts is het zijn overtuiging dat de mishandeling zelf zeker heeft geleid tot extra neurologische schade. Van der Tas meent dat het medisch gezien onmogelijk is om een uitgesproken onderscheid te maken tussen de gevolgen van het letsel door de mishandeling en het letsel dat ontstaan is door het voorafgaande en nog steeds verdergaande ziekteproces.

Het standpunt van [eiser]

3.1. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat gedaagden volledig en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het door hen gepleegde misdrijf, alsmede vergoeding van materiële en immateriële schade.

Hij voert hiertoe aan dat er causaal verband bestaat tussen het geweldsmisdrijf en "het letsel".

Het standpunt van [A] c.s.

3.2. Gedaagden voeren elk afzonderlijk verweer. Een rode lijn daarin is dat er sprake is van een predispositie aan de zijde van [X], waardoor niet gezegd kan worden dat zijn huidige toestand (geheel en alleen) het gevolg is van de mishandeling. Voorts wordt de omvang van de schade betwist, en doet [A] een beroep op gedeelteljike ontoerekeningsvatbaarheid en de eigen schuld die [X] draagt.

De beoordeling van het geschil

4.1. De kern van het geschil is gelegen in de vraag in hoeverre [X] schade heeft geleden door toedoen van gedaagden, waar die schade uit bestaat en welke vergoeding tegenover deze schade dient te staan.

4.2. De kantonrechter constateert dat er in de toestand van [X] door en na de mishandeling een ernstig nadelige wending is opgetreden. Vóór de mishandeling woonde en functioneerde [X] zelfstandig. Vóór de mishandeling was er geen sprake van een zodanige hersenbeschadiging dat zijn zelfstandig functioneren werd belemmerd, althans dat opname of verzorging noodzakelijk was.

Ná, en vanwege, de mishandeling is hij opgenomen in het ziekenhuis. Daar manifesteerden zich de onrust en gedragsstoornis die opname in een psychiatrisch ziekenhuis noodzakelijk maakten. Deze onrust en stoornis worden door zowel de neuroloog Mondria, de psychiater in opleiding én Van der Tas in verband gebracht met de mishandeling - zij het dat Van der Tas daar aan toevoegt dat mogelijk óók ontwenningsverschijnselen een oorzaak vormen.

[X] is sedert de mishandeling en de daarop volgende opname niet meer de oude geworden. Hij kan niet meer zelfstandig wonen en functioneren en verblijft nu, kennelijk metterwoon, in een verzorgingstehuis.

Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen al deze omstandigheden, in onderling verband beschouwd, niet tot een andere conclusie leiden dan dat het de mishandeling is geweest die [X] in zijn huidige staat heeft gebracht.

Dat deze staat bij hem langer duurt of zich ernstiger manifesteert door factoren die reeds voor de mishandeling aanwezig waren lijkt voldoende aannemelijk te worden uit de diverse verklaringen, met name die van Van der Tas, maar dat neemt niet weg dat het de mishandeling is geweest die de deur naar de huidige toestand heeft geopend.

4.3. De kantonrechter is van oordeel dat de gevolgen van de mishandeling geheel en al aan ieder der gedaagden kunnen worden toegerekend. Het verweer omtrent ontoerekeningsvatbaarheid en de rol van [X] zelf wordt verworpen, reeds omdat de gestelde ontoerekeningsvatbaarheid, in die zin dat de mishandeling [A] niet kan worden toegerekend, onvoldoende onderbouwd is. Het honoreren van het beroep op de eigen rol van het slachtoffer zou eigenrichting legitimeren, en ten onrechte voorbijgaan aan de in dit land heersende rechtsregel dat men elkaar niet (ernstig) mag mishandelen, hetgeen ook bij [A] bekend mag worden verondersteld.

4.4. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord welke de gevolgen zijn van de mishandeling.

Zoals hiervoor reeds overwogen, is [X] als gevolg van de mishandeling metterwoon opgenomen in een verzorgingscentrum. In beginsel zou de eigen bijdrage die hij daarvoor moet betalen als vermogensnadeel beschouwd kunnen worden, echter, duidelijk is dat deze eigen bijdrage in het niet valt bij de besparing die hij heeft doordat hij overigens geen woon- en verblijfskosten meer hoeft te betalen, nu hij geen huurwoning meer heeft. Wel geldt dat hij in 2010 dubbele kosten heeft gemaakt doordat hij toen nog niet de huur van zijn woning had opgezegd - hetgeen hem gelet op de staat waarin hij destijds verkeerde ook niet aangerekend kan worden. Aldus komt het bedrag van € 606,50 voor vergoeding in aanmerking.

De overige materiële schadeposten ontberen iedere onderbouwing. Daarbij geldt dat de kosten in verband met het opleveren van de woning niet zozeer voortvloeien uit de mishandeling maar uit de huurovereenkomst, krachtens welke hij toch op enig moment de woning op dezelfde wijze moest ontruimen.

Ten aanzien van de immateriële schade geldt het volgende.

Objectief gesproken is er ten gevolge van de mishandeling sprake van een ernstig verlies van levenskwaliteit, in die zin dat [X] niet meer zelfstandig kan functioneren en aangewezen is op hulp en ondersteuning. Dat dit verlies van levenskwaliteit ook zou zijn opgetreden zonder de mishandeling is niet aannemelijk geworden. Wel kan op grond van de diverse medische verklaringen worden aangenomen dat thans de verminderde levenskwaliteit voortduurt, dan wel herstel uitblijft, mede vanwege factoren die geheel los staan van de mishandeling en zijn gelegen in de eigen aard en geschiedenis van [X]. Om deze reden kan de immateriële schade niet geheel en al voor rekening van [A] c.s. gebracht worden; het aan hen toe te rekenen deel wordt ex aequo et bono vastgesteld op € 7.500,--.

De wettelijke rente zal worden toegekend vanaf de dag der dagvaarding, nu niet is gebleken dat er voordien reeds een vermogensnadeel is opgetreden ten gevolge van de immateriële schade.

4.5. Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen goeddeels worden toegewezen. [A] c.s. zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- explootkosten € 276,51

- overige kosten € 54,45

- griffierecht € 448,00

- salaris gemachtigde € 500,--(2 punten x tarief € 250,00)

totaal € 1.278,96

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat [A] c.s. op grond van onrechtmatige daad volledig en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het door hen gepleegde geweldsmisdrijf waarvan [X] op 10 juli 2011 slachtoffer is geworden;

veroordeelt [A] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van een bedrag groot € 606,50 aan materiële schade en € 7.500,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 december 2012, zijnde de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [A] c.s. hoofdelijk in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.278,96;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 185