Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:5087

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
C-17-126941 - FJ RK 13-482
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vervallen verklaren schriftelijke aanwijzing, omgang, voorlopige voorziening, wijziging gezinsvoogdijinstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Opleidingen Legal 2014/55
FJR 2014/41.10
PFR-Updates.nl 2013-0170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

clusternummer: 9069

zaak-/rekestnummer: C/17/126941 / FJ RK 13-482

beschikking van de kinderrechter d.d. 28 juni 2013

vervallenverklaring aanwijzing ex art 1:259 BW en wijziging gezinsvoogdij-instelling

inzake

het verzoekschrift van mevrouw [moeder], de moeder

met betrekking tot

de ondertoezichtstaande minderjarigen:

[minderjarige A] , geboren op [geboortedatum A] en

[minderjarige B] , geboren op [geboortedatum B], beiden in de [gemeente X].

De kinderrechter merkt naast de minderjarigen als belanghebbenden aan:

vader: [vader], gezag,

De uitvoerster van de ondertoezichtstelling: de Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland (hierna: de stichting)

Procesgang

Bij beschikking van de kinderrechter van 19 april 2013 is de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen verlengd, ingaande 27 april 2013 tot 27 april 2014.

De uitvoerster heeft op 24 april 2013 schriftelijk aanwijzingen gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

De met het gezag belaste moeder heeft de kinderrechter tijdig verzocht de schriftelijke aanwijzingen van de gezinsvoogdij-instelling vervallen te verklaren.

Op 7 juni 2013 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Daarbij zijn gehoord:

namens de stichting: dhr. B. van der Ploeg en mw. S. Polak,

mevrouw [moeder], moeder van de minderjarigen, bijgestaan door haar advocaat mr. A.J. de Boer,

dhr. [vader], vader van de minderjarigen, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.F. Rouwé-Danes.

Bij de stukken bevindt zich het verweerschrift van de stichting van 23 mei 2013.

Motivering

Verzoek vervallen verklaring aanwijzing

De stichting heeft op 24 april 2013 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de ouders, inhoudende dat de gezaghebbende ouders ervoor zorg dienen te dragen dat in 2013 een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen wordt nagekomen zoals in de aanwijzing is omschreven. Heel kort gezegd komt genoemde omgangsregeling er op neer dat de minderjarigen een weekend in de veertien dagen bij vader verblijven, alsmede de helft van de vakanties.

De moeder heeft aangevoerd dat de aanwijzing onnodig is gegeven omdat zij tijdens de verlengingszitting van de ondertoezichtstelling heeft aangegeven dat zij aan de omgangsregeling zal meewerken. Voorts is volgens de moeder sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur nu er geen vooraankondiging aan de moeder is gedaan, de aanwijzing niet is gemotiveerd en het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Ten slotte heeft de moeder opgemerkt dat er in het kader van de voorlopige voorzieningen in de echtscheidingsprocedure op 17 maart 2010 een beschikking over de omgang is gegeven. Een gezinsvoogd kan, aldus de moeder, niet buiten deze regeling treden.

De vader en de stichting hebben betoogd dat de aanwijzing in stand dient te blijven. Volgens hen is keer op keer gebleken dat de moeder de omgangsregeling niet vrijwillig nakomt en dat een aanwijzing daarom noodzakelijk is.

De kinderrechter overweegt als volgt. Bij beschikking van 17 maart 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden bij wijze van voorlopige voorziening onder meer bepaald dat de minderjarigen gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede twee aaneengesloten weken in de zomervakantie en één van de Kerst- en Paasdagen bij hun vader verblijven.

Vervolgens is bij beschikking van 27 april 2011 de echtscheiding uitgesproken. Omdat partijen er niet in geslaagd waren een ouderschapsplan tot stand te brengen is de zaak voor wat betreft de zorgregeling in handen gesteld van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad). Een jaar later is uit rapportage van de raad gebleken dat er grote zorgen bestaan over de minderjarigen. Volgens de raad komt de samenwerking tussen de ouders niet tot stand en lijkt de moeder de kinderen structureel bij de vader weg te willen houden. Bij beschikking van 27 april 2012 heeft de kinderrechter de minderjarigen onder toezicht gesteld en heeft de rechtbank (in de echtscheidingszaak) beslist dat partijen zich tot het Omgangscentrum (hierna: OC) van Jeugdhulp Friesland dienden te wenden om bezoeken tussen de vader en de minderjarigen te laten plaatsvinden. Op 10 september 2012 is de zaak opnieuw ter zitting besproken. Gebleken is toen dat de omgang bij het OC gestart was, maar dat het gehele traject nog niet was doorlopen. De zaak is daarop opnieuw aangehouden en zal -naar verwachting- op korte termijn opnieuw door de rechtbank worden behandeld.

Uit het door de stichting overgelegde stappenplan, opgemaakt op 6 februari 2013 volgt dat vanaf medio maart 2013 het OC niet meer bij de omgang zal zijn betrokken. Al voor die tijd zal omgang bij de vader plaatsvinden, zowel onbegeleid als ook begeleid door een pedagogisch medewerkster. Voor de periode vanaf medio maart 2013 zijn omgangsweekenden vastgelegd (vanaf vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur), alsmede is een afspraak gemaakt over de meivakantie. Een en ander is vervolgens vastgelegd in een schriftelijke aanwijzing van 22 februari 2013. In deze aanwijzing is ten slotte opgenomen:

“In week 25 is er een evaluatie van deze omgangsregeling en wordt er een nieuwe omgangsregeling t/m eind december 2013 vastgesteld.”

De hiervoor genoemde omgangsregeling is door partijen ook daadwerkelijk nageleefd.

Vervolgens zijn voor 27 maart 2013 en voor 8 april 2013 met moeder en de overige betrokkenen afspraken gemaakt voor evaluatie van de omgang. Beide afspraken zijn door moeder afgezegd in verband met ziekte van een van de kinderen. Op initiatief van de gezinsvoogd heeft laatstgenoemde afspraak toch plaatsgevonden. Aan moeder is daarna bij mail van 9 april 2013 een eindverslag toegestuurd met het verzoek hier binnen een week op te reageren, alsmede -bij afzonderlijke mail- het concept van de zorgregeling.

De kinderrechter stelt vast dat in de hiervoor genoemde mail van 9 april 2013 gesproken wordt over het toesturen van een schriftelijke aanwijzing. Ook uit de aanwijzing van 22 februari 2013 kan naar het oordeel van de kinderrechter worden afgeleid dat een nieuwe omgangsregeling in een aanwijzing zal worden vastgelegd. Anders dan namens moeder is betoogd is de aanwijzing dan ook vooraf aangekondigd.

Uit de stukken en het hiervoor opgenomen relaas volgt dat de omgangsregeling moeizaam en na een langdurig traject -met begeleide omgang en gedwongen hulpverlening in het kader van een ondertoezichtstelling- tot stand is gekomen. Uit de diverse verslagen is ook gebleken dat de minderjarigen veel plezier beleven aan het contact met hun vader. Het is dan ook in hun belang dat er continuïteit en voorspelbaarheid in de bezoekregeling komt. Om die reden acht de kinderrechter het dan ook begrijpelijk dat er bij de afronding van het traject bij het OC een concept zorgregeling voor de rest van het jaar is besproken. Moeder is twee keer in de gelegenheid gesteld om bij de eindbespreking aanwezig te zijn, maar heeft beide keren afgezegd. Van een overmachtsituatie aan de zijde van moeder is naar het oordeel van de kinderrechter beide keren niet gebleken. Moeder is voorts in de gelegenheid geweest om op het toegezonden verslag en de zorgregeling te reageren, hetgeen zij heeft nagelaten. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de kinderrechter niet gezegd worden dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Evenmin is, gelet op de voorgeschiedenis, sprake van onvoldoende motivering.

Voor wat betreft de vraag of de stichting een en ander in een schriftelijke aanwijzing -een maatregel, waartoe in beginsel pas dient te worden overgegaan als de gewenste medewerking niet door overleg en overreding kan worden bereikt- had moeten vastleggen, overweegt de kinderrechter als volgt. Uit het hiervoor genoemde moeizame traject leidt de kinderrechter af dat de totstandkoming van een omgangsregeling zonder de dwang en drang van een ondertoezichtstelling niet was gelukt. De kinderrechter acht het dan ook alleszins begrijpelijk dat de gezinsvoogd de regeling voor de rest van het jaar schriftelijk heeft willen vastleggen. Dat daarbij de vorm van een schriftelijke aanwijzing is gekozen is dan nauwelijks nog relevant, aangezien het vastleggen van een omgangsregeling in een brief  -volgens vaste jurisprudentie- als het geven van een aanwijzing kan worden aangemerkt.

Voor wat betreft de inhoud van de aanwijzing geldt dat het bezwaar van de moeder ziet op het feit dat een zomervakantie periode van drie weken bij beide ouders is vastgelegd. Volgens de moeder is deze regeling in strijd met de beschikking van de rechtbank van 17 maart 2010. Een aaneengesloten verblijf van drie weken bij de vader acht zij bovendien te lang voor de minderjarigen. 

De kinderrechter overweegt dat in de jurisprudentie is uitgemaakt dat een aanwijzing over de omgang niet in strijd mag komen met een rechterlijke beslissing. Doorgaans betrof het daarbij zaken waarbij de omgang met een ouder werd beperkt. In deze zaak is sprake van het omgekeerde: aan de vader wordt een iets ruimere regeling toegekend dan destijds in de beschikking voorlopige voorzieningen is bepaald.  De kinderrechter overweegt dat een voorlopige voorziening naar zijn aard een beperkte geldigheidsduur heeft omdat deze immers nadien opzij wordt gezet door beslissingen in de echtscheidingszaak. In deze zaak is de beslissing op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken steeds aangehouden in afwachting van de begeleide omgang bij het OC en de inspanningen van de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling. Gelet op die omstandigheden als ook op de hiervoor genoemde aard van de voorlopige voorziening -partijen en de rechtbank zullen er in maart 2010 niet vanuit zijn gegaan dat de vastgelegde vakantieregeling voor 'de zomer' niet alleen voor 2010 zou gelden, maar zelfs tot en met 2013- is de kinderrechter van oordeel dat de gezinsvoogd in dit geval de ruimte had om in het belang van de kinderen een iets ruimere regeling voor de zomervakantie vast te leggen. Dat deze vakantieregeling eerder is vastgelegd dan -zoals aangekondigd in de aanwijzing van 22 februari 2013- in week 25, acht de kinderrechter, gelet op het belang van partijen om tijdig te weten hoe de vakantieregeling er uit ziet, begrijpelijk en aanvaardbaar.

Dat de kinderen een aaneengesloten periode van drie weken bij hun vader niet zouden aankunnen, is de kinderrechter -en ook de gezinsvoogd die zich mede heeft gebaseerd op de bevindingen van het OC- niet gebleken.

Een en ander leidt tot de slotsom dat de aanwijzing is stand kan blijven en het verzoek van de moeder dient te worden afgewezen. 

Wijziging gezinsvoogdij-instelling

Namens moeder is betoogd dat zij zich niet serieus genomen voelt en dat bij haar geen vertrouwen (meer) is in het totstandkomen van een goede werkrelatie met de gezinsvoogd. Zij vraagt daarom een Bureau Jeugdzorg uit een andere regio te benoemen. 

Volgens BJZ zal een wijziging van gezinsvoogdij-instelling geen verandering brengen in de opstelling van moeder. BJZ kent het dossier goed en een overdracht zou weer leiden tot vertraging, hetgeen niet in het belang van de kinderen is.

De kinderrechter stelt voorop dat een wijziging zoals verzocht slechts in uitzonderlijke situaties aan de orde kan zijn. De verhoudingen tussen de gezinsvoogdij-instelling en de betrokken partijen moeten dan zo slecht zijn, dat een wijziging van gezinsvoogdij-instelling in het belang van het kind vereist is. Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is naar het oordeel van de kinderrechter geen sprake. Duidelijk is dat één van de ouders, de moeder, het niet eens is met het ingezette beleid van de stichting. Een verschil van inzicht over al dan niet noodzakelijk geachte hulpverlening is echter niet ongebruikelijk -is vaak ook zelfs aanleiding voor het uitspreken van een ondertoezichtstelling- en vormt op zichzelf dan ook geen reden voor de verzochte wijziging. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het de kinderrechter niet gebleken dat de moeder buiten spel gezet wordt en/of niet gehoord wordt. Mede gelet op de vooruitgang die is geboekt bij het totstandbrengen van een regelmatig contact tussen de kinderen en hun vader, acht de kinderrechter het niet in hun belang om de stichting te vervangen door een gezinsvoogdij-instelling uit een andere regio. Het verzoek zal worden afgewezen.

Beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek van moeder om ten aanzien van de minderjarigen

[minderjarige A], geboren op [geboortedatum A] en

[minderjarige B], geboren op [geboortedatum B], beiden in de [gemeente X]

de aanwijzing van de Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland d.d. 24 april 2013 vervallen te verklaren,

alsmede het verzoek tot aanwijzing van een ander Bureau Jeugdzorg.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.M. Dölle, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 98)