Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:4843

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-01-2013
Datum publicatie
19-08-2013
Zaaknummer
17/885184-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf gevallen van diefstal van schapen uit de weide samen met anderen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit 160 uren werkstraf, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/885184-10

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 januari 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres 1].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 14 januari 2013.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 oktober 2009,

te of bij Haulerwijk, (althans) in de gemeente Ooststellingwerf,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in uit een weiland gelegen

aldaar aan of bij [straatnaam 1]) heeft weggenomen vee, te weten (een aantal)

schapen/rammen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2.

hij in of omstreeks de periode van 7 november 2009 tot en met 12 november 2009,

te of bij Veenhuizen, (althans) in de gemeente Noordenveld,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in uit een weiland gelegen

aldaar aan of bij [straatnaam 2]) heeft weggenomen vee, te weten (een aantal)

schapen/rammen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3.

hij op of omstreeks 4 december 2009,

te of bij Veenhuizen, (althans) in de gemeente Noordenveld,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in uit een weiland gelegen

aldaar aan of bij [straatnaam 3]) heeft weggenomen vee, te weten (een aantal)

schapen/rammen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

4.

hij op of omstreeks 10 december 2009,

te of bij Vledder, (althans) in de gemeente Westerveld,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in uit een weiland gelegen

aldaar aan of bij de [straatnaam 4]) heeft weggenomen vee, te weten (een

aantal) schapen/rammen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s);

5.

hij in of omstreeks de periode van 17 december 2009 tot en met 24 december

2009, te of bij Vledder, (althans) in de gemeente Westerveld,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in uit een weiland gelegen

aldaar aan of bij de [straatnaam 5]) heeft weggenomen vee, te weten (een

aantal) schapen/rammen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s).

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

  • -

    veroordeling voor het onder 1., 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde;

  • -

    oplegging van een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis;

  • -

    een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest;

  • -

    toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 4.000,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 3.000,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijk verklaring voor het overige;

  • -

    toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot een bedrag van

€ 1.830,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijk verklaring voor het overige;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] tot een bedrag van

€ 1.560,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] tot een bedrag van

€ 1.500,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde de hierna te noemen bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1.

De verklaring van verdachte2, inhoudende:

V: Wat heb jij te maken met een diefstal van schapen in Haulerwijk, aan de [straatnaam 1]?

A: Daar ben ik bij geweest. Dat was rond september/oktober van 2009. Het was rond de tijd dat het ging schemeren. Dus het zal ongeveer 19:00 uur à 19:30 uur zijn geweest.

V: Met wie was jij daar?

A: Ik was daar met [medeverdachte 1]. Ik ben daar twee keer geweest. We hebben ongeveer tien schapen meegenomen. Die schapen hebben we naar [medeverdachte 2] gebracht.

Ik hield de deur van de veekar open en [medeverdachte 1] pakte de schapen.

V: Welke auto werd gebruikt om de kar te trekken?

A: Dit was mijn auto. Een Volkswagen Golf, type twee. Hij is rood van kleur. Achter mijn auto zat de paardentrailer van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] verkocht de schapen aan [medeverdachte 2].

V: Waarom gingen de schapen naar [medeverdachte 2]?

A: Omdat we ze daar aan verkochten. We hadden daar een afspraak over. [medeverdachte 2] kon de schapen wel gebruiken. Ik denk dat [medeverdachte 2] de eerste twee keer niet wist dat de schapen gestolen waren. Daarna moet hij wel geweten hebben dat we hem gestolen schapen verkochten.

V: Voor wie was dat geld?

A: Officieel deden we elk de helft. We hadden de afspraak gemaakt dat we elk 50 procent van de opbrengst zouden krijgen. Later ging dit niet meer zo.

Elke keer als er een auto langs kwam, moesten we weer in de auto zitten. Toen kreeg ik wel het gevoel dat het niet goed zat. Toch ben ik ermee doorgegaan.

2.

De verklaring van aangever [slachtoffer 1]3, inhoudende:

Ik doe aangifte van diefstal van 40 schapen. Deze schapen liepen in een weiland gelegen achter de woning aan de [straatnaam 1] te Haulerwijk. In het totaal liepen daar op vrijdag 23 oktober 2009 ongeveer 110 schapen.

3.

De verklaring van [getuige]4, inhoudende:

Op vrijdagavond 23 oktober 2009 ben ik tussen 19:15 uur en 19:45 uur van mijn huis, gelegen aan de [straatnaam 1] te Haulerwijk, weggegaan. Ik zag toen een rode auto, vermoedelijk een Volkswagen Golf, met daar achter gekoppeld een 1,5 grote paardenkar gezien. Ik zag dat de auto in de berm stopte. Ik zag in de volgende bocht een kleine witte vrachtauto op straat staan. Ik zag dat de witte vrachtauto plotseling naar voren reed en in de berm bleef staan. Ik ben om de witte vrachtauto heen gereden. Ik zag toen in de spiegels dat de rode Golf met de paardentrailer achter de witte vrachtauto stopte. Toen ik enige uren later weer naar mijn woning terugkeerde, zag ik dat het hek van het weiland open stond en dat er enkele schapen op het pad liepen.

De rechtbank past met betrekking tot het onder 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1.

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2013;

2.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 2009056104-1, d.d. 20 november 2009, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2];

3.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 2009059438-1, d.d. 5 december 2009, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3];

4.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 2009606905-1, d.d. 11 december 2009, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4];

5.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 2010000671-1, d.d. 4 januari 2010, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 23 oktober 2009 te Haulerwijk, in de gemeente Ooststellingwerf, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een weiland, gelegen aldaar aan de [straatnaam 1], heeft weggenomen vee, te weten schapen, toebehorende aan [slachtoffer 1];

2.

hij in de periode van 7 november 2009 tot en met 12 november 2009 te Veenhuizen, in de gemeente Noordenveld, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een weiland, gelegen aldaar aan de [straatnaam 2], heeft weggenomen vee, te weten schapen, toebehorende aan [slachtoffer 2];

3.

hij op 4 december 2009 te Veenhuizen, in de gemeente Noordenveld, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een weiland, gelegen aldaar aan de [straatnaam 3], heeft weggenomen vee, te weten schapen, toebehorende aan [slachtoffer 3];

4.

hij op 10 december 2009 te Vledder, in de gemeente Westerveld, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een weiland, gelegen

aldaar aan de [straatnaam 4], heeft weggenomen vee, te weten schapen, toebehorende aan [slachtoffer 4];

5.

hij in de periode van 17 december 2009 tot en met 24 december 2009 te Vledder, in de gemeente Westerveld, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een weiland, gelegen aldaar aan de [straatnaam 5], heeft weggenomen vee, te weten schapen, toebehorende aan [slachtoffer 5].

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1.

Diefstal van vee uit de weide, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

2.

Diefstal van vee uit de weide, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3.

Diefstal van vee uit de weide, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

4.

Diefstal van vee uit de weide, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.

Diefstal van vee uit de weide, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

  • -

    de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

  • -

    de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

  • -

    de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 december 2012;

  • -

    de vordering van de officier van justitie;

  • -

    het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf gevallen van diefstal van schapen uit de weide samen met anderen. Hij heeft door zijn handelen grote schade toegebracht aan de eigenaren van deze schapen.

Verdachte heeft een blanco strafblad.

Er is weinig bekend over de persoonlijke omstandigheden van verdachte, nu er geen reclasseringsrapport is.

Voor de hoeveelheid feiten en de ernst van deze feiten legt de rechtbank doorgaans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. Gelet op het feit dat verdachte niet de initiatiefnemer van de feiten is geweest en dat de feiten meer dan drie jaar geleden zijn gepleegd, zal de rechtbank volstaan met een forse werkstraf en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Hierbij gaat de rechtbank op grond van de verklaring van aangever en de [getuige] ervan uit dat er 40 schapen zijn weggenomen en dat hierbij niet alleen de rode Volkswagen met paardentrailer - met daarin verdachte en [medeverdachte 1] - maar ook een witte vrachtwagen betrokken was. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 3.000,00 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu dit betrekking heeft op een diefstal, gepleegd in de periode van tussen 23 april 2010 en 25 april 2010, die niet aan verdachte is tenlastegelegd.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 1.830,00 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank gaat hierbij uit van een bedrag van € 125,00 per gestolen schaap. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu dit onvoldoende onderbouwd is.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer 4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer 5] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 700,00 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank gaat hierbij uit van 7 gestolen schapen, nu aan de rechtbank niet is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van meer dan zeven schapen van [slachtoffer 5]. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu dit onvoldoende onderbouwd is.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1., 2.,3., 4. en 5. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 160 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.

Een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1.

dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2.

dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres 2], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres 3], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [slachtoffer 2], te betalen een som geld ten bedrage van € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te [adres 4], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.830,00 (zegge: achttienhonderddertig euro), in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [slachtoffer 3], te betalen een som geld ten bedrage van € 1.830,00 (zegge: achttienhonderddertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 28 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 3], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende te [adres 5], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.560,00 (zegge: vijftienhonderdzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [slachtoffer 4], te betalen een som geld ten bedrage van € 1.560,00 (zegge: vijftienhonderdzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 4], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], wonende te [adres 6], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 700,00 (zegge: zevenhonderd euro), in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van [slachtoffer 5], te betalen een som geld ten bedrage van € 700,00 (zegge: zevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 5], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 januari 2013.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Haisma

de griffier van de rechtbank

Woude

te Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/885184-10

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 14 januari 2013

Tegenwoordig:

mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,

mr. M. Haisma en mr. C. Krijger, rechters,

mr. R.G. de Graaf, officier van justitie en

mr. C.L. van der Woude, griffier.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres 1].

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Ter terechtzitting zijn tevens verschenen de benadeelde partijen [naam] en [slachtoffer 1].

De behandeling van de zaak tegen de verdachte geschiedt -op praktische gronden- gelijktijdig met de behandeling van de zaak onder parketnummer 17/880252-10 tegen de [medeverdachte 1], nochtans zonder dat deze zaken worden gevoegd.

……………………………

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 28 januari 2013 te 13:30 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer PL02FW 2010051335, gesloten op 14 juni 2010.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd d.d. 14 mei 2010, pagina's 238-241.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], d.d. 30 oktober 2009, pagina's 49-50.

4 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige], d.d. 19 mei 2010, pagina's 109-110.